Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:2555

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-07-2019
Datum publicatie
18-07-2019
Zaaknummer
200.235.203_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming huurwoning wegens aanzienlijke huurachterstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.235.203/01

arrest van 16 juli 2019

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. L. van Dinter te Rotterdam,

tegen

[de stichting] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [de stichting] ,

advocaat: mr. B. Poort te Eindhoven,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 1 mei 2018 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer 6335229 en rolnummer CV EXPL 17-6982 gewezen vonnis van 15 februari 2018.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 1 mei 2018 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van partijen van 25 juni 2018;

- de memorie van antwoord met zeven producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De beoordeling

6.1.1.

In dit hoger beroep kan wat betreft de periode tot aan het wijzen van het bestreden vonnis worden uitgegaan van de volgende feiten.

  • -

    [de stichting] heeft aan [appellante] de woning aan [adres] te [plaats] verhuurd.

  • -

    [appellante] heeft een huurachterstand laten ontstaan.

6.1.2.

Het hof maakt uit het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 25 juni 2018 op dat zich na het bestreden vonnis nog de volgende feiten hebben voorgedaan:

  • -

    [appellante] heeft een executiegeschil aanhangig gemaakt waarin zij schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis heeft gevorderd. Deze vordering is afgewezen.

  • -

    [appellante] heeft de woning vervolgens op 14 april 2018 ontruimd en de sleutels toegezonden aan [de stichting] .

[de stichting] heeft als productie 6 bij de memorie van antwoord een kopie overgelegd van het vonnis dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s‑Hertogenbosch, op 19 maart 2018 heeft gewezen in het genoemde executiegeschil.

6.1.3.

Dat de ontruiming van de woning al heeft plaatsgevonden, ontneemt aan [appellante] niet haar belang bij de beoordeling van dit hoger beroep.

6.2.1.

In de onderhavige procedure vorderde [de stichting] bij inleidende dagvaarding, samengevat:

  • -

    ontbinding van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst;

  • -

    veroordeling van [appellante] tot ontruiming van de woning;

  • -

    veroordeling van [appellante] tot betaling van de inleidende dagvaarding genoemde bedragen aan huurachterstand, rente en buitengerechtelijke kosten;

  • -

    veroordeling van [appellante] tot betaling van de lopende huurtermijnen ten bedrage van € 625,96 per maand tot de datum van de ontbinding van de huurovereenkomst;

  • -

    veroordeling van [appellante] tot betaling van een gebruiksvergoeding van € 625,96 per maand voor elke maand of gedeelte van een maand dat [appellante] vanaf de datum van de ontbinding van de woning in gebreke blijft met de ontruiming van de woning;

met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

6.2.2.

Aan deze vordering heeft [de stichting] ten grondslag gelegd dat [appellante] een aanzienlijke huurachterstand heeft laten ontstaan en dat vanwege die tekortkoming in de nakoming van de huurbetalingsverplichtingen de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde gerechtvaardigd is.

6.2.3.

[appellante] heeft in het geding bij de kantonrechter verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

6.2.4.

In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter, samengevat, als volgt geoordeeld.

  • -

    Ten tijde van uit uitbrengen van de inleidende dagvaarding (14 september 217) bedroeg de huurachterstand € 3.783,26 (rov. 3.2).

  • -

    De huurachterstand over de periode tot 1 februari 2018 bedraagt € 5.035,18. De vordering ter zake huurachterstand is in zoverre toewijsbaar (rov. 3.4).

  • -

    Ook is toewijsbaar € 40,36 aan per 25 augustus 2017 (in het vonnis staat abusievelijk 2018) vervallen rente en € 609,03 inclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten. In totaal is dus € 5.684,57 toewijsbaar (rov. 3.4 slot, 3.5 en 3.6).

  • -

    Gelet op de hoogte van de huurachterstand zijn de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en tot ontruiming van het gehuurde toewijsbaar. Ook de vordering tot betaling van huur dan wel gebruiksvergoeding tot aan de datum van de ontruiming is toewijsbaar (rov. 3.7).

Op grond van deze oordelen heeft de kantonrechter:

  • -

    de huurovereenkomst ontbonden;

  • -

    [appellante] veroordeeld om het gehuurde binnen vier weken na betekening van het vonnis te ontruimen;

  • -

    [appellante] veroordeeld om aan [de stichting] € 5.684,57 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over (het in rov. 3.2 van het vonnis genoemde bedrag van) € 4.409,22 vanaf 25 augustus 2017;

  • -

    [appellante] veroordeeld om aan [de stichting] € 625,96 te betalen voor elke maand of gedeelte van een maand dat [appellante] vanaf 1 februari 2018 het gehuurde niet heeft ontruimd;

  • -

    [appellante] in de proceskosten veroordeeld;

  • -

    het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

  • -

    het meer of anders gevorderde afgewezen.

6.3.

[appellante] heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [de stichting] , met veroordeling van [de stichting] om al hetgeen [appellante] op grond van het vonnis aan [de stichting] heeft betaald, aan [appellante] terug te betalen en met veroordeling van [de stichting] in de proceskosten.

Ten aanzien van grief 5: vonnis op tegenspraak?

6.4.1.

Door middel van grief 5 betoogt [appellante] dat de kantonrechter ten onrechte een vonnis op tegenspraak heeft gewezen. Volgens [appellante] is dat onjuist omdat zij niet is verschenen bij de op 18 januari 2018 door de kantonrechter gehouden comparitie van partijen.

6.4.2.

Het hof verwerpt deze grief. Uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt immers dat [appellante] op 28 september 2017 is verschenen in het geding bij de kantonrechter en op die datum mondeling verweer heeft gevoerd, terwijl [appellante] bovendien een schriftelijk verweer d.d. 25 oktober 2017 heeft ingediend bij de kantonrechter. Verstekverlening op de voet van artikel 139 Rv was niet aan de orde. De kantonrechter heeft het vonnis dus terecht de vorm gegeven van een vonnis op tegenspraak. Dat [appellante] niet is verschenen op de op 18 januari 2018 gehouden comparitie van partijen voert niet tot een ander oordeel. Dat laat immers onverlet dat [appellante] , zoals hiervoor is overwogen, in het geding is verschenen.

6.4.3.

Overigens had [appellante] , indien daadwerkelijk sprake zou zijn geweest van een verstekvonnis, daartegen geen hoger beroep maar op de voet van artikel 143 Rv verzet moeten instellen.

Ten aanzien van de grieven 1, 2 en 4: hoogte huurachterstand?

6.5.1.

Het hof zal de grieven 1, 2 en 4 gezamenlijk behandelen. Door middel van deze grieven betoogt [appellante] dat de huurachterstand minder dan drie maanden bedraagt en dat dit onvoldoende is om de ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen te rechtvaardigen.

6.5.2.

Het hof stelt bij de beoordeling van deze grieven voorop dat [appellante] niet gemotiveerd heeft betwist dat de huurachterstand ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding (14 september 2017) € 3.783,26 bedroeg. [appellante] heeft zich in de toelichting op grief 1 bij randnummer 3 zelf beroepen op het oordeel van de kantonrechter in rov. 3.2 van het vonnis dat de huurachterstand per datum dagvaarding € 3.783,26 bedroeg. Ook in hoger beroep staat dus vast dat de huurachterstand op 14 september 2017 € 3.783,26 bedroeg. Dat is een huurachterstand van meer dan zes maanden.

6.5.3.

Ter onderbouwing van haar stelling dat de huurachterstand op een later moment is afgenomen tot minder dan drie maanden heeft [appellante] in de toelichting op grief 1 allereerst een beroep gedaan op vier betalingen van elk € 625,96 ( [appellante] stelt door een kennelijke verschrijving ten onrechte dat het om betalingen van € 625,97 gaat), gedaan in de maanden augustus, september, oktober en november 2018. Dit betoog kan [appellante] niet baten. De kantonrechter heeft in de tweede alinea van rov. 3.2 rekening gehouden met deze huurbetalingen. De huurachterstand is daardoor in deze periode niet afgenomen maar gelijk gebleven, aangezien met het verstrijken van elke maand weer een nieuwe huurtermijn opeisbaar werd.

6.5.4.

[appellante] heeft in de toelichting op grief 1 voorts een beroep gedaan op twee betalingen van elk € 625,97 (bedoeld is kennelijk € 625,96) die gedaan zijn op 16 januari 2018 en 22 januari 2018. [de stichting] heeft in de memorie van antwoord sub 22 erkend dat zij deze betalingen heeft ontvangen. De kantonrechter heeft met deze betalingen geen rekening kunnen houden aangezien zij verricht zijn ná de bij de kantonrechter gehouden comparitie van partijen. Zij brengen wel mee dat het oordeel van de kantonrechter in rov. 3.4 van het vonnis, dat de huurachterstand over de periode tot 1 februari 2018 € 5.035,18 bedraagt, aanpassing behoeft. Rekening houdend met deze twee betalingen moet de huurachterstand over de periode tot 1 februari 2018 worden vastgesteld op € 3.783,26. Dat betreft dus wederom een huurachterstand van (iets meer dan) zes maanden.

6.5.5.

[appellante] heeft in de toelichting op grief 1 voorts gesteld dat zij op 31 januari 2018 € 2.000,-- en op 28 februari 2018 € 1.560,-- aan [de stichting] heeft betaald. Ter onderbouwing van die stelling heeft [appellante] als productie 3 bij de dagvaarding in hoger beroep een mutatieoverzicht van haar bankrekening overgelegd. Dit overzicht vermeldt onder meer een ’nieuwe overboeking’ voor een bedrag van € 2.000,-- d.d. 31 januari 2018 en voor een bedrag van € 1.560,-- d.d. 28 februari 2018. Bij beide afboekingen staat de aanduiding “Stichting [de stichting] ”. Nadere bijzonderheden over deze overboekingen, zoals het IBAN-nummer van de tegenrekening ten gunste waarvan de betalingen zouden zijn gedaan en een bij de betalingen gebruikt kenmerk of omschrijving, zijn op het overzicht niet te zien en zijn door [appellante] ook niet gesteld.

6.5.6.

Tijdens de comparitie na aanbrengen van 25 juni 2018, waarbij [appellante] zelf niet is verschenen maar haar advocaat wel, zijn deze gestelde betalingen aan de orde geweest. [de stichting] heeft bij gelegenheid van de comparitie van partijen:

  • -

    nadrukkelijk betwist dat de gestelde betalingen van € 2.000,-- en € 1.560,-- door haar zijn ontvangen;

  • -

    gesteld dat ook de voorzieningenrechter tijdens het executiegeschil dat genoemd is in rov. 6.1.2 van dit arrest, niet heeft kunnen vaststellen dat de beweerdelijke overboekingen daadwerkelijk ten gunste van [de stichting] hebben plaatsgevonden;

  • -

    erop gewezen dat [appellante] geen printscreen (of ander bewijsstuk) van de gestelde betalingen heeft overgelegd, waarop het bankrekeningnummer van [de stichting] zichtbaar is.

[de stichting] heeft bij memorie van antwoord de betwisting van de ontvangst van het twee gestelde betalingen nader onderbouwd. Zij heeft daarbij onder meer (als bijlage 9 bij productie 4 bij de memorie van antwoord) een mutatieoverzicht van 7 maart 2018 overgelegd waarop volgens haar alle betalingen staan die zij vanaf begin maart 2017 van [appellante] heeft ontvangen, en waarop de gestelde betalingen van € 2.000,-- en € 1.560,-- niet voorkomen.

6.5.7.

Omdat [appellante] zich beroept op de rechtsgevolgen van haar stelling dat zij in mindering op de huurachterstand op 31 januari 2018 € 2.000,-- en op 28 februari 2018 € 1.560,-- heeft betaald, ligt het op haar weg om die stelling tegenover het door [de stichting] gevoerde verweer voldoende te onderbouwen. [appellante] heeft haar stelling over de door haar gestelde betalingen echter onvoldoende onderbouwd. Het hof tekent hierbij aan dat al tijdens de comparitie na aanbrengen aan de orde is geweest dat:

  • -

    [de stichting] nadrukkelijk betwist dat de gestelde betalingen van € 2.000,-- en € 1.560,-- aan haar zijn gedaan;

  • -

    ook de voorzieningenrechter tijdens het executiegeschil niet heeft kunnen vaststellen dat de beweerdelijke overboekingen daadwerkelijk ten gunste van [de stichting] hebben plaatsgevonden;

  • -

    [appellante] geen printscreen (of ander bewijsstuk) van de gestelde betalingen heeft overgelegd waarop het rekeningnummer van [de stichting] zichtbaar is.

Bij deze stand van zaken had het op de weg van [appellante] gelegen om haar stellingen over de beweerdelijke betalingen nader te onderbouwen, met name door meer gespecificeerde bewijsstukken (zoals rekeningafschriften) over te leggen, met daarop nadere details over die gestelde betalingen zoals met name het IBAN-nummer van de tegenrekening ten gunste waarvan de betalingen zouden zijn gedaan. Omdat [appellante] heeft nagelaten een dergelijke nadere onderbouwing – bijvoorbeeld bij akte – over te leggen, terwijl zij had moeten begrijpen dat zij haar stellingen nader diende te onderbouwen, concludeert het hof dat [appellante] ten aanzien van de beweerdelijke betalingen niet aan haar stelplicht heeft voldaan.

6.5.8.

[appellante] heeft in de toelichting op grief 1 nog betoogd dat de kantonrechter het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden. Die stelling kan [appellante] niet baten. Voor zover al geoordeeld zou kunnen worden dat de kantonrechter aan [appellante] nog de gelegenheid had moeten bieden om op het door [de stichting] ten behoeve van de comparitie van partijen overgelegde betalingsoverzicht te reageren, geldt dat [appellante] in elk geval de gelegenheid heeft gehad om bij de dagvaarding in hoger beroep op dat overzicht te reageren. Dit heeft [appellante] er niet toe gebracht om deugdelijke bewijsstukken van de door haar gestelde nadere betalingen over te leggen.

6.5.9.

[appellante] heeft aan het slot van haar dagvaarding in hoger beroep in algemene bewoordingen bewijs van haar stellingen aangeboden. Het hof acht dat bewijsaanbod echter onvoldoende gespecificeerd. Voor zover [appellante] bewijs had willen leveren door het overleggen van nadere stukken / specificaties had zij die stukken bij de dagvaarding in hoger beroep of uiterlijk bij een door haar op haar eigen initiatief te nemen akte in het geding moeten brengen. [appellante] heeft ook niet gesteld op welke rekening de beweerdelijke betalingen zouden zijn gestort. Nu [appellante] niet aan haar stelplicht heeft voldaan, is bewijslevering niet aan de orde. Het hof acht bij deze stand van zaken dan ook geen redenen aanwezig om [appellante] nog een gelegenheid voor bewijslevering te geven.

6.5.10.

Grief 4 is eveneens gebaseerd op de stelling dat [appellante] op 31 januari 2018 € 2.000,-- en op 28 februari 2018 € 1.560,-- heeft betaald aan [de stichting] . Die stelling kan om bovenstaande redenen niet worden gevolgd. Voor het overige bevat de toelichting op grief 4 geen voldoende duidelijke bezwaren tegen het bestreden vonnis. Grief 2 heeft naast grief 1 evenmin zelfstandige betekenis. Het hof concludeert dat de grieven 1, 2 en 4 slechts in beperkte mate doel treffen. Om de hiervoor in rov. 6.5.4 genoemde reden moet het oordeel van de kantonrechter in rov. 3.4 van het vonnis, dat de huurachterstand over de periode tot 1 februari 2018 € 5.035,18 bedraagt, in dier voege worden aangepast dat de huurachterstand over de periode tot 1 februari 2018 € 3.783,26 bedraagt.

6.5.11.

Dat laat onverlet dat € 40,36 toewijsbaar is aan per 25 augustus 2017 vervallen rente en € 609,03 inclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten. In totaal is dus € 4.432,65 toewijsbaar (in plaats van het door de kantonrechter toegewezen totaalbedrag van € 5.684,57). Het vonnis moet in zoverre worden vernietigd en het hof zal in zoverre opnieuw recht doen.

Ten aanzien van grief 3: hoor en wederhoor en psychische overmacht

6.6.1.

In de toelichting op grief 3 betoogt [appellante] allereerst dat de kantonrechter het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden. Dit onderdeel van de grief kan geen doel treffen. Het hof verwijst daartoe naar hetgeen hiervoor in rov. 6.5.8 is overwogen.

6.6.2.

In de toelichting op grief 3 heeft [appellante] voorts betoogd dat zij psychische klachten heeft en dat in zoverre sprake is van verzachtende omstandigheden, gelegen in psychische overmacht. Voor zover [appellante] daarmee wil betogen dat de tekortkoming, bestaande in het laten ontstaan van een aanzienlijke huurachterstand, haar niet kan worden toegerekend, verwerpt het hof dat betoog. Voor ontbinding van een huurovereenkomst op de voet van artikel 6:265 BW is (anders dan bij toekenning van schadevergoeding op de voet van artikel 6:74 BW) niet vereist dat de tekortkoming aan de huurder kan worden toegerekend.

6.6.3.

Voor zover [appellante] heeft willen betogen dat de tekortkoming mede omdat die door psychische problemen aan haar zijde is veroorzaakt, mede gelet op haar belangen bij het voortduren van de huurovereenkomst, de ontbinding van de huurovereenkomst niet rechtvaardigt, verwerpt het hof ook dat betoog. De verplichting tot betaling van de huur is een van de meest fundamentele verplichtingen van de huurder. [appellante] is in ernstige mate tekortgeschoten in de nakoming van de verplichting, terwijl voorts uit niets blijkt dat zij in de toekomst de huurbetalingsverplichtingen wel goed zou kunnen nakomen. Bij deze stand van zaken heeft [de stichting] er een gerechtvaardigd belang bij om tot beëindiging van de huurovereenkomst te komen. Het hof verwerpt daarom grief 3.

Conclusie

6.7.1.

Uit het voorgaande volgt dat het vonnis slechts vernietigd moet worden voor zover de kantonrechter [appellante] heeft veroordeeld om aan [de stichting] € 5.684,57 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over € 4.409,22 vanaf 25 augustus 2017. Het hof zal, in zoverre opnieuw rechtdoende, [appellante] veroordelen om aan [de stichting] € 4.432,65 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over € 3.783,26 vanaf 25 augustus 2017.

6.7.2.

Gelet op de uitkomst van deze procedure blijft [appellante] de in het geding in eerste aanleg grotendeels in het ongelijk gestelde partij. Het hof zal het vonnis daarom bekrachtigen voor zover [appellante] daarbij in de proceskosten van het geding in eerste aanleg is veroordeeld.

Ook de andere onderdelen van het vonnis moeten worden bekrachtigd.

6.7.3.

[appellante] heeft in hoger beroep veroordeling van [de stichting] gevorderd tot terugbetaling van al hetgeen [appellante] op grond van het vonnis aan [de stichting] heeft betaald, aan [appellante] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag van de terugbetaling. Deze vordering is slechts toewijsbaar voor zover [appellante] aan [de stichting] meer heeft voldaan dat zij op grond van het bekrachtigde deel van het vonnis aan [de stichting] verschuldigd is. In zoverre zal het hof deze vordering toewijzen.

6.7.4.

In hoger beroep is [appellante] de grotendeels in het ongelijk gestelde partij. Het hof zal [appellante] daarom veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep, inclusief nakosten en vermeerderd met wettelijke rente zoals gevorderd.

6.7.5.

Het hof zal dit arrest, zoals door partijen gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

7 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis uitsluitend voor zover het betreft de veroordeling van [appellante] om aan [de stichting] € 5.684,57 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over € 4.409,22 vanaf 25 augustus 2017;

in zoverre opnieuw rechtdoende: veroordeelt [appellante] om aan [de stichting] € 4.432,65 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over € 3.783,26 vanaf 25 augustus 2017;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor al het overige;

veroordeelt [de stichting] om, voor zover [appellante] op grond van het vonnis meer aan [de stichting] heeft betaald dan [appellante] op grond van het bekrachtigde deel van het vonnis aan [de stichting] verschuldigd was, dat meerdere aan [appellante] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag van de terugbetaling;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [de stichting] op € 726,-- aan griffierecht en op € 2.148,-- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 157,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat de bedragen van deze proceskostenveroordeling binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, H.A.W. Vermeulen en M.G.W.M. Stienissen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 juli 2019.

griffier rolraadsheer