Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:2554

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-07-2019
Datum publicatie
18-07-2019
Zaaknummer
200.234.973_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:5912
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huur. Woonwagen. Ontbinding/ontruiming? Gerechtvaardigd? Rechtsverwerking?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.234.973

arrest van 16 juli 2019

in de zaak van

1 [appellant 1] ,

2. [appellant 2],
wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna gezamenlijk aan te duiden als [appellanten] ,

advocaat: mr. R.W.J.L. Loonen te Heerlen,

tegen

de Gemeente Voerendaal,

zetelend te Voerendaal,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de gemeente,

advocaat: mr. H.A.J. Stollenwerck te Maastricht,

op het bij exploot van dagvaarding van 5 september 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 21 juni 2017, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellanten] als gedaagden en de gemeente als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 5351950 \ CV EXPL 16-8167)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven, met productie;

  • -

    de memorie van antwoord, met productie.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken het volgende vast (vonnis, 2).

  1. Tussen partijen zijn huurovereenkomsten gesloten. [appellanten] huurde van de gemeente een woonwagenstandplaats aan de [adres 1] respectievelijk [adres 2] (hierna ook: nr. [adres 1] en nr. [adres 2] ) te [standplaats] .

  2. Met betrekking tot deze standplaatsen is sprake geweest van een huurachterstand. Om die reden heeft de gemeente [appellanten] door middel van het doen uitbrengen van een exploot van dagvaarding op 31 mei 2016 in rechte betrokken. Berekend over de periode tot 1 juli 2016 bedroeg die huurachterstand volgens de gemeente € 7.708,40 per standplaats.

  3. Op 16 juni 2016, dus ná het uitbrengen van de dagvaarding, heeft [appellanten] genoemd bedrag aan huurachterstand aan de gemeente betaald.

  4. De gemeente heeft naar aanleiding van die betalingen haar eis en de grondslag daarvan gewijzigd.

  5. De woonwagenstandplaats aan de [adres 3] (hierna ook: nr. [adres 3] ) was door de gemeente verhuurd aan de vader van [appellanten] . Deze huurovereenkomst is door het overlijden van vader [appellanten] in 2007 geëindigd. De woonwagen, die stond op nr. [adres 3] en waarvan de gemeente eigenaar is, is op 1 juni 2016 verwijderd.

3.2.

De gemeente heeft in eerste aanleg samengevat gevorderd: ontbinding van de huurovereenkomsten (3.1 a hiervoor), ontruiming van de standplaatsen (3.1 a en e hiervoor; ieder afzonderlijk wat betreft nr. [adres 1] respectievelijk nr. [adres 2] en hoofdelijk wat betreft nr. [adres 3] ) en veroordeling van [appellanten] (ieder afzonderlijk voor nr. [adres 1] respectievelijk nr. [adres 2] ) om de huurpenningen vanaf 1 juli 2016 tot aan de ontruiming te voldoen, met veroordeling van [appellanten] hoofdelijk in de kosten van het geding.

De gemeente heeft hieraan samengevat ten grondslag gelegd dat [appellanten] de huur niet tijdig heeft betaald en zich niet heeft gedragen als goed huurder. De gemeente heeft gesteld dat er sprake is van (vonnis, 4.1): een huurachterstand van 50 maanden, forse huurachterstanden in het verleden, bedreiging en intimidatie van gemeentemedewerkers, diefstal van elektriciteit en gas, het oprichten van bouwwerken op het gehuurde perceel zonder vergunning, de aanwezigheid van een handelshoeveelheid hennep (nr. [adres 2] ) en een hennepplantage in voorbereiding (nr. [adres 4] in dezelfde straat, waar [appellant 2] eigenaar is (met elektrische bediening vanuit nr. [adres 1] )) en de aanwezigheid van een gestolen auto op het handelsterrein van [appellanten] .

[appellanten] heeft verweer gevoerd.

3.3.

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis (i) de huurovereenkomsten voor nrs. [adres 1] en [adres 2] (3.1 a hiervoor) ontbonden, (ii) de ontruiming van nrs. [adres 1] , [adres 3] en [adres 2] (3.1 a en e hiervoor) bevolen, (iii) [appellanten] (ieder afzonderlijk voor de eigen standplaats, nr. [adres 1] respectievelijk nr. [adres 2] ) veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur vanaf 1 juli 2016 tot aan de ontbinding en een gebruiksvergoeding vanaf de ontbinding tot aan de ontruiming en (iv) [appellanten] hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten.

3.4.

[appellanten] heeft in hoger beroep negen grieven aangevoerd. [appellanten] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het afwijzen van het gevorderde, met veroordeling van de gemeente in de kosten van het geding.

De gemeente heeft verweer gevoerd. Zij heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het beroepen vonnis.

3.5.

De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Het hof betrekt bij de beoordeling de stellingen van de gemeente uit de eerste aanleg, die in elk geval aan de orde zouden moeten komen indien een grief zou slagen.

3.6.

Het eerste geschilpunt betreft de mededeling in de aanzegging van de inleidende dagvaarding, inhoudende dat [appellanten] ontbinding kon voorkomen door tijdige betaling van de huurachterstand (inleidende dagvaarding, blz. 3 onder IV, grieven, 17, 20). [appellanten] betoogt dat hierin een aanbod besloten ligt, dat gezien zijn betaling is uitgemond in een overeenkomst die met zich brengt dat de huurachterstand niet langer aan de ontbinding ten grondslag kan worden gelegd (grieven, 44, 50).

Het hof overweegt dat [appellanten] aan deze mededeling redelijkerwijs niet de gestelde conclusies heeft mogen verbinden. [appellanten] heeft redelijkerwijs niet mogen aannemen dat de gemeente een aanbod deed, gericht op de gestelde overeenkomst. Het ging uitsluitend om een mededeling over de achterstand en de mogelijkheid van betaling. Een aanbod tot het aangaan van de gestelde overeenkomst ligt niet besloten in een dergelijke aanzegging. [appellanten] heeft (zonder nadere toelichting, die ontbreekt) redelijkerwijs daaruit niet mogen afleiden dat de gemeente bereid was zich bij overeenkomst te verbinden om af te zien van ontbinding van de huurovereenkomst (op grond van de omstandigheden onder 3.11-3.12 hierna). Het gaat niet alleen om de huurachterstand in juni 2016. [appellanten] moest begrijpen dat overige omstandigheden zich voordeden (3.11-3.12 hierna). [appellanten] moest erop bedacht zijn dat de gemeente daarmee rekening zou houden. [appellanten] heeft zijn beroep op een schending van het vertrouwensbeginsel bij deze stand van zaken onvoldoende onderbouwd (grieven, 46).

3.7.

Het tweede geschilpunt betreft de stelling van [appellanten] dat hij de nakoming van zijn verplichting tot betaling van huur heeft opgeschort in verband met een afspraak met de gemeente betreffende de koop van de standplaatsen (grieven, 34-35). [appellanten] verbindt hieraan de conclusie dat de huurachterstand niet mag worden betrokken bij de beoordeling. Het hof volgt [appellanten] daarin niet.

[appellanten] heeft naar het oordeel van het hof niet voldoende toegelicht dat en waarom hij bevoegd zou zijn tot opschorting (grieven, 25, 34-35, 39). [appellanten] heeft aangevoerd dat “afspraken met de gemeente zijn gemaakt betreffende de koop van de standplaatsen” en dat de gemeente deze afspraken niet is nagekomen. Hij bedoelt kennelijk dat de gemeente toezeggingen had gedaan over een verkoop van de standplaatsen aan [appellanten] . Geheel onduidelijk is gebleven welke afspraken of toezeggingen het betreft, hoe en wanneer deze tot stand zijn gekomen en waarom de gestelde afspraken of toezeggingen de opschorting van de betaling van huur kunnen rechtvaardigen. [appellanten] maakte in de loop van de jaren steeds gebruik van de standplaatsen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, moet het hof aannemen dat hij voor dat gebruik huur verschuldigd was, hetgeen [appellanten] ook niet heeft betwist aangezien hij zich slechts op opschorting beroept en niet op het niet langer bestaan van de verplichting tot betaling van huur.

De conclusie van het tweede geschilpunt is dat de grieven ook in zoverre falen.

3.8.

Het derde geschilpunt betreft het standpunt van [appellanten] dat (a) de tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomsten – de huurachterstand in 2016 – in het licht van alle omstandigheden van het geval de ontbinding van deze overeenkomsten niet rechtvaardigt en (b) de ontbinding en ontruiming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij om de standplaatsen nrs. [adres 1] en [adres 2] . Daar zien de huurovereenkomsten tussen partijen op (3.1 a hiervoor).

3.9.

Het hof neemt bij de beoordeling van dit geschilpunt in de eerste plaats in aanmerking dat [appellanten] in 2016 een huurachterstand van € 7.708,40 per standplaats exclusief wettelijke rente had (dus in totaal € 15.416,80 voor twee standplaatsen) bij een maandelijkse huurtermijn van (in 2016) € 161,70 per standplaats (inleidende dagvaarding, 2.6 en 2.7; vonnis, dictum; 3.1 a en b hiervoor). [appellanten] heeft namelijk allereerst de hoogte van de schuld door de betaling ervan (zonder nadere mededelingen) erkend. Dat hij na de betaling bij conclusie van antwoord alsnog voorbehouden heeft gemaakt doet hieraan niet af, nu hij dit – om effect te sorteren – voorafgaand aan de betaling had moeten doen. [appellanten] heeft voorts naar het oordeel van het hof bij deze stand van zaken de stelling van de gemeente, dat de achterstand (ongeveer) 50 maanden huur vertegenwoordigde (€ 161,70 x 2 x 50 = € 16.170,00, waarbij de huur naar moet worden aangenomen in de loop van de jaren is geïndexeerd en dus eerst lager was), onvoldoende gemotiveerd betwist (grieven, 32, 34). Het hof neemt deze stelling dan ook als vaststaand aan. De ontstane huurachterstand was dus zeer substantieel, zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen (vonnis, 4.10).

3.10.

Het hof overweegt verder dat [appellanten] in het verleden met betrekking tot dezelfde standplaatsen ook al een zeer substantiële achterstand had. De gemeente stelt dat zij deze “gigantische” achterstand, gelijk aan 65 maanden huur tussen 2003 en 2011 (voor nr. [adres 1] € 20.337,62 en voor nr. [adres 2] € 11.132,87), in 2011 deels heeft kwijtgescholden of als oninbaar heeft afgeboekt en dat zij ten aanzien van vader [appellanten] een schuld van € 13.761,00 (voor nr. [adres 3] ) in 2011 heeft kwijtgescholden en niet verhaald op [appellanten] als erfgenamen (repliek, 4.1.2; brieven van mr. Stollenwerck van 28 april 2011 en daarbij gevoegde overzichten met betrekking tot nrs. [adres 1] , [adres 3] en [adres 2] , producties 3 en 4 bij inleidende dagvaarding). [appellanten] is niet ingegaan op deze brieven en gespecificeerde overzichten. Uit de brieven blijkt dat de gemeente bereid was de schuld van vader [appellanten] kwijt te schelden indien [appellanten] € 5.319,87 respectievelijk € 14.524, 60 binnen 14 dagen zou betalen. Partijen zijn het erover eens dat zij in 2011 een regeling hebben getroffen, maar de inhoud ervan is in geschil. [appellanten] heeft niet uitgelegd welke andere inhoud de regeling zou hebben dan als hiervoor omschreven (de brieven van mr. Stollenwerck van 28 april 2011). Wat er verder zij van de regeling, het hof is bij deze stand van zaken van oordeel dat [appellanten] het standpunt van de gemeente over de forse achterstand tussen 2003 en 2011 onvoldoende gemotiveerd heeft betwist (dupliek, 2-9). Het hof neemt daarom als vaststaand aan dat ook een zeer substantiële achterstand tussen 2003 en 2011 is ontstaan met betrekking tot de nummers [adres 1] , [adres 3] en [adres 2] .

3.11.

Bij deze achterstanden komt nog de stelling van de gemeente dat [appellanten] elektriciteit en gas heeft gestolen met een waarde van € 15.392,62, € 1.202,78 en € 1.909,24 vrij van btw (producties 7-9 bij akte van 22 juni 2016). De gemeente beroept zich op rapporten van Enexis. Uit deze stukken blijkt dat Enexis tijdens een onderzoek van 31 mei 2016 het volgende heeft geconstateerd:

  • -

    bij nr. [adres 1] een “illegale aftakking gemaakt op de aansluitkabel buiten” (productie 7 bij akte van 22 juni 2016) en

  • -

    bij nrs. [adres 3] en [adres 2] “vernieling, beschadiging of het onbruikbaar maken van de meetinrichting” (producties 8 en 9 bij akte van 22 juni 2016) (er was volgens het rapport met de zegels van de meter gefraudeerd en de meter was beschadigd).

[appellanten] heeft hiertegen ingebracht dat hij “zelfstandig in een hechte gemeenschap” woont en dat het gebruikelijk is daarin veel werkzaamheden, zoals aansluitingen van gas en elektriciteit, zelf uit te voeren (conclusie van antwoord, 17). Vader [appellanten] heeft, zo stelt [appellanten] , een grote vinger in de pap gehad tot zijn overlijden in 2007. [appellanten] voert aan dat de situatie al heel lang zo was, dat vader [appellanten] een en ander had aangelegd en dat de situatie inmiddels, na de komst van Enexis, is aangepast en de boete aan Enexis deels is betaald en deels in een regeling is meegenomen (conclusie van antwoord, 19). [appellanten] betwist dat hij zelf illegale aftakkingen heeft aangebracht, waarmee hij bedoelt, naar het hof begrijpt, dat vader [appellanten] een en ander lang geleden heeft aangelegd en dat [appellanten] de bestaande situatie heeft laten voortbestaan (conclusie van dupliek, 20-21). Het hof is bij deze stand van zaken van oordeel dat [appellanten] de stellingen van de gemeente over de bevindingen van Enexis onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, zodat het hof deze stellingen als vaststaand aanneemt. Daarmee staat vast dat [appellanten] op het gehuurde strafbare feiten heeft laten plaatsvinden, waarbij het hof in het midden laat of [appellanten] dit zelf heeft gedaan of dat hij het werk van zijn vader in stand heeft gelaten. In beide gevallen is er sprake van een situatie waarvoor [appellanten] verantwoordelijk is.

3.12.

Het hof neemt verder het standpunt van de gemeente in aanmerking dat [appellanten] zich dreigend en intimiderend heeft opgesteld tegenover medewerkers van de gemeente. De gemeente heeft twee “incidenten” op het gemeentehuis beschreven en een toegangsverbod voor het gemeentehuis opgelegd (25 januari en 15 maart 2016; brief van 18 maart 2016, producties 1-2 bij inleidende dagvaarding). De gemeente heeft verder gewezen op dreigende contacten op 1 juni 2016 tussen [appellanten] en medewerkers van de gemeentewerf (in de buurt van de standplaatsen) (politierapport, productie 6 bij akte van 22 juni 2016). [appellanten] erkent dat de gemoederen hoog zijn opgelopen, maar voert aan dat geen sprake is geweest van fysiek geweld, dat hij spijt heeft betuigd en dat alles goed ging in de tijd van voormalig wethouder [voormalig wethouder] . Wat hier verder van zij, het hof is van oordeel dat [appellanten] in elk geval de stellingen over herhaald dreigend en intimiderend gedrag (stemverheffing) niet gemotiveerd heeft betwist, zodat dit gedrag vaststaat.

3.13.

Het hof verwerpt, tegen de achtergrond van al het voorgaande, het verweer van [appellanten] dat de ontbinding gezien de bijzondere aard of geringe betekenis niet gerechtvaardigd zou zijn (3.8 hiervoor). Het hof betrekt hierbij de opgelopen huurachterstand in 2016, de huurachterstand in het verleden, de diefstal van gas en elektriciteit, de illegale aftakking, de vernieling/beschadiging van meters en de dreigende/intimiderende uitlatingen tegenover medewerkers van de gemeente (3.11-3.12 hiervoor). Het beroep van de gemeente op haar rechten is naar het oordeel van het hof in dit geval bovendien naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar. Het hof heeft het tijdsverloop (waarop het hof hierna in het kader van het beroep op rechtsverwerking nog nader ingaat), de gestelde afspraken met de gemeente, de mededeling van de gemeente in de aanzegging van de inleidende dagvaarding en de overige omstandigheden bij dit oordeel betrokken. Het hof heeft ook de (door [appellanten] gestelde) volledige nakoming van de regeling uit 2011 bij dit oordeel betrokken: deze stelling is (indien zij zou vaststaan) onvoldoende voor een ander oordeel (grieven, 59). Dit geldt ook voor de persoonlijke omstandigheden die [appellanten] aanvoert, te weten dat het om woonruimte voor twee gezinnen gaat en dat [appellanten] niet kan lezen en schrijven (grieven, 26, 55, 63-64).

3.14.

De conclusie wat betreft het derde geschilpunt (3.6 hiervoor) is dat de grieven in zoverre falen.

3.15.

Het vierde geschilpunt betreft het tijdsverloop. [appellanten] verwijt de gemeente in de eerste plaats jarenlang stil te zitten en een huurachterstand te gedogen, hetgeen het hof opvat als een beroep op rechtsverwerking. Voorts voert [appellanten] aan dat een deel van de vordering zou zijn verjaard (grieven, 8, 24, 57; conclusie van antwoord, 42).

Het hof overweegt dat de stelling van [appellanten] – dat de gemeente een huurachterstand heeft bewerkstelligd of gedoogd – en ter zake haar rechten heeft verwerkt niet voldoende is onderbouwd. Voor een dergelijke onderbouwing is de omstandigheid dat de gemeente gedurende enkele jaren geen aanmaningen heeft verzonden en geen incassomaatregelen heeft genomen, onvoldoende. [appellanten] heeft geen uitlatingen of overige gedragingen van de gemeente aangevoerd, waaruit hij redelijkerwijs mocht afleiden dat de gemeente zich niet langer op haar rechten zou beroepen. Wat betreft de mededeling in de inleidende dagvaarding, verwijst het hof naar hetgeen zij hierover in ro. 3.6. heeft overwogen. [appellanten] heeft verder niet uitgelegd welk deel van de vordering zou zijn verjaard en dat en waarom dit in de weg zou staan aan ontbinding. Niets is gesteld waaruit volgt dat de rechtsvordering tot ontbinding – met betrekking de achterstanden, gas/elektriciteit en dreiging/intimidatie (3.9-3.12 hiervoor) – zou zijn verjaard. In eerste aanleg heeft [appellanten] gesteld dat de rechtsvordering tot ontbinding was verjaard, maar dat ging over de kwestie van vergunningen en bouwwerken (conclusie van antwoord, 42). Het hof laat die kwestie verder onbesproken in het licht van het voorgaande.

De conclusie wat betreft het vierde geschilpunt is dat de grieven ook in zoverre falen.

3.16.

[appellanten] heeft enkele overige omstandigheden genoemd, maar deze rechtvaardigen geen ander oordeel:

  • -

    De stelling dat de gemeente haar vervolgstappen niet direct heeft medegedeeld (grieven, 47, 55), brengt niet mee dat de gemeente heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (zorgvuldigheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel). [appellanten] heeft onverwijld in de procedure kennis genomen van het standpunt van de gemeente (akte van 22 juni 2016).

  • -

    Ook de omstandigheid dat de gemeente een rekeningnummer heeft opgegeven voor de betaling van toekomstige huurtermijnen levert geen schending van deze beginselen op (grieven, 48, 63).

  • -

    De stelling dat [appellanten] in verband met het toegangsverbod voor het gemeentehuis enige moeite heeft gehad om contant te betalen (waardoor hij te laat was met de betaling), is, wat hier verder van zij, aan [appellanten] zelf toe te rekenen en levert geen schuldeisersverzuim van de gemeente op (grieven, 49).

3.17.

Het vijfde en laatste geschilpunt betreft de standplaats nr. [adres 3] (3.1 e hiervoor). De kantonrechter heeft op dit punt de vordering tot ontruiming toegewezen, omdat tussen partijen geen huurovereenkomst met betrekking tot deze standplaats bestaat en de gemeente onweersproken had gesteld dat [appellanten] de standplaats gebruikt (voor opslag en als parkeerplaats). [appellanten] heeft in hoger beroep dit gebruik betwist (grieven, 82), waarmee de vraag rijst of de gemeente belang heeft bij de gevorderde ontruiming daarvan. Het hof meent van wel. Het hof constateert dat [appellanten] in eerste aanleg heeft opgemerkt de woonwagen van standplaats nr. [adres 3] niet in gebruik te hebben genomen (conclusie van antwoord, 4), met de toelichting dat [appellanten] de woonwagen niet gebruikt, ook niet voor opslag, maar wel het terrein verzorgt en onderhoudt. [appellanten] heeft voorts niet bestreden dat een huurovereenkomst met betrekking tot deze standplaats ontbreekt. Gelet op deze toelichting heeft de gemeente voldoende belang bij haar vordering, alleen al in verband met de verzorging en het onderhoud, zoals omschreven door [appellanten] . De conclusie van het vijfde geschilpunt is dat de grieven ook in zoverre falen.

3.18.

De kantonrechter heeft de vorderingen, gezien het voorgaande, terecht toegewezen. De stellingen van de gemeente over overige gronden voor de ontbinding en ontruiming kunnen onbesproken blijven.

3.19.

Het door [appellanten] gedane bewijsaanbod is niet voldoende specifiek en/of niet ter zake dienend, zodat het hof daaraan voorbijgaat.

3.20.

Het voorgaande betekent dat de grieven falen, dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd en dat [appellanten] als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten moet worden veroordeeld (voor salaris advocaat: 1 punt, tarief II € 1.074,00).

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de proceskosten in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de notaris begroot op € 716,00 voor griffierecht en € 1.074,00 voor salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, L.S. Frakes en I.C.A. Wilschut en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 juli 2019.

griffier rolraadsheer