Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:2545

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-07-2019
Datum publicatie
17-07-2019
Zaaknummer
200.228.229_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:5069
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eiswijziging in hoger beroep. Appellant vordert nu nog slechts schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad. Deze vordering is niet onderbouwd. Het hoger beroep dat tot doel heeft dat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, kan niet slagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.228.229/01

arrest van 16 juli 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als: [appellant] ,

advocaat: mr. R.Ph.E.M. Cratsborn te Wittem,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Eijsden-Margraten,

zetelend te Margraten, gemeente Eijsden-Margraten,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als: de Gemeente,

advocaat: thans mr. M.L.M. Kneepkens te Maastricht, voorheen mr. R.J.H. Thevissen te Maastricht-Airport,

op het bij exploot van dagvaarding van 31 augustus 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 31 mei 2017, gewezen door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, tussen [appellant] als eiser en de Gemeente als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 5615866 CV EXPL 16-11825)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven, met eiswijziging;

  • -

    de memorie van antwoord, met productie;

  • -

    de akte van de zijde van [appellant] , met producties;

  • -

    de antwoordakte van de zijde van de Gemeente.

2.2.

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De beoordeling

De vaststaande feiten

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

In opdracht van de Gemeente heeft rentmeester [rentmeester] (hierna: de rentmeester of [rentmeester] ) medio 2014 met [appellant] onderhandeld over de verkoop aan [appellant] van het perceel cultuurgrond, kadastraal bekend gemeente Margraten, sectie [sectieletter] , nummer [sectienummer] (hierna: het perceel). [appellant] was op dat moment pachter van het perceel. De rentmeester en [appellant] hebben op enig moment overeenstemming bereikt over een koopprijs voor het perceel van

€ 11.555,00, waarna de rentmeester een koopovereenkomst heeft opgesteld. Deze koopovereenkomst is door [appellant] ondertekend.

3.1.2.

Bij brief van 19 februari 2015 heeft de Gemeente, in de persoon van mevrouw [ambtenaar van de gemeente] , aan [appellant] een ongetekende koopovereenkomst (hierna: de (koop)overeenkomst) gestuurd en hem medegedeeld: “(…) Van (…) [rentmeester] hebben we vernomen dat u het perceel MGT [sectieletter] [sectienummer] van de gemeente wenst aan te kopen. Hiertoe heeft u reeds een door dhr. [rentmeester] opgestelde koopovereenkomst ondertekend. Deze overeenkomst was echter niet in overleg met de gemeente opgesteld en was onvolledig.

Bijgevoegd doe ik u dan ook in drievoud een nieuwe koopovereenkomst toekomen, met het verzoek aan u om alle exemplaren ondertekend (…) retour te zenden. (…)”.

De koopovereenkomst die met de brief is meegestuurd, bevat de volgende opschortende voorwaarde: “(…) De ondergetekenden (…) verklaren onder voorbehoud van instemming van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eijsden-Margraten, als volgt te zijn overeengekomen: (…)”.

3.1.3.

Op 6 mei 2016 heeft de rentmeester telefonisch contact opgenomen met [appellant] en hem geïnformeerd over een mogelijk nieuwe koper - de heer [mogelijk nieuwe koper] (hierna: [mogelijk nieuwe koper] ) - voor het perceel. De rentmeester heeft [appellant] tijdens dit gesprek in de gelegenheid gesteld een nieuw bod uit te brengen. [appellant] is hiertoe niet overgegaan. Na dit gesprek heeft [appellant] de koopovereenkomst van 19 februari 2015 ondertekend en per aangetekende brief van 7 mei 2016 naar de Gemeente gestuurd.

3.1.4.

Op 19 juli 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente (hierna: het college) besloten niet akkoord te gaan met verkoop van het perceel aan [appellant] en akkoord te gaan met verkoop van het perceel (voor een hogere prijs) aan [mogelijk nieuwe koper] .

3.1.5.

Bij brief van 28 juli 2016 heeft het college aan [appellant] te kennen gegeven dat tussen partijen geen koopovereenkomst betreffende het perceel tot stand is gekomen. Verder staat in deze brief vermeld: “(…) In de overeenkomst die door u getekend retour is gezonden, is expliciet een voorbehoud van instemming van het college (…) opgenomen.

Op 19 juli 2016 heeft het college (…) dienaangaande besloten het perceel (…) niet aan u te verkopen en derhalve geen koopovereenkomst met u te sluiten. (…)”.

3.1.6.

Op 15 augustus 2016 hebben [mogelijk nieuwe koper] en de Gemeente een koopovereenkomst met betrekking tot het perceel getekend, waarna op 2 november 2016 het perceel aan [mogelijk nieuwe koper] is geleverd.

Eerste aanleg

3.2.

[appellant] heeft in eerste aanleg, samengevat, gevorderd primair nakoming van de koopovereenkomst tussen partijen, subsidiair vernietiging van de koopovereenkomst tussen [mogelijk nieuwe koper] en de Gemeente en meer subsidiair ongedaanmaking van de gevolgen van de te vernietigen overeenkomst tussen [mogelijk nieuwe koper] en de Gemeente op straffe van een boete, met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten en buitengerechtelijke kosten.

3.3.

De Gemeente heeft verweer gevoerd.

3.4.

Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellant] afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente en nakosten.

Hoger beroep

3.5.

[appellant] heeft in hoger beroep zijn eis gewijzigd en gevorderd het bestreden vonnis te vernietigen en, alsnog recht doende, de Gemeente te veroordelen tot vergoeding van de door [appellant] geleden schade als gevolg van het onrechtmatig handelen van - zo begrijpt het hof - de Gemeente, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.6.

De Gemeente heeft bij memorie van antwoord verweer gevoerd.

3.7.

Beide partijen hebben vervolgens nog een akte genomen.

3.8.

Het hof stelt vast dat de Gemeente geen bezwaar heeft gemaakt tegen de eiswijziging van [appellant] . Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde, zodat recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis.

3.9.

[appellant] heeft tegen het bestreden vonnis bij memorie van grieven één grief opgeworpen en vordert in hoger beroep nog slechts schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad.

Zoals de Gemeente bij memorie van antwoord terecht opmerkt, heeft [appellant] deze vordering echter op geen enkele manier onderbouwd. Hij verwijst ook niet naar relevante stellingen in de eerste aanleg. De grief ziet niet op de rechtsoverwegingen 4.2 en 4.3 van het bestreden vonnis, maar richt zich tegen rechtsoverweging 4.4 van het bestreden vonnis. Deze overweging heeft geen betrekking op de grondslag onrechtmatige daad, maar op het bepaalde in artikel 6:23 lid 1 BW, inhoudende dat wanneer de partij die bij de niet-vervulling van een voorwaarde als hiervoor onder 3.1.2 weergegeven belang had, de vervulling heeft belet, de voorwaarde als vervuld geldt, indien redelijkheid en billijkheid dit verlangen.

Dit betekent dat het hoger beroep dat tot doel heeft dat de vordering tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad wordt toegewezen, niet kan slagen.

3.10.

Ten overvloede merkt het hof nog het volgende op. Ook als de grief tegen rechtsoverweging 4.4 van het bestreden vonnis beoordeeld zou worden, zou deze niet tot vernietiging van dat vonnis kunnen leiden, omdat het verweer van de Gemeente, inhoudende dat tussen partijen geen koopovereenkomst tot stand is gekomen, omdat het aanbod van de Gemeente door tijdsverloop is vervallen, doel treft.

Ingevolge het bepaalde in artikel 6:221 lid 1 BW vervalt een schriftelijk aanbod, wanneer het niet binnen een redelijke termijn wordt aanvaard. Niet in geschil is dat de Gemeente bij brief van 19 februari 2015 een ongetekende koopovereenkomst aan [appellant] heeft gestuurd, met het verzoek deze ondertekend retour te zenden. Vaststaat dat [appellant] de getekende koopovereenkomst eerst bij brief van 7 mei 2016 naar de Gemeente heeft gestuurd. Een periode van bijna vijftien maanden voor aanvaarding van het schriftelijke aanbod van de Gemeente kan niet als redelijke termijn in de zin van artikel 6:221 lid 1 BW worden aangemerkt. Het aanbod van de Gemeente is dan ook door tijdsverloop vervallen, zodat van een rechtsgeldige koopovereenkomst tussen [appellant] en de Gemeente reeds om die reden geen sprake kan zijn.

Weliswaar heeft [appellant] bij akte na memorie van grieven nog aangevoerd dat uit de producties bij inleidende dagvaarding volgt dat hij niet heeft stilgezeten, maar dit betoog kan hem niet baten. Voor zover uit deze producties al blijkt van actie aan de zijde van [appellant] , heeft deze actie uitsluitend betrekking op de periode na 7 mei 2016.

3.11.

Verder wordt ten overvloede nog het volgende opgemerkt. Voor zover [appellant] bij akte na memorie van grieven heeft betoogd dat er tussen hem en (de rentmeester namens) de Gemeente mondeling én door ondertekening door [appellant] van de door de rentmeester opgestelde koopovereenkomst een overeenkomst tot stand is gekomen, waaraan partijen gebonden zijn en hij bedoeld heeft daarmee een tweede grief op te werpen tegen het bestreden vonnis, zou het hof aan deze grief voorbijgaan.

Die tweede grief is in dat geval tardief en stuit af op de in de rechtspraak van de Hoge Raad ontwikkelde twee-conclusieregel, terwijl geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd waaruit blijkt dat zich één van de uitzonderingen op die regel voordoen.

3.12.

Zoals hiervoor overwogen heeft [appellant] de gewijzigde vordering in hoger beroep niet onderbouwd. Dit betekent dat het hof niet toekomt aan het door [appellant] gedane bewijsaanbod.

Slotsom

3.13.

Slotsom is dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

3.14.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal het hof [appellant] veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Deze kosten worden aan de zijde van de Gemeente vastgesteld op € 716,00 aan griffierecht en € 1.611,00 voor salaris van de advocaat volgens het liquidatietarief (1,5 punt, tarief II in hoger beroep à € 1.074,00 per punt).

Als niet weersproken, zal het hof ook de gevorderde nakosten en wettelijke rente over de proceskosten toewijzen. Dit met dien verstande dat met het oog op de redelijke termijn voor nakoming als bedoeld in artikel 6:82 lid 1 BW, het hof de gevorderde wettelijke rente eerst zal toewijzen op een termijn als hierna in de beslissing bepaald.

4 De uitspraak

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het bestreden vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 31 mei 2017;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de

zijde van de Gemeente vastgesteld op € 716,00 aan griffierecht en € 1.611,00 voor salaris van de advocaat volgens het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 157,00, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,00 in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest ten aanzien van de hierin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van Sandick, R.A. van der Pol en C.B.M. Scholten van Aschat en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 juli 2019.

griffier rolraadsheer