Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:254

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
30-01-2019
Zaaknummer
200.220.064_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:3958, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Berekening legitieme portie ten aanzien van giften/leningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2019/30
ERF-Updates.nl 2019-0039
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.220.064/01

arrest van 29 januari 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. A.J.L.J. Pfeil te Maastricht,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.G.C. van Baar te Sittard,

op het bij exploot van dagvaarding van 20 juni 2017 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen vonnis van 26 april 2017 tussen appellant - de broer - als eiser en geïntimeerde - de zus - als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer C/03/222055 / HA ZA 16-341)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep van 20 juni 2017;

  • -

    de memorie van grieven van de broer van 10 oktober 2017 met een productie en eiswijziging;

  • -

    de memorie van antwoord van de zus van 21 november 2017 met twee producties.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1

De vaststelling van de feiten in het vonnis waarvan beroep onder 2. is niet bestreden, zodat het hof ook in hoger beroep hiervan uitgaat. Deze vaststelling luidt als volgt:

  1. De broer en de zus zijn de kinderen van de op [datum 1] 1983 overleden [moeder] (hierna: moeder) en de op [datum 2] 2014 overleden [vader] (hierna: vader dan wel erflater). Vader en moeder waren in algehele gemeenschap van goederen gehuwd.

  2. De vader heeft in januari 1993 ƒ 1.500,= aan de broer overgemaakt, waarbij het rekeningafschrift vermeldt dat het gaat om een schenking. Hij had eerder al bedragen van ƒ 1.700,= en ƒ 1.000,= aan de broer overgemaakt, waarbij de rekeningafschriften vermelden “ter leen tbv betalen advocaat” respectievelijk “lening bankstel”.

  3. De broer heeft op 10 juni 1998 de volgende schuldbekentenis ondertekend:

Hierbij verklaart ondergetekende ƒ 15.000,= als voorschot te hebben ontvangen. Het verschot wordt terugbetaald na ontvangst van het kindsdeel van het pand aan de [adres] te [plaats] .

Het voorschot is door de vader aan de broer betaald.

De moeder heeft niet bij uiterste wilsbeschikking over haar nalatenschap beschikt. Tot haar nalatenschap behoorde haar aandeel in de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats] . Die woning is op 10 augustus 1998, in het kader van de verdeling van de nalatenschap van moeder, aan de zus toegedeeld, onder de verplichting voor de zus om een bedrag wegens overbedeling aan de vader en de broer te vergoeden.

De voormalige echtgenoot van de zus heeft op 1 juli 2004 een kapitaalverzekering afgesloten (Vrij Vermogen Verzekering) bij Reaal, waarbij de dochter van de zus, [dochter van de zus] (hierna: [dochter van de zus] ), als begunstigde is aangewezen. De maandelijkse premies voor deze verzekering - € 100,= - zijn vanaf 1 juli 2004 tot diens dood betaald door de erflater.

De vader heeft bij uiterste wilsbeschikking d.d. 6 oktober 2004 de zus tot zijn enige erfgenaam benoemd (en dus de zoon onterfd), € 10.000,= aan [dochter van de zus] gelegateerd en de zus tot executeur benoemd. De zus heeft na het overlijden van de vader die benoeming aanvaard.

De broer maakt aanspraak op zijn legitieme portie in de nalatenschap van de vader. Volgens een door notariskantoor [notariskantoor] in opdracht van de zus gemaakte berekening bedraagt die legitieme portie € 38.666,95 en heeft de broer, na vermindering met door hem ontvangen schenkingen van € 8.172,58, recht op € 29.954,37.

3.2

Bij dagvaarding van 14 juni 2016 heeft de broer de onderhavige procedure tegen de zus aanhangig gemaakt. Hierin stelde de broer dat de zus hem een aantal stukken met betrekking tot de nalatenschap van de vader diende te verstrekken en dat de door notariskantoor [notariskantoor] opgestelde berekening van zijn legitieme portie op een aantal punten gecorrigeerd diende te worden. Op grond daarvan vorderde de broer in eerste aanleg aanvankelijk afgifte van de door hem genoemde documentatie, verschillende correcties van de berekening van zijn legitieme portie en veroordeling van de zus tot betaling van de aldus gecorrigeerde legitieme portie en van € 1.093,84 aan buitengerechtelijke kosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente. De zus heeft de vorderingen bestreden. De door de broer gewenste documentatie heeft zij hem verstrekt.

3.3

De rechtbank heeft een comparitie van partijen bepaald die op 12 december 2016 heeft plaatsgevonden. Bij deze gelegenheid heeft de broer zijn vorderingen beperkt. Wat de omvang van de legitieme portie betreft, ging het daarna over de vraag of de berekening van notariskantoor [notariskantoor] correctie(s) behoeft ten aanzien van de hiervoor vermelde bedragen van ƒ 1.700,=, ƒ 1.000,= en ƒ 15.000,= en de verzekeringspremies van € 100,= per maand. De rechtbank heeft geconcludeerd dat dit niet het geval is en de zus veroordeeld tot betaling van het door notariskantoor [notariskantoor] berekende bedrag van € 29.954,37, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 april 2015. Het meer of anders gevorderde is afgewezen en de proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd.

3.4

De zus heeft aan het vonnis voldaan.

3.5

Bij memorie van grieven heeft de broer zijn eis gewijzigd zodat hij thans vordert, samengevat, correcties van de berekening van notariskantoor [notariskantoor] door vermeerdering van het saldo van de nalatenschap met een bedrag van € 11.800,= en vermindering van de legitimaire massa met een bedrag van € 8.031,91, en veroordeling van de zus tot betaling van een bedrag van € 4.957,98 en van € 1.093,84 aan buitengerechtelijke kosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente. Voor zover deze vordering een eiswijziging inhoudt ten opzichte van de vordering in eerste aanleg heeft de zus hiertegen geen processueel bezwaar gemaakt. Ook het hof ziet in zoverre geen reden de eiswijziging ontoelaatbaar te achten, zodat verder van de aldus gewijzigde eis van de broer wordt uitgegaan en wel als aanvulling op hetgeen in eerste aanleg reeds is toegewezen en betaald. Daartegen is de zus niet opgekomen.

3.6

Grief 1 van de broer betreft de kapitaalverzekering die hiervoor in 3.1 onder e) is vermeld. De premies die de erflater vanaf 1 juli 2004 tot zijn overlijden gedurende 118 maanden heeft betaald, in totaal € 11.800,=, zijn volgens de broer ten onrechte niet in de berekening van de legitieme portie betrokken. De rechtbank heeft deze premiebetalingen aangemerkt als gift van de erflater aan zijn kleindochter [dochter van de zus] , die niet ongebruikelijk of bovenmatig is. Volgens de broer blijkt uit de verzekeringspolis niet dat zij de begunstigde van de verzekering is. Volgens hem is het de verzekering van de voormalige schoonzoon en kan deze de begunstiging ook wijzigen. Een maandelijkse gift aan een (voormalige) schoonzoon is volgens de broer niet gebruikelijk, terwijl indien de verzekering ten behoeve van [dochter van de zus] strekt de premie bij de financiële situatie van de erflater bovenmatig is te achten.

3.7

De zus heeft deze grief bestreden. Volgens haar is het steeds de bedoeling geweest dat [dochter van de zus] de begunstigde zou zijn van de premiebetalingen c.q. het spaarsaldo en is op advies van een financieel adviseur gekozen voor de constructie met de kapitaalverzekering. Door de erflater werd maandelijks een bedrag van € 100,= betaald, terwijl de ouders van [dochter van de zus] per kwartaal de kinderbijslag betaalden. Begunstiging van de (voormalige) schoonzoon van de erflater was en is niet aan de orde. Een regeling waarbij grootouders maandelijks een bepaald bedrag voor hun kleinkinderen beschikbaar stellen, is niet ongebruikelijk, aldus de zus. Het bedrag dat door de erflater voor zijn - enige - kleinkind werd betaald was ook niet bovenmatig, aangezien hij naast zijn AOW-uitkering een pensioen had van ruim € 2.000,= netto per maand.

3.8

Het hof overweegt hierover het volgende. In de polisgegevens waar de broer naar verwijst (productie 14 bij conclusie van antwoord) staat de heer [schoonzoon] , de schoonzoon, vermeld als verzekeringnemer en mevrouw [dochter van de zus] ( [datum 3] 1999), [dochter van de zus] , als verzekerde. Anders dan de broer kennelijk meent, ondersteunt dit stuk niet zijn relaas, maar dat van de zus. Bij de comparitie van partijen in eerste aanleg hebben de ouders van [dochter van de zus] verklaard dat en waarom voor deze constructie was gekozen. Het relaas van de zus over de bedoeling en bestemming van de premiebetalingen door haar vader is naar het oordeel van het hof zonder meer aannemelijk en sluit aan bij een veel voorkomende praktijk waarbij grootouders tijdens hun leven geld opzijzetten ten behoeve van bijvoorbeeld de opleiding van hun kleinkinderen. In dit geval gaat het om slechts één kleinkind, [dochter van de zus] . Het feit dat de erflater daarnaast in zijn testament voor haar een legaat van € 10.000,= heeft opgenomen is hiermee niet in tegenspraak maar veeleer een bevestiging van diens wens om zijn enige kleindochter financieel bij te staan.

3.9

Volgens artikel 4:69 lid 1 sub b BW worden bij de bepaling van de omvang van de legitieme portie gebruikelijke giften buiten beschouwing gelaten voor zover zij niet bovenmatig waren. Uit het voorgaande blijkt dat de premiebetalingen ten behoeve van [dochter van de zus] niet als ongebruikelijk kunnen worden aangemerkt. Met betrekking tot de vraag of deze betalingen als bovenmatig gezien moeten worden, is het antwoord naar het oordeel van het hof negatief. Het bedrag dat de erflater per jaar heeft betaald bedraagt € 1.200,=. Zoals de zus in haar memorie van antwoord ook heeft aangevoerd, blijft dit bedrag ruim onder de drempel voor de schenkbelasting. Dit is een aanwijzing dat het bedrag op jaarbasis als zodanig niet snel als bovenmatig zal worden beschouwd. Afgezet tegen de financiële omstandigheden van de erflater is dat evenmin het geval. Over de gehele periode waarop de premiebetalingen betrekking hebben, beschikte de erflater in ieder geval over een toereikend vast inkomen, terwijl ook het overzicht van zijn nalatenschap dat is opgenomen in de berekening van notariskantoor [notariskantoor] er in het geheel niet op wijst dat de premiebetalingen in dat opzicht als bovenmatig aangemerkt zouden moeten worden.

3.10

Een en ander brengt het hof ten aanzien van de premiebetalingen tot dezelfde conclusie als de rechtbank, zodat grief 1 wordt verworpen.

3.11

Grief 2 van de broer betreft de bedragen van ƒ 1.700,=, ƒ 1.000,= en ƒ 15.000,= die notariskantoor [notariskantoor] bij de berekening van de legitimaire massa (naast het door de broer erkende bedrag van ƒ 1.500,=) als schenkingen heeft betrokken. Volgens de broer gaat het hierbij om leningen die kort na de ontvangst ervan door hem aan de vader zijn terugbetaald. Bij de comparitie van partijen in eerste aanleg heeft hij verklaard dat hij het bedrag van

ƒ 15.000,= contant heeft terugbetaald en beide andere bedragen giraal, en dat hij dit alles niet meer kan aantonen. In zijn toelichting op deze grief voert de broer aan dat de betaling van het bedrag van ƒ 15.000,= blijkt uit zijn verklaring van 10 juni 1998, hiervoor in 3.1 onder c) aangehaald, en uit de akte van verdeling en levering van 10 augustus 1998 inzake de toedeling van de echtelijke woning van de ouders van partijen, hiervoor in 3.1 onder d) aangeduid. Voorts herhaalt de broer zijn beroep op verjaring en voert hij aan dat het bepaalde in artikel 6:131 lid 1 BW daaraan niet in de weg staat.

3.12

De zus heeft deze grief bestreden. Volgens haar heeft de rechtbank terecht overwogen dat het niet uitmaakt of de drie bedragen giften waren dan wel niet terugbetaalde leningen, aangezien zij in beide gevallen bij de bepaling van de legitieme portie van de broer in aanmerking genomen dienen te worden. Het beroep van de broer op verjaring kan hem niet baten, aldus de zus.

3.13

Het hof overweegt hierover het volgende. De verklaring van 10 juni 1998 waar de broer zich op beroept is een schuldbekentenis met een toezegging om het geleende bedrag terug te betalen. Dat dit bedrag ook is terugbetaald blijkt daar niet uit. Het feit dat dit stuk zich na het overlijden van de erflater nog in diens administratie bevond, is naar het oordeel van het hof een aanwijzing dat de terugbetaling niet overeenkomstig de toezegging heeft plaatsgevonden. In de akte van verdeling en levering van 10 augustus 1998 is een kwijting opgenomen, waar de broer zich nu op beroept. De gang van zaken rond de verdeling van de echtelijke woning is door de zus in eerste aanleg in onderdeel II van haar conclusie van antwoord uitvoerig beschreven. De broer heeft in zijn memorie van grieven niet aangevoerd dat deze beschrijving niet met de werkelijkheid overeenstemt. Het dient er daarom voor gehouden te worden dat deze weergave correct is. Daaruit blijkt dat de financiële afwikkeling van de verdeling van de echtelijke woning via de notaris is verlopen. De kwijting die in de akte is opgenomen, heeft betrekking op die afwikkeling en niet op enige lening of terug te betalen voorschot, los van die verdeling zelf. Door de broer is in ieder geval niet toegelicht waarom uit de akte zou kunnen worden opgemaakt dat het bedrag van

ƒ 15.000,= op enig moment door de broer contant aan zijn vader zou zijn terugbetaald. Voor het bedrag van ƒ 15.000,= geldt daarom dat wel vaststaat dat het aan de broer is betaald en dat het door hem terugbetaald moest worden, maar niet dat het ook daadwerkelijk is terugbetaald. Voor de bedragen van ƒ 1.000,= en ƒ 1.700,= die de broer aanmerkt als leningen geldt hetzelfde.

3.14

Voor zover de broer meent dat hij tot bewijslevering had moeten worden toegelaten, dient hieraan voorbijgegaan te worden, aangezien hij heeft verklaard niet in staat te zijn de gestelde terugbetalingen aan te tonen. Ook in hoger beroep heeft de broer op dit punt niet voldoende toegelicht op welke wijze hij (afgezien van hetgeen hiervoor in 3.13 aan de orde is geweest) thans wel het bewijs van de terugbetalingen zou kunnen leveren. De bewijslast daarvan rust op grond van artikel 150 Rv op hem. De omstandigheid dat de gestelde terugbetalingen lang geleden zouden hebben plaatsgevonden komt voor zijn risico. Het hof ziet in hetgeen de broer naar voren heeft gebracht geen reden voor een uitzondering op de hoofdregel.

3.15

Ten aanzien van de drie bedragen had de vader een vordering tot terugbetaling op de broer. Deze vordering maakt onderdeel uit van diens nalatenschap, terwijl de broer uit hoofde van zijn recht op de legitieme portie van zijn kant een vordering op de nalatenschap heeft. Deze vorderingen komen voor verrekening in aanmerking waarbij een eventuele verjaring van de vordering tot terugbetaling van de drie bedragen niet opgaat, aangezien artikel 6:131 lid 1 BW bepaalt dat de bevoegdheid tot verrekening niet eindigt door verjaring van de rechtsvordering.

3.16

Bij deze stand van zaken is de conclusie dat de drie bedragen bij de bepaling van de legitieme portie dienen te worden betrokken, zodat grief 2 wordt verworpen.

3.17

Grief 3 betreft de buitengerechtelijke incassokosten, die de broer ook in eerste aanleg heeft gevorderd en die in het vonnis van 26 april 2017 niet afzonderlijk zijn besproken. Volgens de broer is deze vordering gerechtvaardigd omdat de zus de door hem verlangde documentatie eerst na en als gevolg van de dagvaarding heeft verstrekt en de legitieme portie eerst na en als gevolg van het vonnis heeft betaald.

De zus betwist deze vordering. Volgens haar is de vordering niet onderbouwd.

3.18

Het hof overweegt hierover het volgende. Ten aanzien van buitengerechtelijke kosten geldt dat zij op de voet van art. 6:96 lid 2 BW voor vergoeding in aanmerking komen, onder meer als het gaat om redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, behoudens ingeval krachtens art. 241 Rv de regels omtrent proceskosten van toepassing zijn. De broer heeft niet onderbouwd dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan de broer vergoeding vordert moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskosten een vergoeding plegen in te houden. Grief 3 wordt verworpen.

3.19

Nu alle grieven zijn verworpen, dient het vonnis van 26 april 2017 te worden bekrachtigd. Door de broer zijn verder geen feiten of omstandigheden aangevoerd die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden, zodat voor bewijslevering als door hem aangeboden geen aanleiding bestaat.

3.20

Gelet op de familierelatie tussen partijen en het onderwerp van het geschil zal het hof de proceskosten in hoger beroep tussen hen compenseren.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van 26 april 2017 waarvan beroep;

compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij daarvan de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.G.W.M. Stienissen en H.A.W. Vermeulen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 januari 2019.

griffier rolraadsheer