Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:2533

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-07-2019
Datum publicatie
17-07-2019
Zaaknummer
200.201.056_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:9983
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:5697
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:1113
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:1098
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

platenmaatschappij. Gelieerde zaak. Vorderingen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Team handelsrecht

zaaknummer 200.201.056/01

arrest van 16 juli 2019

in de zaak van

1 mr. Bernard Mallieux,

2. mr. Felix Boudewijn Remy Joseph Ruysschaert,

3. mr. Marc Leo Alex Gerard Bernaerts,

in hun hoedanigheid van curatoren in het faillissement van de rechtspersoon naar Belgisch recht [de rechtspersoon naar Belgisch recht] B.V.B.A.,
gevestigd en kantoorhoudend te [vestigings- en kantoorplaats] (België),

appellanten in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

verder: [de rechtspersoon naar Belgisch recht] ,

advocaat: mr. A.J.L.J. Pfeil te Maastricht,

tegen

1 [de vennootschap] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. Telstar B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerden in de hoofdzaak,

verweersters in het incident,

verder: [geintimeerden c.s.] ,

advocaat: mr. L. Broers te Haarlem,

als vervolg op de tussenarresten van dit hof van 21 maart 2017 en 13 maart 2018 in het hoger beroep van de door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer/rolnummer C/03/209402/HA ZA 15-440 tussen partijen gewezen vonnissen van 2 december 2015 en 6 juli 2016.

8 Het verdere verloop van het geding

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 13 maart 2018;

- de memorie van grieven, met producties;

- de memorie van antwoord, met producties;

- het pleidooiverzoek;

- de rolbeslissing waarbij het pleidooi is bepaald op 7 juni 2019;

- de akte tot verzoek intrekken pleidooi en vragen arrest van [geintimeerden c.s.] van 26 maart 2019;

- de brief van appellanten van 4 april 2019.

Partijen hebben arrest gevraagd.

9 De verdere beoordeling

9.1.

Bij tussenarrest van 13 maart 2018 heeft het hof de zaak verwezen naar de rol voor memorie van grieven in de hoofdzaak. Appellanten hebben die memorie genomen. [geintimeerden c.s.] heeft geantwoord. Het hof heeft desverzocht pleidooi gepland voor 7 juni 2019. [geintimeerden c.s.] heeft bij akte afgezien van pleidooi en verzocht arrest te wijzen. Appellanten hebben daarmee ingestemd.

9.2.

De vorderingen van appellanten zijn gegrond op de stelling dat [de rechtspersoon naar Belgisch recht] eigenares is van de zogenaamde Oude Catalogus. De vorderingen strekken tot schadevergoeding en, ter onderbouwing daarvan, verstrekking van informatie.

9.3.

De rechtbank heeft in een andere zaak geoordeeld dat [geintimeerden c.s.] eigenaar is van de Oude Catalogus (vonnis van 7 maart 2007). Dit hof heeft in die zaak dat vonnis vernietigd en geoordeeld dat [de rechtspersoon naar Belgisch recht] eigenares is van de Oude Catalogus (arresten van 13 september 2011 en 6 juni 2017). De Hoge Raad heeft deze arresten vernietigd (arrest van 2 november 2018) en die zaak verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling.

9.4.

[geintimeerden c.s.] stelt in haar laatste akte dat het vonnis van 7 maart 2007 is “gaan herleven” en dat in dit geding moet worden uitgegaan van de juistheid daarvan (dus eigendom van de Oude Catalogus bij [geintimeerden c.s.] ) (1.5). [geintimeerden c.s.] meent dat de vorderingen van appellanten daarom moeten worden afgewezen. Afhankelijk van de uitkomst van de eventuele voortzetting van de appelinstantie (die enkele jaren kan duren) in die zaak is het volgens [geintimeerden c.s.] beter, indien nodig, een nieuwe procedure bij de rechtbank te beginnen, omdat nieuwe omstandigheden daarin van meet af aan kunnen worden verwerkt. [geintimeerden c.s.] merkt in haar laatste akte op dat die zaak na cassatie en verwijzing nog steeds niet was aangebracht bij het hof Arnhem-Leeuwarden.

9.5.

Appellanten zijn op deze stellingen niet ingegaan. Zij hebben bij brief van 4 april 2019 slechts ermee ingestemd dat het pleidooi geen doorgang vond en arrest gevraagd.

9.6.

Het hof stelt vast dat de grieven (memorie van 22 mei 2018) gebaseerd zijn op de premisse dat [de rechtspersoon naar Belgisch recht] eigenares is van de Oude Catalogus. Deze premisse is thans, na het arrest van de Hoge Raad (9.3 hiervoor), onzeker en het uiteindelijke lot ervan is volstrekt ongewis. De appelinstantie duurt voort. Vooralsnog kan in elk geval niet worden uitgegaan van de juistheid van deze premisse. De rechtbank heeft anders geoordeeld. De arresten van dit hof in die zaak zijn vernietigd. Onzeker is hoe het hof Arnhem-Leeuwarden erover zal oordelen, indien de zaak daar alsnog zou worden aangebracht. Partijen zijn het er kennelijk over eens dat het hof toch nu al arrest moet wijzen in het onderhavige hoger beroep. Het hof kan dan niet anders dan het vonnis bekrachtigen en de vorderingen van appellanten bij gebreke van een toereikende onderbouwing afwijzen.

9.7.

Dit geldt ook voor zover appellanten hebben bedoeld te betogen dat een oordeel voorshands voldoende zou zijn voor de toewijzing van hun vorderingen (informatieverstrekking en een voorschot op schadevergoeding). Appellanten hebben niet voldoende toegelicht dat zij nu nog, na verloop van zoveel jaren, belang hebben bij een dergelijke beslissing. Zij hebben niet toegelicht dat en waarom zij het oordeel van het hof Arnhem-Leeuwarden in de andere zaak niet kunnen afwachten.

9.8.

De conclusie is dat de grieven falen, dat het bestreden vonnis van 2 december 2015 moet worden bekrachtigd en dat het gevorderde in hoger beroep moet worden afgewezen. Appellanten zullen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun hoger beroep tegen het vonnis van 6 juli 2016 omdat zij daartegen geen grieven hebben gericht (arrest van 21 maart 2017, 3.5.3). Appellanten zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in hoger beroep worden veroordeeld (voor salaris advocaat: 1 punt incident + 2 punten hoofdzaak x tarief VIII € 5.501,00).

10 De uitspraak

Het hof:

verklaart appellanten niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen het vonnis van 6 juli 2016;

bekrachtigt het bestreden vonnis van 2 december 2015;

wijst af het gevorderde in hoger beroep;

veroordeelt appellanten in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geintimeerden c.s.] op € 5.213,00 aan griffierecht en op € 16.503,00 aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 157,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.G.W.M. Stienissen en L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 juli 2019.

griffier rolraadsheer