Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:2503

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-05-2019
Datum publicatie
23-04-2020
Zaaknummer
20-000872-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000872-18

Uitspraak : 29 mei 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 7 maart 2018 in de strafzaak met parketnummer 01-865049-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986 ,

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is in de appelakte uitdrukkelijk beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1 en onder 4 is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal bevestigen.

Namens verdachte is primair vrijspraak bepleit ten aanzien van de onder 1 en 4 ten laste gelegde feiten. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover thans nog van belang, ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 30 april 2016 te Maarheeze, althans in Nederland, een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1 van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie (revolver, merk Taurus Brasil, kaliber 38 mm) en/of (voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 11, althans een, kogelpatro(o)n(en) (kaliber 38 mm) en/of 6 kogelpatronen (merk Geco, kaliber 38 mm) voorhanden heeft gehad;


4.
hij op of omstreeks 1 mei 2016 te Overloon, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid (van 200 ml) van een materiaal bevattende gammahydroxybutyraat (GHB), zijnde gammahydroxybutyraat (GHB) (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 30 april 2016 te Maarheeze een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1 van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie (revolver, merk Taurus Brasil, kaliber 38 mm) en voor dit vuurwapen geschikte munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 6 kogelpatronen (merk Geco, kaliber 38 mm) voorhanden heeft gehad;


4.
hij op 1 mei 2016 te Overloon, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad 200 ml van een materiaal bevattende gammahydroxybutyraat (GHB), zijnde gammahydroxybutyraat (GHB) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

In het bijzonder spreekt het hof de verdachte vrij van het voorhanden hebben van 11 kogelpatronen, als onder 1 ten laste gelegd, nu het hof niet kan vaststellen dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van munitie in de zak van de jas die op de achterbank van de auto lag. Deze kogelpatronen lagen niet in het zicht en niet is vastgesteld kunnen worden dat de jas aan de verdachte toebehoorde.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Bespreking van de verweren

I

Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde heeft de verdediging aangevoerd dat de enkele omstandigheid dat er een vuurwapen in de door de verdachte bestuurde auto is aangetroffen, nog niet betekent dat verdachte wetenschap had of moet hebben gehad van de aanwezigheid daarvan. De verdachte stelt dat hij het wapen niet heeft gezien, dat het wapen mogelijk onder de stoel van de bijrijder [betrokkene 1] heeft gelegen en dat het, toen hij een noodstop heeft gemaakt toen hij politie zag, naar voren is geschoven en eerst daardoor in het zicht is komen te liggen. Maar ook anderszins zouden de benen van [betrokkene 1] , zittend op de bijrijdersstoel, voor de verdachte het zicht op het wapen hebben belemmerd. Ten slotte kan ook niet worden uitgesloten dat [betrokkene 1] , nadat de verdachte was uitgestapt, het wapen in de auto heeft achtergelaten.

De omstandigheid dat op het wapen en de patronen DNA van de verdachte is aangetroffen, wordt verklaard doordat [betrokkene 1] een dag eerder de verdachte dat wapen heeft laten zien. De verdachte heeft vervolgens het wapen bekeken, waarbij enkele kogels er uit zijn gevallen, en heeft het wapen vervolgens weer gevuld aan [betrokkene 1] teruggegeven. [betrokkene 1] is vervolgens met het wapen vertrokken en heeft de volgende dag de verdachte met de auto van [betrokkene 2] opgehaald. Dat [betrokkene 1] toen kennelijk het wapen weer bij zich had, daar was de verdachte niet van op de hoogte. De verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde voorhanden hebben (in de zin van de Wet wapens en munitie) te kunnen komen, dient uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen te blijken dat het ten laste gelegde vuurwapen en/of de munitie zich in de machtssfeer van de verdachte hebben bevonden en dat bij de verdachte – een zekere mate van – bewustheid bestond ten aanzien van de aanwezigheid van dat wapen en/of die munitie in de auto.

Blijkens het dossier was de verdachte de bestuurder van de auto. Vóór de bijrijdersstoel, op de plek waar een bijrijder doorgaans zijn/haar voeten neer zet, is door de politie een vuurwapen aangetroffen met in het magazijn 6 patronen, welk vuurwapen volgens de politie binnen het handbereik van zowel de bestuurder als de bijrijder op de vloer lag. Op zowel het vuurwapen als op de patronen die in het magazijn van het wapen zaten, is DNA-materiaal van de verdachte aangetroffen en ook van [betrokkene 1] is DNA-materiaal aangetroffen.

De stelling van de verdachte dat hij geen wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van het wapen in de auto, acht het hof niet aannemelijk. Daarbij heeft het hof het volgende in aanmerking genomen.

Nog daargelaten het feit dat de verdachte eerst in hoger beroep en na kennisneming van het gehele dossier, inclusief het voor de verdachte belastende deskundigenbericht van Ing. Ten Hove d.d. 9 mei 2019, met diverse alternatieve scenario’s is gekomen over hoe zijn DNA op het wapen en de kogels is gekomen en hoe het wapen voor de politie in het zicht is komen te liggen, doen de volgende omstandigheden nadrukkelijk afbreuk aan de geloofwaardigheid van de alternatieve lezing van de verdachte.

De verklaring van de verdachte in hoger beroep over de DNA-match is in contrast met hetgeen hij eerder bij de politie heeft verklaard. Immers, toen heeft hij verklaard dat zijn DNA voor 100% zeker niet op iets in de zin van de wet wapens en munitie zou worden aangetroffen. Voorts is omtrent het maken van een noodstop dan wel het eventueel bruusk of hard remmen door de bestuurder van de auto, door de verbalisanten niets gerelateerd. Blijkens het dossier is door de verbalisanten enkel waargenomen dat de betreffende auto op de Stationsstraat te Maarheeze in een parkeerhaven was gestopt en dat er twee personen uit de auto stapten. Vervolgens is bij doorzoeking van de auto het vuurwapen aangetroffen, alsmede een paar handschoenen dat bij het wapen op de vloer voor de bijrijdersstoel lag en dat van de verdachte was.

Gelet op deze feiten en omstandigheden en bij gebrek aan aanwijzingen voor het tegendeel, houdt het hof het ervoor dat verdachte op de hoogte was van het vuurwapen met de bijbehorende munitie in de door hem bestuurde auto, zodat het hof het wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan. De enkele omstandigheid dat op het vuurwapen ook een DNA-sporenprofiel van [betrokkene 1] werd aangetroffen, maakt dit oordeel niet anders.

Het verweer wordt verworpen.

II

Met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde is door de verdediging naar voren gebracht dat de verdachte niet de bewoner was van de woning (chalet) [adres 2] , dat er nog meer personen in de woning kwamen en dat hij niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de Bacardifles met GHB in die woning. Verdachte kwam wel geregeld in die woning maar verbleef ook op andere adressen. Bovendien verbleven ook andere personen in de woning, waaronder [betrokkene 2] en [betrokkene 1] . De verdachte is op 30 april 2016, een dag voor het aantreffen van de betreffende Bacardifles, reeds aangehouden. Niet valt uit te sluiten dat de fles nadien pas door iemand in de woning is gezet. Er zijn geen DNA sporen van verdachte op de fles aangetroffen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Blijkens de verklaring van de verhuurster van het chalet, [getuige] , is het chalet vanaf 25 maart 2016 verhuurd aan [betrokkene 2] . Na ongeveer drie weken kwam de vriend van de huurster, [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte), en was hij er erg veel, bijna altijd. Door de verhuurster is, in tegenstelling tot hetgeen door de verdediging is aangevoerd, niet verklaard dat het bij [betrokkene 2] een zoete inval was. Buiten [betrokkene 2] , de verdachte en een andere persoon heeft de verhuurster niemand anders bij het chalet gezien. In het chalet zijn diverse persoonlijke spullen van de verdachte aangetroffen en de verdachte was in het bezit van de enige aan [betrokkene 2] als huurster verstrekte afstandsbediening die toegang gaf tot het park.

Voorts heeft het hof acht geslagen op de omstandigheid dat blijkens het proces-verbaal van bevindingen [betrokkene 2] tijdens de doorzoeking in het chalet tegenover de verbalisant telkens in de meervoudsvorm heeft gesproken, daarmee naar het oordeel van het hof doelend op zichzelf en de verdachte (pag. 296). Zo waren de stoelen aan de eettafel van “hen” en op de vraag van de verbalisant of ze dingen mocht veranderen in het chalet heeft zij verklaard: “Ja, dat hebben “we” gevraagd, dat mag zolang “we” maar geen gaten in de muren maken.”

De verklaring van de verdachte dat hij naast [betrokkene 2] er nog andere vriendinnen op na hield, komt niet overeen met zijn eerder afgelegde verklaring dat de enige met wie hij contact heeft [betrokkene 2] is.

Alles overziende is het hof van oordeel dat verdachte samen met [betrokkene 2] de bewoners waren van het chalet, en het hof houdt beiden derhalve verantwoordelijk voor de aldaar aangetroffen hoeveelheid GHB. De Bacardifles met daarin 200 milliliter GHB is in de woonkamer aangetroffen en stond vrijelijk in het zicht op een kastje. Aangezien de plek rondom de fles wit was ingedikt/gekristalliseerd, acht het hof het bovendien niet aannemelijk dat deze daar pas ná 30 april 2016 is neergezet. Daarbij stond direct naast deze Bacardifles en volledig in het zicht nog een Bacardifles, zoals blijkt uit de foto op pag. 80. Verdachte heeft verklaard dat hij degene is die Bacardi drinkt.

De fles Bacardi die in de auto is aangetroffen wilde verdachte ook graag terug hebben.

Het verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Namens verdachte is een strafmaatverweer gevoerd en is verzocht een werkstraf op te leggen, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de feiten relatief oud zijn en dat de verdachte inmiddels zijn leven op de rit heeft. De verdachte beschikt inmiddels over een eigen huurwoning en heeft werk gevonden. Bovendien heeft de verdachte een dagbehandeling ondergaan, welke hij succesvol heeft afgerond, en gebruikt hij geen alcohol of drugs meer. Zijn dochter is voor de verdachte de grootste drijfveer geweest om zijn leven te beteren. In het kader van het ouderschapsplan draagt hij tevens de zorg voor zijn dochter.

Het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, voor een duur langer dan de duur van het voorarrest, zou deze positief ingezette koers volledig doorkruisen waardoor verdachte weer alles zal kwijtraken.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van verdachte heeft het hof bewezen verklaard dat verdachte een geladen vuurwapen in de auto voorhanden heeft gehad. De revolver was geladen met zes patronen.

Het onbevoegd voorhanden hebben van wapens, met name vuurwapens, is maatschappelijk onaanvaardbaar vanwege de grote dreiging die daarvan uitgaat voor anderen. Dergelijke wapens kunnen gebruikt worden voor allerlei (levens)bedreigende activiteiten. Het voorhanden hebben daarvan vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat gelet op de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid GHB. In het algemeen geldt voor verdovende middelen dat zij verslavend zijn, met alle nadelige gevolgen van dien voor de gebruikers zelf en voor de samenleving als geheel. Door zijn handelwijze heeft verdachte bijgedragen aan deze nadelige gevolgen.

Het hof heeft tevens gelet op de omstandigheid dat de verdachte blijkens een hem betreffend Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 7 maart 2019 eerder onherroepelijk door een strafrechter is veroordeeld.

Het hof heeft voorts aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor het enkele voorhanden hebben van een revolver een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden als passend beschouwd. Als straf vermeerderende factoren worden genoemd een vuurwapen dat geladen is en in een voertuig onder handbereik is. Voor het voorhanden hebben van 100 gram harddrugs (= gelijk aan 200 milliliter), wordt het opleggen van een taakstraf tussen de 150 en 240 uur c.q. het equivalent hiervan, 75-120 dagen gevangenisstraf, passend geacht.

Alles overziende acht het hof in dit geval een gevangenisstraf voor de duur van 7,5 maand (is gelijk aan 225 dagen) passend en geboden.

Het hof ziet, anders dan de verdediging, in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen aanleiding om hier van af te wijken. Het is positief te noemen dat de verdachte zijn leven weer redelijk op de rit heeft, maar het opleggen van een taakstraf acht het hof volstrekt onvoldoende recht doen aan de ernst van het bewezen verklaarde.

Beslag

De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met behulp van welke de feiten zijn begaan of voorbereid dan wel die tot het begaan van het misdrijf zijn vervaardigd of bestemd en van deze voorwerpen niet kan worden vastgesteld aan wie deze voorwerpen toebehoorden.

Het hof zal daarom de voorwerpen onder 12, 13, 14 en 17 op de beslaglijst verbeurd verklaren.

De hierna onder 1 tot en met 7 en onder 15 op de beslaglijst genoemde in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, met betrekking tot welke het onder 1 en onder 4 ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet

De hierna onder 8, 9 en 16 te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zijn eveneens vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu deze bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte onder 1 en 4 begane misdrijf werden aangetroffen en deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven, terwijl zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Ten aanzien van de overige in beslag genomen goederen is niet duidelijk wie daarop rechthebbende is. Derhalve is het hof niet in staat de teruggave daarvan aan een met name te noemen persoon te gelasten en daarvan zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 225 (tweehonderdvijfentwintig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

12. 1.00 STK Handschoen, G999273;

13. 1.00 STK Handschoen, G999274;

14. 1.00 STK Poeder, kl: geel, gripzakje met geel poeder, G1000096 en

17. 1.00 STK jas, G1000386.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1. STK Revolver, Kl. zwart, vuurwapen goednr. 999271;

2. 1.00 STK Munitie, patroon goednr. 999269;

3. 1.00 STK Munitie, patroon goednr. 999267;

4. 1.00 STK Munitie, patroon goednr. 999270;

5. 1.00 STK Munitie, patroon goednr. 999272;

6. 1.00 STK Munitie, patroon goednr. 999275;

7. 1.00 STK Munitie, patroon goednr. 999264;

8. 11.00 STK Munitie, patroon, goednr. 999264;

9. 1.00 STK Muts kl: zwart, Bivakmuts, G999265;

15. 1.00 STK Verdovende Middelen GHB, G1000113 en

16. 1.00 STK Verdovende Middelen, Hashish, G1000146.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

10. 1.00 STK GSM (mobiele telefoon) Microsoft G999266;

11. 1.00 STK GSM (mobiele telefoon) Blackberry G999268 en

18. Euro, G1000415, 20 euro.

Aldus gewezen door:

mr. E.N. van der Spoel, voorzitter,

mr. J.F. Dekking en mr. E.E. van der Bijl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier,

en op 29 mei 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. E.N. van der Spoel is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.