Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:2457

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-07-2019
Datum publicatie
25-10-2019
Zaaknummer
15/01170-GHK
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:5805, Overig
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Geheimhoudingsbeslissing
Inhoudsindicatie

Verzoek om geheimhouding ten aanzien van 33 stukken van de Nationale Recherche.

De geheimhoudingskamer bepaalt dat een groot deel van de stukken geen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn.

De geheimhoudingskamer bepaalt dat in de (wel) op de zaak betrekking hebbende stukken het schonen van gegevens van derden gerechtvaardigd is.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:42
Algemene wet bestuursrecht 8:29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 28-10-2019
V-N Vandaag 2019/2392
FutD 2019-2849
V-N 2019/57.20 met annotatie van Redactie
NTFR 2019/2776
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Enkelvoudige Belastingkamer, optredende, en hierna aangeduid, als ‘geheimhoudingskamer’

Kenmerk: 15/01170-GHK

Tussenuitspraak op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht in het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 20 augustus 2015, nummer BRE 13/4901, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de aan belanghebbende over het tijdvak 1 november 2008 tot en met 30 april 2013 op 24 mei 2013 opgelegde naheffingsaanslag kansspelbelasting (aanslagnummer [aanslagnummer] ) van € 14.572.880.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de vermelde naheffingsaanslag.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag verminderd tot € 13.551.562. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld, dat door de Rechtbank ongegrond is verklaard.

1.2.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. In zijn bij het verweerschrift behorende begeleidende brief van 17 december 2015 heeft de Inspecteur ten aanzien van 137 e‑mailberichten en 25 bijlagen afkomstig van de Nationale Recherche aan het Hof de vraag voorgelegd of dit op de zaak betrekking hebbende stukken zijn in de zin van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

1.3.

Bij brief van 13 december 2017 heeft de Inspecteur een aantal stukken van de Nationale Recherche overgelegd op een DVD. Een kopie van deze DVD is aan belanghebbende verstrekt.

1.4.

Bij brief van 21 december 2017 heeft de Inspecteur zich voor 33 stukken van de Nationale Recherche beroepen op zijn geheimhoudingsplicht. Deze 33 stukken zijn ongeschoond overgelegd in een afzonderlijke, gesloten envelop, gericht aan de geheimhoudingskamer van het Hof. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat alleen het Hof kennis mag nemen van deze stukken.

1.5.

Het Hof heeft de onderhavige procedure, gelet op dit verzoek van de Inspecteur, eind december 2017 verwezen naar de geheimhoudingskamer van het Hof.

1.6.

De geheimhoudingskamer heeft op 17 januari 2018 een brief aan belanghebbende gestuurd, waarin onder meer het volgende is vermeld:

“Op 21 december 2017 heeft de Inspecteur (…) in een gesloten enveloppe 33 stukken (…) aan de geheimhoudingskamer van het Hof overgelegd en daarbij een beroep gedaan op geheimhouding, als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Het Hof heeft daarvan kennis genomen en het gehele procesdossier eind december 2017 in handen gesteld van de (…) geheimhoudingskamer.

De geheimhoudingskamer verzoekt u thans om een reactie te geven op hetgeen de Inspecteur in zijn brief van 21 december 2017 heeft vermeld De Inspecteur stelt primair dat de 33 stukken geen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb. Subsidiair stelt de Inspecteur dat de stukken niet zonder schending van de geheimhoudingsplicht kunnen worden ingebracht en dat uitsluitend het Hof en niet belanghebbende kennis mag nemen van deze 33 stukken. De geheimhoudingskamer wijst u er op dat de Inspecteur in de brief van 21 december 2017 (gewichtige) redenen, als bedoeld in artikel 8:29, lid 1, van de Awb, heeft vermeld die zijns inziens geheimhouding rechtvaardigen.

(…)

De geheimhoudingskamer zal, na ontvangst van uw reactie, die ter kennisneming aan de Inspecteur zal worden gezonden, bij een tussenuitspraak beslissen op het verzoek van de Inspecteur om geheimhouding. Na de beslissing van de geheimhoudingskamer zal het procesdossier in handen worden gesteld van een andere Kamer voor de behandeling van de hoofdzaak.”

1.7.

Bij brief van 13 februari 2018 heeft belanghebbende zich primair op het standpunt gesteld dat de 33 stukken tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren. Subsidiair is zij van mening dat dat met name geldt voor de stukken met de nummers 2, 3, 5, 8, 11, 12, 14, 15, 16, 17, 19, 20, 21, 22, 24, 27, 28, 29, 30, 31 en 32. Tevens heeft belanghebbende aangegeven geen toestemming te geven voor een zogenoemde beperkte kennisneming van de betreffende gegevens op basis van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb. Belanghebbendes reactie is doorgestuurd aan de Inspecteur.

1.8.

Bij brief van 18 juni 2019 is aan beide partijen aangekondigd dat de geheimhoudingskamer verwacht in juli 2019 tussenuitspraak te doen in de onderhavige procedure.

2 Verzoek

2.1.

Het verzoek van de Inspecteur betreft primair de vraag of de aan de geheimhoudingskamer overgelegde stukken geen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn, zodat de Inspecteur reeds daarom deze stukken niet aan belanghebbende en de Kamer van het Hof, die de hoofdzaak zal beslissen, hoeft te overleggen.

2.2.

Het verzoek van de Inspecteur betreft overigens de vraag of sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb, die rechtvaardigen dat de Inspecteur weigert de stukken te overleggen aan belanghebbende en de Kamer van het Hof, die in de hoofdzaak zal beslissen.

2.3.

Aangezien belanghebbende te kennen heeft gegeven niet toe te willen stemmen met beperkte kennisneming in de zin van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, heeft de geheimhoudingskamer het verzoek van de Inspecteur opgevat als een verzoek om geheimhouding. Dat betekent dat bij honorering van zijn verzoek (delen van) stukken door de Inspecteur mogen worden onthouden aan de rechter die in de hoofdzaak beslist en aan de wederpartij. In dat geval nemen zowel de rechter die in de hoofdzaak beslist als de wederpartij geen kennis van deze (delen van) stukken en deze blijven bij de beslissing van de hoofdzaak geheel buiten beschouwing.

3 Beoordeling van het verzoek

Algemeen juridisch kader

3.1.

De geheimhoudingskamer stelt voorop dat de Inspecteur op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb is gehouden de op de zaak betrekking hebbende stukken aan het Hof te zenden. Artikel 8:42, eerste lid, van de Awb ertoe strekt dat de gegevens die van belang zijn voor de beoordeling van het in beroep bestreden besluit van de inspecteur aan de rechter – en de wederpartij – beschikbaar worden gesteld. De in die bepaling neergelegde verplichting heeft ten doel te waarborgen dat een geschil over een door de inspecteur genomen besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan de inspecteur ter beschikking staan, zodat de belanghebbende zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beoordeling rekening kan houden (vergelijk Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672). Uit de arresten van de Hoge Raad van onder meer 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA3823 en ECLI:NL:HR:2008:BB5868, van 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1129, van 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:874 en van 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, volgt dat dit stukken zijn die in belanghebbendes zaak van enig belang kunnen zijn geweest voor de besluitvorming door de Inspecteur dan wel die van enig belang kunnen zijn voor de besluitvorming door de belastingrechter. Anders gezegd, tot de op grond van artikel 8:42, lid 1, van de Awb over te leggen stukken behoren alle stukken die de inspecteur ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten (vergelijk Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, r.o. 3.4.2 onder i).

3.2.

De omstandigheid dat een stuk behoort tot op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb, brengt in beginsel met zich dat dit stuk in zijn geheel en ongeschoond dient te worden overgelegd (vergelijk Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, r.o. 3.4.2 onder iv). Het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb biedt evenwel aan partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van stukken te weigeren. Ook biedt het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb aan partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid stukken niet volledig (dat wil zeggen met onleesbaar gemaakte delen) aan de andere partij en aan de Kamer van het Hof, die de hoofdzaak zal beslissen, te overleggen.

3.3.

Beslissend bij de vraag of de Inspecteur zich terecht op deze zojuist omschreven geheimhouding beroept is niet of op de zaak betrekking hebbende stukken of onleesbaar gemaakte delen daarvan en/of bekendmaking van de identiteit van personen, voor de verdediging van belanghebbendes standpunt noodzakelijk of essentieel zijn en ook niet of kennisneming door belanghebbende voor de verdediging van zijn standpunt van belang zou kunnen zijn (vergelijk Hoge Raad 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1182, r.o. 3.3.3). Slechts indien de door de Inspecteur voor geheimhouding aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken - dat houdt in: het belang van belanghebbende bij kennisneming van alle op de zaak betrekking hebbende stukken in ongeschoonde vorm - is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen.

3.4.

De geheimhoudingskamer wijst er nog op dat indien de belangenafweging ertoe leidt dat bepaalde gegevens voor belanghebbende geheim dienen te blijven, hieruit voortvloeiende problemen voor belanghebbende in de door de belastingrechter (in de hoofdzaak) toegepaste procedure moeten worden gecompenseerd. Dit kan bijvoorbeeld en onder omstandigheden tot uitdrukking komen in de bewijslastverdeling.

3.5.

De onder 3.3 genoemde belangenafweging moet plaatsvinden in de concrete aan de geheimhoudingskamer voorgelegde zaak en na kennisneming door de geheimhoudingskamer, die de afweging moet maken, van het gehele procesdossier.

Beoordeling van het verzoek

Op de zaak betrekking hebbende stukken (artikel 8:42 van de Awb)

3.6.

De geheimhoudingskamer stelt voorop, dat als uitgangspunt geldt dat de beoordeling van de vraag of stukken op de zaak betrekking hebben als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb, moet plaatsvinden aan de hand van de ongeschoonde stukken. Immers, als door de belastingrechter geen kennis wordt genomen van de inhoud van de ongeschoonde stukken weet hij niet wat daarin staat en kan hij - in de regel - ook niet beoordelen of de stukken op de zaak betrekking hebben (vergelijk Hoge Raad 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1129, r.o. 3.2.2 en Hoge Raad 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:874, r.o. 2.3.2).

3.7.

In deze zaak heeft belanghebbende zich primair op het standpunt gesteld dat aangezien de Inspecteur van mening is dat hij de 33 stukken niet zonder schending van zijn geheimhoudingsplicht kan inbrengen, is erkend dat die stukken moeten worden beschouwd als op de zaak betrekking hebbende stukken. Daarnaast heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de 33 stukken, belanghebbende schrijft immers ‘met name de stukken (…) etc.’, blijkens de omschrijving van de Inspecteur van belang zijn voor vaststelling van de (binnenlandse) belastingplicht van belanghebbende.

3.8.

De geheimhoudingskamer ziet zich dus voor de vraag gesteld of de 33 stukken in belanghebbendes zaak van belang zijn geweest voor de besluitvorming door de Inspecteur en van belang kunnen zijn voor de besluitvorming door de belastingrechter.

3.9.

De 33 stukken komen uit de administratie van [G] , een zogenoemde Payment Provider. Belanghebbende maakte voor vrijwel haar gehele inkomende geldstroom gebruik van de diensten van [G] .

3.10.

In deze zaak is in geschil of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of belanghebbende gelegenheid heeft geboden tot deelneming aan binnenlandse kansspelen die via internet worden gespeeld, zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de kansspelbelasting. Beslissend is waar de houder van dat spel is gevestigd. Wie de houder is wordt bepaald door het antwoord op de vraag wie de organisator is, dat wil zeggen de zeggenschap heeft over de organisatie van die spelen (vergelijk Hoge Raad 16 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:356).

3.11.

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat zij niet degene was die de kansspelen organiseerde en hield.

3.12.

Het verzoek van de Inspecteur richt zich op de volgende stukken, die de Inspecteur niet op de zaak betrekking hebbend acht:

1. Handleiding Administratieve Organisatie, versie 7.7.

Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is dit geen op de zaak betrekking hebbend stuk, nu het niet van belang kan zijn geweest voor de besluitvorming door de Inspecteur of van belang kan zijn voor de besluitvorming door de belastingrechter aangezien in het stuk slechts is beschreven hoe interne processen van [G] zijn georganiseerd en volgens welke richtlijnen moet worden gewerkt.

2. Een stuk waaruit volgt dat [G] onderzoek heeft gedaan naar de heer [A] .

Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is dit geen op de zaak betrekking hebbend stuk, aangezien het niet van belang kan zijn geweest voor de besluitvorming door de Inspecteur of van belang kan zijn voor de besluitvorming door de belastingrechter.

3. Een stuk waaruit volgt dat [G] onderzoek heeft gedaan naar de heer [B] .

Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is dit geen op de zaak betrekking hebbend stuk, aangezien het niet van belang kan zijn geweest voor de besluitvorming door de Inspecteur of van belang kan zijn voor de besluitvorming door de belastingrechter.

4. Een stuk waaruit volgt dat [G] onderzoek heeft gedaan naar de heer [B] .

Dit stuk is gelijk aan het stuk genoemd onder 3 en dus geen op de zaak betrekking hebbend stuk.

5. Live details over [C] [nummer] , een e-mail van [D] aan [G] .

De e-mail heeft betrekking op [C] (hierna: [C] ) en betreft betalingsverkeer via [D] voor [G] . Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is dit geen op de zaak betrekking hebbend stuk, nu het niet van belang kan zijn geweest voor de besluitvorming door de Inspecteur of van belang kan zijn voor de besluitvorming door de belastingrechter.

6. B + S contract, een e-mail van [D] aan [G] .

[G] heeft deze e-mail volgens de Inspecteur vermoedelijk ten onrechte in het dossier van belanghebbende gearchiveerd, aangezien deze over een derde gaat. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is dit geen op de zaak betrekking hebbend stuk, aangezien het niet van belang kan zijn geweest voor de besluitvorming door de Inspecteur of van belang kan zijn voor de besluitvorming door de belastingrechter.

7. Dit stuk betreft een e-mailwisseling, die start met een e-mail van belanghebbende met als onderwerp ‘credit card’.

De betreffende e-mail is vrijgegeven. De overige e-mails zijn e‑mails tussen [D] en [G] en bevatten geen informatie over belanghebbende. De geheimhoudingskamer is van oordeel dat deze e‑mailwisseling een in een computersysteem opgeslagen tekstbestand is in de zin van het arrest van de Hoge Raad van 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, r.o. 3.4.4 (slot). Het stuk moet dan ook in zijn geheel als één stuk worden aangemerkt. Daarmee is deze e‑mailwisseling een op de zaak betrekking hebbend stuk.

8. Dit stuk betreft een zogenoemde ‘Reseller Agreement’ tussen [D] en [G] met vermelding van bepaalde tarieven.

Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is dit geen op de zaak betrekking hebbend stuk, aangezien het niet van belang kan zijn geweest voor de besluitvorming door de Inspecteur of van belang kan zijn voor de besluitvorming door de belastingrechter.

9. Lijst betaalopdrachten van klanten van [G] , waaronder belanghebbende.

In de e-mail is informatie over belanghebbende en andere klanten van [G] (zogenoemde ‘merchants’) verwerkt. De geheimhoudingskamer acht deze e-mail een op de zaak betrekking hebbend stuk, aangezien dit stuk van belang kan zijn voor het vaststellen van het verloop en de omvang van de geldstromen van belanghebbende in het kader van de beantwoording van de vraag of belanghebbende de kansspelen organiseerde.

10. Een e-mail van [E] van [G] over een andere klant van [G] .

De e-mail is vermoedelijk ten onrechte bij belanghebbende gearchiveerd, aldus de Inspecteur. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is dit geen op de zaak betrekking hebbend stuk, aangezien het niet van belang kan zijn geweest voor de besluitvorming door de Inspecteur of van belang kan zijn voor de besluitvorming door de belastingrechter.

11. Een e‑mailwisseling tussen een klant van belanghebbende (c.s.) en [G] over een klacht.

Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is dit geen op de zaak betrekking hebbend stuk, aangezien het niet van belang kan zijn geweest voor de besluitvorming door de Inspecteur of van belang kan zijn voor de besluitvorming door de belastingrechter.

12. Een deels interne e-mailwisseling binnen [G] , onder andere over rekeningen van belanghebbende.

De geheimhoudingskamer acht deze e-mails op de zaak betrekking hebbende stukken, aangezien deze van belang kunnen zijn voor het vaststellen van het verloop van de geldstromen van belanghebbende in het kader van de beantwoording van de vraag of belanghebbende de kansspelen organiseerde.

13. Een e-mailwisseling binnen [G] over een mislukte iDeal-transactie van een klant van belanghebbende.

Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is dit geen op de zaak betrekking hebbend stuk, aangezien het niet van belang kan zijn geweest voor de besluitvorming door de Inspecteur of van belang kan zijn voor de besluitvorming door de belastingrechter.

14. Een vraag/klacht van een klant van belanghebbende (c.s.) aan [G] .

Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is dit geen op de zaak betrekking hebbend stuk, aangezien het niet van belang kan zijn geweest voor de besluitvorming door de Inspecteur of van belang kan zijn voor de besluitvorming door de belastingrechter.

15. Een e-mailwisseling tussen [D] en [G] over het ‘live zetten’ van [F] .

Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is dit geen op de zaak betrekking hebbend stuk, aangezien het niet van belang kan zijn geweest voor de besluitvorming door de Inspecteur of van belang kan zijn voor de besluitvorming door de belastingrechter.

16. Een e-mailwisseling binnen [G] met een intern verslag van een gesprek met [A] over (onder meer) de aansturing van belanghebbende en het oplossen van problemen rondom betalingen van [G] voor belanghebbende.

De geheimhoudingskamer acht deze e-mails op de zaak betrekking hebbende stukken, aangezien deze van belang kunnen zijn voor het vaststellen van het verloop van de geldstromen van belanghebbende en voor de vraag wie de kansspelen organiseerde.

17. Een e-mailwisseling tussen [D] en [G] over [C] / [F] .

Deze e-mails omvatten onder andere ook de e-mailwisseling als opgenomen in stuk 15 over het ‘live zetten’ van [F] . Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is deze e-mailwisseling geen op de zaak betrekking hebbend stuk, aangezien dit stuk niet van belang kan zijn geweest voor de besluitvorming door de Inspecteur of van belang kan zijn voor de besluitvorming door de belastingrechter.

18. Een e-mailwisseling binnen [G] over fout gegane betalingen voor belanghebbende.

Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is deze e-mailwisseling geen op de zaak betrekking hebbend stuk, aangezien dit stuk niet van belang kan zijn geweest voor de besluitvorming door de Inspecteur of van belang kan zijn voor de besluitvorming door de belastingrechter.

19. Een e-mailwisseling tussen [D] en [G] over ‘het live zetten’ van [F] (overlap met stuk 15 en 17).

Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is dit geen op de zaak betrekking hebbend stuk, aangezien het niet van belang kan zijn geweest voor de besluitvorming door de Inspecteur of van belang kan zijn voor de besluitvorming door de belastingrechter.

20. Een e-mailwisseling tussen [D] en [G] over ‘het live zetten’ van [F] (overlap met stuk 15, 17 en 19).

Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is dit geen op de zaak betrekking hebbend stuk, aangezien het niet van belang kan zijn geweest voor de besluitvorming door de Inspecteur of van belang kan zijn voor de besluitvorming door de belastingrechter.

21. Een e-mailwisseling tussen [D] en [G] over [C] / [F] (overlap met stuk 15, 17, 19 en 20).

Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is dit geen op de zaak betrekking hebbend stuk, aangezien het niet van belang kan zijn geweest voor de besluitvorming door de Inspecteur of van belang kan zijn voor de besluitvorming door de belastingrechter.

22. Een e-mailwisseling tussen [D] en [G] over [C] / [F] (overlap met stuk 15, 17, 19, 20 en 21).

De e-mails omvatten technische gegevens. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is dit geen op de zaak betrekking hebbend stuk, nu aangezien het niet van belang kan zijn geweest voor de besluitvorming door de Inspecteur of van belang kan zijn voor de besluitvorming door de belastingrechter.

23. Een e-mailwisseling tussen Rabobank en [G] over buitenlandse betalingen via [G] .

Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is dit geen op de zaak betrekking hebbend stuk, aangezien het niet van belang kan zijn geweest voor de besluitvorming door de Inspecteur of van belang kan zijn voor de besluitvorming door de belastingrechter.

24. Een interne e-mail binnen [G] met een intern verslag van een gesprek met [A] .

Dit is stuk is bijna identiek aan stuk 16. De geheimhoudingskamer acht deze e-mail een op de zaak betrekking hebbend stuk, aangezien deze e‑mail van belang kan zijn voor het vaststellen van het verloop van de geldstromen van belanghebbende en voor de vraag wie de kansspelen organiseerde.

25. Een e-mail over een andere klant van [G] .

De e-mail is vermoedelijk ten onrechte bij belanghebbende gearchiveerd, aldus de Inspecteur. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is dit geen op de zaak betrekking hebbend stuk, aangezien het niet van belang kan zijn geweest voor de besluitvorming door de Inspecteur of van belang kan zijn voor de besluitvorming door de belastingrechter.

26. Een e-mailwisseling tussen [D] en [G] over een ‘Migration Issues’ van [F] .com.

Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is dit geen op de zaak betrekking hebbend stuk, aangezien het niet van belang kan zijn geweest voor de besluitvorming door de Inspecteur of van belang kan zijn voor de besluitvorming door de belastingrechter.

27. E-mailcorrespondentie tussen [D] en [G] waarin over onderlinge tarieven/commissies wordt gecommuniceerd.

Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is dit geen op de zaak betrekking hebbend stuk, aangezien het niet van belang kan zijn geweest voor de besluitvorming door de Inspecteur of van belang kan zijn voor de besluitvorming door de belastingrechter.

28. Een document dat door de Inspecteur als volgt is omschreven: “ [voornaam] actiepunten voortkomend uit het bezoek van [A] van 03-11-2008.8.htm.

Dit zouden interne actiepunten binnen [G] betreffen naar aanleiding van een gesprek met [A] , aldus de Inspecteur. De geheimhoudingskamer heeft vastgesteld dat stuk 28 van de ongeschoonde stukken nagenoeg overeenkomt met stuk 27, waarvan de geheimhoudingskamer van oordeel is dat het geen op de zaak betrekking hebbend stuk is. Gelet op de door de Inspecteur gegeven omschrijving lijkt het door hem bedoelde stuk 28 inhoudelijk te gaan om het stuk dat ook al is bijgevoegd als stuk 16 en 24. De geheimhoudingskamer heeft haar beoordeling gemaakt aan de inhoud van het overgelegde stuk 28 en niet op basis van de door de Inspecteur gegeven omschrijving.

29. Afrekening “ [belanghebbende] totaalsaldo 10-12-2008” en een lijst van betalingen van – vermoedelijk – inleg van klanten van belanghebbende.

De geheimhoudingskamer acht deze afrekening en lijst op de zaak betrekking hebbende stukken, aangezien deze van belang kunnen zijn voor het vaststellen van het verloop en de omvang van de geldstromen van belanghebbende en voor de vraag wie de kansspelen organiseerde.

30. Afrekening “ [belanghebbende] totaalsaldo 10-12-2008” en een lijst van betalingen van – vermoedelijk – inleg van klanten van belanghebbende.

Dit stuk vertoont grote gelijkenissen met stuk 29. De geheimhoudingskamer acht deze afrekening en lijst op de zaak betrekking hebbende stukken, aangezien deze van belang kunnen zijn voor het vaststellen van het verloop en de omvang van de geldstromen van belanghebbende en voor de vraag wie de kansspelen organiseerde.

31. Afrekening “ [belanghebbende] totaalsaldo 10-12-2008” en een lijst van betalingen van – vermoedelijk – inleg van klanten van belanghebbende.

Dit stuk vertoont grote gelijkenissen met stuk 29 en 30. De geheimhoudingskamer acht deze afrekening en lijst op de zaak betrekking hebbende stukken, aangezien deze van belang kunnen zijn voor het vaststellen van het verloop en de omvang van de geldstromen van belanghebbende en voor de vraag wie de kansspelen organiseerde.

32. Zogenoemde ‘Self-Assessment Questionnaire A and Attestation of Compliance’ met betrekking tot de zogenoemde ‘Payment Card Industry (PCI) Data Security Standard’ waarop op het voorblad verder onder meer is vermeld ‘All cardholder data functions outsourced. No Electronic Storage, Processing, or Transmission of Cardholder Data’, aangaande [C] Ltd.

Deze vragenlijst is naar het oordeel van de geheimhoudingskamer geen op de zaak betrekking hebbend stuk, aangezien de lijst niet van belang kan zijn geweest voor de besluitvorming door de Inspecteur of van belang kan zijn voor de besluitvorming door de belastingrechter.

33. Een vervolg op de e-mailwisseling zoals beschreven bij stuk 7.

Het betreft e-mails tussen [G] , [D] en belanghebbende (c.s). De e‑mailwisseling start met een e-mail van belanghebbende met als onderwerp ‘credit card’. De betreffende e-mail is vrijgegeven. De overige e-mails zijn e-mails tussen [D] en [G] en bevatten geen informatie over belanghebbende. De geheimhoudingskamer is van oordeel dat deze e-mailwisseling een in een computersysteem opgeslagen tekstbestand is in de zin van het arrest van de Hoge Raad van 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, r.o. 3.4.4 (slot). Het stuk moet dan ook in zijn geheel als één stuk moet worden aangemerkt. Daarmee is deze e‑mailwisseling een op de zaak betrekking hebbend stuk.

Het voorgaande impliceert dat de geheimhoudingskamer de volgende stukken heeft aangemerkt als op de zaak betrekking hebbende stukken:

A.

Een e-mailwisseling, die start met een e-mail van belanghebbende met als onderwerp ‘credit card’ (7) en het vervolg op deze e-mailwisseling (33)

B.

Lijst betaalopdrachten van klanten van [G] , waaronder belanghebbende (9)

C.

Een deels interne e-mailwisseling binnen [G] , onder andere over rekeningen van belanghebbende (12)

D.

Een e-mailwisseling binnen [G] met een intern verslag van een gesprek met [A] over (onder meer) de aansturing van belanghebbende en het oplossen van problemen rondom betalingen van [G] voor belanghebbende (16 en 24)

E.

Afrekening “ [belanghebbende] totaalsaldo 10-12-2008” en een lijst van betalingen van –vermoedelijk – inleg van klanten van belanghebbende (29, 30 en 31)

3.13.

Vervolgens komt de vraag aan de orde of sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb, die rechtvaardigen dat de Inspecteur weigert de stukken A tot en met E ongeschoond in het geding te brengen.

Beoordeling geheimhouding: de aangevoerde gewichtige redenen

Door de Inspecteur aangevoerde redenen voor geheimhouding

3.14.

Ten aanzien van de stukken onder A heeft de Inspecteur aangevoerd dat de niet vrijgegeven e-mails betrekking hebben op correspondentie tussen [D] (een derde) en [G] en dat onbekend is in hoeverre belanghebbende op de hoogte is van deze correspondentie.

3.15.

Ten aanzien van stuk B heeft de Inspecteur aangevoerd dat dit een intern stuk van [G] is en dat het ook gaat over andere klanten van [G] (derden).

3.16.

Ten aanzien van stuk C heeft de Inspecteur aangevoerd dat dit een intern stuk van [G] is, waarin een sfeertekening over de relatie met belanghebbende wordt gegeven en dat dit gevoelig kan liggen.

3.17.

Ten aanzien van de stukken onder D heeft de Inspecteur aangevoerd dat dit interne stukken van [G] zijn.

3.18.

Ten aanzien van de stukken onder E heeft de Inspecteur aangevoerd dat onzeker is of deze stukken gecommuniceerd zijn met belanghebbende.

3.19.

Ten aanzien van alle stukken die de geheimhoudingskamer als op de zaak betrekking hebbend heeft aangemerkt, heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat die stukken onder zijn geheimhoudingsplicht vallen.

3.20.

Van de stukken die de Inspecteur geheim wil houden is geen geschoonde versie voor belanghebbende overgelegd.

Beoordeling door de geheimhoudingskamer van de door de Inspecteur aangevoerde redenen voor geheimhouding

3.21.

De geheimhoudingskamer stelt voorop dat het de Inspecteur is die het 8:29-verzoek doet. Hij dient hiervoor de daarvoor vereiste gewichtige redenen aan te voeren.

3.22.

Naar de geheimhoudingskamer begrijpt doet de Inspecteur een beroep op artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR). Een verplichting tot geheimhouding uit hoofde van artikel 67 van de AWR vormt als zodanig echter geen gewichtige reden als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb (vergelijk Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch 17 mei 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ5564, r.o. 3.18). Indien de Inspecteur stukken voor de wederpartij geheim wenst te houden voorziet de in artikel 8:29 van de Awb vermelde procedure er juist in dat de belastingrechter de door de Inspecteur voor geheimhouding aangevoerde (gewichtige) redenen afweegt tegen het belang dat een belanghebbende heeft bij kennisneming van die stukken. De blote stelling van de Inspecteur, dat op hem een geheimhoudingsverplichting rust, brengt niet met zich dat deze geheimhoudingsverplichting aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van een belanghebbende bij bekendmaking van desbetreffende stukken en deze stelling van de Inspecteur rechtvaardigt dan ook niet zonder meer geheimhouding van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het standpunt van de Inspecteur dat de stukken niet behoeven te worden verstrekt omdat deze op grond van zijn geheimhoudingsplicht moeten worden geheim gehouden, wordt door de geheimhoudingskamer dan ook verworpen voor zover in die stukken gegevens over belanghebbende zijn opgenomen. Dat betekent dat het de Inspecteur is toegestaan gegevens van derden te schonen.

3.23.

Ten aanzien van de stukken onder A heeft de Inspecteur aangevoerd dat onbekend is in hoeverre belanghebbende op de hoogte is van deze correspondentie. Bij de door de geheimhoudingskamer te maken afweging is dit echter niet een reden die aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van dit stuk. Van een gewichtige reden die geheimhouding rechtvaardigt, is dan ook geen sprake.

Gelet op het voorgaande, is het de Inspecteur wel toegestaan de gegevens in stuk A die betrekking hebben op derden, te schonen.

3.24.

Ten aanzien van het stuk onder B heeft de Inspecteur aangevoerd dat dit een intern stuk van [G] is. Bij de door de geheimhoudingskamer te maken afweging is dit echter niet een reden die aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van dit stuk. Gelet op het voorgaande, is het de Inspecteur wel toegestaan de gegevens in stuk B die betrekking hebben op derden, te schonen.

3.25.

Ten aanzien van het stuk onder C heeft de Inspecteur aangevoerd dat dit een intern stuk van [G] is. Bij de door de geheimhoudingskamer te maken afweging is dit echter niet een reden die aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van dit stuk. Vervolgens heeft de Inspecteur aangevoerd dat dit stuk een geheim te houden sfeertekening bevat. Daargelaten dat het de geheimhoudingskamer niet duidelijk is waarom de Inspecteur ten aanzien van het stuk onder C van mening is dat sprake is van een sfeertekening over de relatie met belanghebbende die gevoelig kan liggen, is dit niet een belang dat aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van dit stuk in ongeschoonde vorm.

3.26.

Ten aanzien van de stukken onder D heeft de Inspecteur aangevoerd dat dit interne stukken van [G] zijn. Bij de door de geheimhoudingskamer te maken afweging is dit echter niet een reden die aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van dit stuk. Daar komt bij dat dit stuk een verslaglegging van een bespreking met [A] bevat. In zoverre zou het stuk geen informatie moeten bevatten die voor belanghebbende moet worden geheimgehouden. Van een gewichtige reden die geheimhouding rechtvaardigt, is dan ook geen sprake.

3.27.

Ten aanzien van de stukken onder E heeft de Inspecteur aangevoerd dat dat onzeker is of deze stukken gecommuniceerd zijn met belanghebbende. Bij de door de geheimhoudingskamer te maken afweging is dit echter niet een reden die aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van dit stuk. Van een gewichtige reden die geheimhouding rechtvaardigt, is dan ook geen sprake.

Slotsom

3.28.

Aangezien de onderhavige beslissing voor de Inspecteur de verplichting meebrengt de stukken A tot en met E alsnog te verstrekken, eventueel met bepaalde geschoonde onderdelen (op de manier zoals hiervóór is weergegeven), wordt de Inspecteur in de gelegenheid gesteld

schriftelijk mede te delen welke consequenties hij aan de beslissing van de geheimhoudingskamer verbindt. De geheimhoudingskamer wijst hierbij op het bepaalde in artikel 8:31 van de Awb, dat als volgt luidt:

‘Indien een partij niet voldoet aan de verplichting (…) stukken over te leggen (…) kan de bestuursrechter daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen.’.

3.29.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

4 Beslissing

De geheimhoudingskamer:

- bepaalt dat de aan de geheimhoudingskamer overgelegde stukken 7, 9, 12, 16, 24, 29, 30, 31 en 33 (de stukken A tot en met E) op de zaak betrekking hebbende stukken zijn;

- verstaat dat de door de Inspecteur aangevoerde redenen voor geheimhouding van delen van de stukken A en B (voor zover het gegevens van derden betreft) gerechtvaardigd zijn;

- bepaalt dat (daarom) het schonen van de gegevens van derden in de stukken A en B gerechtvaardigd is;

- verzoekt de Inspecteur binnen vier weken na verzending van deze uitspraak aan de geheimhoudingskamer te berichten of hij bereid is de stukken A tot en met E alsnog in het geding te brengen en zo ja, dit te doen binnen de genoemde termijn van vier weken; en

- verwijst de zaak naar de Kamer die de hoofdzaak behandelt nadat de Inspecteur de geheimhoudingskamer in vorenbedoelde zin heeft geïnformeerd en stelt het procesdossier, met uitzondering van de aan de geheimhoudingskamer overgelegde ongeschoonde stukken, daarna ter beschikking van die Kamer.

Aldus gedaan op:12 juli 2019

door M.J.C. Pieterse, in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, griffier. De beslissing is op die datum uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Rechtsmiddel

Tegen tussenbeslissingen stelt de wet geen afzonderlijk, tussentijds beroep in cassatie dan wel een ander rechtsmiddel open. Tegen dergelijke beslissingen van de Rechtbank of het Hof kan slechts worden opgekomen tegelijkertijd met het hoger beroep respectievelijk het beroep in cassatie tegen de einduitspraak, zijnde de uitspraak waarbij het geding wordt afgedaan (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 14 september 2007, nr. 43 294, ECLI:NL:HR:2007:BB3489).