Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:2453

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-07-2019
Datum publicatie
25-10-2019
Zaaknummer
18/00254 tot en met 18/00256
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:2170, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:420
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het geschil betreft de naheffingsaanslagen in de omzetbelasting over de tijdvakken 2010, 2011 en 2012. Bij alle naheffingsaanslagen is het de vraag of belanghebbende ontvankelijk is in haar bezwaar. Met betrekking tot de naheffingsaanslag 2012 gaat aan de ontvankelijkheid van het bezwaar nog de vraag vooraf of belanghebbende ontvankelijk is in haar beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 25-10-2019
V-N Vandaag 2019/2430
FutD 2019-2848
Viditax (FutD), 13-03-2020
NTFR 2019/2773
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 18/00254 tot en met 18/00256

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] VOF,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van
10 april 2018, nummers BRE 17/3185 tot en met BRE 17/3187, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde naheffingsaanslagen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 26 september 2015 de volgende naheffingsaanslagen in de omzetbelasting opgelegd:

  • -

    onder aanslagnummer [aanslagnummer] F.01.0502, over het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 (hierna: de naheffingsaanslag 2010),

  • -

    onder aanslagnummer [aanslagnummer] F.01.1501, over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 (hierna: de naheffingsaanslag 2011), en

  • -

    onder aanslagnummer [aanslagnummer] F.01.2501, over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 (hierna: de naheffingsaanslag 2012).

1.2.

De Inspecteur heeft belanghebbendes bezwaar tegen de naheffingsaanslag 2010 bij uitspraak op bezwaar van 7 april 2017 en het bezwaar tegen de naheffingsaanslagen 2011 en 2012 bij uitspraken op bezwaar van 1 april 2017 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

1.3.

Belanghebbende is van deze uitspraken op 24 april 2017 in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 333.

De Rechtbank heeft bij op 23 april 2018 aan partijen verzonden uitspraak de beroepen voor wat betreft de naheffingsaanslagen 2010 en 2011 ongegrond verklaard en het beroep met betrekking tot de naheffingsaanslag 2012 niet-ontvankelijk.

1.4.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende op 18 mei 2018 hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 508.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 17 april 2019 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord [de vennoot] , vennoot van belanghebbende, en namens de Inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .

1.6.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.7.

Op 2 mei 2019 is van belanghebbende een brief binnengekomen.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

De naheffingsaanslagen 2010, 2011 en 2012 zijn met dagtekening 26 september 2015 aan belanghebbende opgelegd.

2.2.

Op 29 februari 2016 ontving de Inspecteur een op 26 februari 2016 gedagtekend bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag 2012 van de toenmalige gemachtigde van belanghebbende, [A] . De Inspecteur heeft vervolgens in zijn uitspraak op bezwaar van 13 mei 2016 belanghebbende niet–ontvankelijk verklaard in haar bezwaar wegens overschrijding van de bezwaartermijn en de naheffingsaanslag 2012 - na ambtshalve beoordeling - gehandhaafd.

2.3.

Op 2 januari 2017 ontving de Inspecteur een op 30 december 2016 gedagtekend bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslagen 2010, 2011 en 2012, ondertekend door [de vennoot] .

2.4.

Op 5 april 2017 ontving de Inspecteur drie op 3 april 2017 gedagtekende bezwaarschriften tegen de naheffingsaanslagen 2010, 2011 en 2012, ondertekend door [de vennoot] .

2.5.

De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar van 7 april 2017 belanghebbende niet–ontvankelijk verklaard in haar bezwaar tegen de naheffingsaanslag 2010 wegens overschrijding van de bezwaartermijn en die naheffingsaanslag - na ambtshalve
beoordeling - gehandhaafd.

2.6.

De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar van 1 april 2017 belanghebbende niet–ontvankelijk verklaard in haar bezwaar tegen de naheffingsaanslag 2011 wegens overschrijding van de bezwaartermijn en die naheffingsaanslag - na ambtshalve
beoordeling - gehandhaafd.

2.7.

De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar van 1 april 2017 belanghebbende opnieuw niet–ontvankelijk verklaard in haar bezwaar tegen de naheffingsaanslag 2012 wegens overschrijding van de bezwaartermijn en die naheffingsaanslag - na ambtshalve
beoordeling - gehandhaafd.

2.8.

Belanghebbende is van de onder 2.5, 2.6 en 2.7 genoemde uitspraken van de Inspecteur op 24 april 2017 in beroep gekomen bij de Rechtbank.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft bij alle naheffingsaanslagen het antwoord op de vraag of belanghebbende ontvankelijk is in haar bezwaar. Met betrekking tot de naheffingsaanslag 2012 gaat aan de ontvankelijkheid van het bezwaar nog de vraag vooraf of belanghebbende ontvankelijk is in haar beroep.

Belanghebbende beantwoordt alle vragen bevestigend; de Inspecteur ontkennend.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken van de Inspecteur, ontvankelijkverklaring van de bezwaren voor wat betreft de naheffingsaanslagen 2010 en 2011 en ontvankelijkverklaring van het beroep en het bezwaar voor wat betreft de naheffingsaanslag 2012.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Vooraf en ambtshalve

De op 2 mei 2019 ontvangen brief van belanghebbende

4.1.

Na het sluiten van het onderzoek op 17 april 2019 is op 2 mei 2019 van belanghebbende de onder 1.7 genoemde brief ontvangen. Belanghebbende schrijft in deze brief het volgende: “Op 17-04-2019 verscheen ik voor U in de rechtbank over het wel en niet bezwaar tegen de belasting nu is mijn oude boekhouder bereid om voor U en onder ede t verklaring dat hij bezwaar brieven heeft verstuurt”.

4.2.

Belanghebbende doelt in zijn brief kennelijk op de door zijn voormalige gemachtigde,
[B] , bij zijn aanbiedingsbrief aan de Rechtbank van 30 januari 2018 gevoegde bezwaarschriften van 15 oktober 2015, gericht aan respectievelijk de Belastingdienst Limburg te Heerlen, t.a.v. de heer [C] en aan de Belastingdienst Limburg te Heerlen, t.a.v. de inspecteur Omzetbelasting.

4.3.

Het Hof merkt de brief van belanghebbende aan als een verzoek om heropening van het onderzoek als bedoeld in artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

4.4.

Naar het oordeel van het Hof is voor heropening van het onderzoek geen aanleiding, omdat de in het verzoek om heropening bedoelde aanbiedingsbrief van [B] van 30 januari 2018 en de daarbij gevoegde bezwaarschriften, op de zitting uitvoerig aan de orde zijn geweest en belanghebbende daar geen nader bewijsaanbod heeft gedaan. Op grond van het vorenstaande is het Hof van oordeel dat het onderzoek volledig is geweest en wijst het verzoek om heropening af.

Het achterwege laten van een nader onderzoek ter zitting van de Rechtbank

4.5.

Belanghebbende voert in haar hoger beroepschrift als grief aan dat de Rechtbank zonder haar goedvinden een nader onderzoek ter zitting achterwege heeft gelaten.

4.6.

Belanghebbende heeft op de zitting verklaard dat zij niet in de gaten heeft gehad dat zij bij de brief van de Rechtbank van 24 januari 2018 in de gelegenheid is gesteld om te laten weten of zij op een zitting gehoord wilde worden. Het was haar niet eerder opgevallen dat zij wél om een nadere zitting had kunnen vragen. Aangezien dit misverstand na uitleg ter zitting van het Hof als opgehelderd kan worden beschouwd behoeft deze grief geen verdere bespreking.

Ten aanzien van het geschil

De naheffingsaanslagen 2010 en 2011

4.7.

De naheffingsaanslagen 2010 en 2011 zijn gedagtekend 26 september 2015.

4.8.

Op 2 januari 2017 ontving de Inspecteur een op 30 december 2016 gedagtekend bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslagen 2010, 2011 en 2012, ondertekend door
[de vennoot] (zie onderdeel 2.3).

4.9.

De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken (artikel 6:7 van de Awb). In dit geval eindigde de termijn, rekening houdend met artikel 1, lid 1, van de Algemene termijnenwet, op maandag 9 november 2015.

4.10.

Het bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen (artikel 6:9, lid 1, van de Awb).

4.11.

Bij verzending per post is het bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen (artikel 6:9, lid 2, van de Awb).

4.12.

De bezwaarschriften van 30 december 2016 zijn niet tijdig ingediend.

4.13.

Belanghebbende beroept zich op een brief van zijn voormalige gemachtigde,
[B] , van 30 januari 2018 aan de Rechtbank, waarbij kopieën zijn gevoegd van twee (pro forma) bezwaarschriften van 15 oktober 2015, gericht aan respectievelijk de Belastingdienst Limburg te Heerlen, t.a.v. de heer [C] en de Belastingdienst Limburg te Heerlen, t.a.v. de inspecteur Omzetbelasting. Die bezwaarschriften zijn gericht tegen de naheffingsaanslagen omzetbelasting die zijn opgelegd naar aanleiding van het boekenonderzoek over de jaren 2010, 2011 en 2012. In zijn aanbiedingsbrief verklaart [B] de twee bezwaarschriften daadwerkelijk te hebben verzonden aan de Belastingdienst.

4.14.

De Inspecteur heeft de ontvangst van deze bezwaarschriften gemotiveerd betwist. Bij zijn verweerschrift in hoger beroep heeft hij een door de controlerend ambtenaar [C] bijgehouden logboek overgelegd, waarin de gang van zaken tijdens het boekenonderzoek is vastgelegd. In dit minutieus bijgehouden logboek wordt geen gewag gemaakt van op of rond 15 oktober 2015 ontvangen bezwaarschriften tegen de onderhavige naheffingsaanslagen. Navraag bij [C] heeft de Inspecteur geleerd dat hij zich geen bezwaarschriften van [B] kan herinneren en dat in het systeem waarin de Belastingdienst bezwaarschriften registreert (het zogenaamde GBV), de beweerdelijk ingediende bezwaarschriften niet bekend zijn. Evenmin is in het GBV een nadere ingezonden motivering geregistreerd van de pro forma bezwaarschriften of een aantekening waaruit blijkt dat navraag is gedaan naar de stand van zaken.

4.15.

Op belanghebbende rust de last aannemelijk te maken dat de bezwaarschriften van 15 oktober 2015 daadwerkelijk bij de Inspecteur zijn ingediend. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende daarin niet geslaagd. Haar stelling dat in het verleden andere bezwaarschriften tegen eerdere naheffingsaanslagen ook per gewone post zijn verzonden aan de Inspecteur en wél tijdig door hem werden ontvangen, kan haar niet baten. Het Hof heeft geen reden te veronderstellen dat bij de interne postverwerking bij de Belastingdienst een fout is gemaakt. Het bewijsrisico van verzending van niet aangetekende stukken komt in dat geval voor rekening en risico van belanghebbende.

4.16.

De bezwaarschriften zijn niet voor het einde van de bezwaartermijn (9 november 2015) ingediend.

4.17.

Niet-ontvankelijkverklaring kan ingevolge het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb nog slechts achterwege blijven indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest.

4.18.

Het Hof acht geen feiten of omstandigheden aanwezig waarvan zou moeten worden aangenomen dat de termijnoverschrijding in dit geval verschoonbaar is.

4.19.

Belanghebbende is door de Inspecteur terecht niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaren en de Rechtbank heeft de beroepen terecht ongegrond verklaard. Het Hof komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil.

De naheffingsaanslag 2012

4.20.

De naheffingsaanslag 2012 is gedagtekend 26 september 2015.

4.21.

Op 29 februari 2016 ontving de Inspecteur een op 26 februari 2016 gedagtekend bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag 2012 van de toenmalige gemachtigde van belanghebbende, [A] . De Inspecteur heeft vervolgens in zijn uitspraak op bezwaar van 13 mei 2016 belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar wegens overschrijding van de bezwaartermijn en de naheffingsaanslag 2012 - na ambtshalve beoordeling – gehandhaafd (zie onderdeel 2.2).

4.22.

Op 2 januari 2017 ontving de Inspecteur een op 30 december 2016 gedagtekend bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslagen 2010, 2011 en 2012, ondertekend door [de vennoot] (zie onderdeel 2.3).

4.23.

De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar van 1 april 2017 belanghebbende opnieuw niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar wegens overschrijding van de bezwaartermijn en de naheffingsaanslag 2012 - na ambtshalve beoordeling –gehandhaafd (zie onderdeel 2.7).

4.24.

Belanghebbende is van deze uitspraak van de Inspecteur op 24 april 2017 in beroep gekomen bij de Rechtbank (zie onderdeel 2.8).

4.25.

Het Hof is met de Rechtbank van oordeel dat de Inspecteur ten onrechte voor de tweede keer uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Het systeem van de wet brengt mee dat de Inspecteur maar één keer uitspraak op bezwaar inzake een (naheffings)aanslag kan doen. Met het doen van de eerste uitspraak op bezwaar van 13 mei 2016 eindigde daarom de bezwaarfase. Een tweede uitspraak op bezwaar, zoals de brief van de Inspecteur van 1 april 2017, tegen eenzelfde naheffingsaanslag is niet aan te merken als een beslissing waartegen op grond van artikel 7:1, lid 2, van de Awb beroep kan worden ingesteld. Het Hof wijst in dit verband op het arrest van de Hoge Raad van 20 januari 2012, nr. 10/02678, ECLI:NL:HR:2012:BT1516.

4.26.

Het bezwaarschrift van 30 december 2016 (zie onderdeel 4.22) had door de Inspecteur op grond van artikel 6:15 van de Awb doorgezonden moeten worden naar de Rechtbank om als beroepschrift tegen de uitspraak van 13 mei 2016 in behandeling te worden genomen. De Rechtbank heeft in haar uitspraak in onderdeel 2.7 aangenomen dat die doorzending heeft plaatsgevonden en heeft op dat beroep beslist in onderdeel 2.8.

4.27.

De uitspraak op bezwaar is gedagtekend 13 mei 2016.

4.28.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken (artikel 6:7 van de Awb). In dit geval eindigde de termijn op 24 juni 2016.

4.29.

Het beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen (artikel 6:9, lid 1, van de Awb).

4.30.

Het doorgezonden beroepschrift van 30 december 2016 is door de Inspecteur ontvangen op 2 januari 2017 (zie onderdeel 4.22). Het beroepschrift is daarom niet voor het einde van de beroepstermijn (24 juni 2016) ingediend.

4.31.

Niet-ontvankelijkverklaring kan dan ingevolge het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb nog slechts achterwege blijven indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest.

4.32.

Het Hof acht geen feiten of omstandigheden aanwezig waarvan zou moeten worden aangenomen dat de termijnoverschrijding in dit geval verschoonbaar is.

4.33.

Belanghebbende is door de Rechtbank terecht niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep. Het Hof komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil.

Slotsom

4.34.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.35.

Er is geen reden aanwezig om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.36.

Er zijn geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 12 juli 2019 door V.M. van Daalen-Mannaerts, voorzitter, J.M. van der Vegt en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH
’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.