Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:2446

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-07-2019
Datum publicatie
06-12-2019
Zaaknummer
200.259.003_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

artikel 278 eerste lid Rv: Naar vaste rechtspraak dient het beroepschrift de gronden van het hoger beroep te vermelden. Slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden kan van dit vereiste worden afgeweken – namelijk in geval het een zeer korte appeltermijn betreft en de tekst van de beslissing waartegen het beroep wordt gericht nog niet beschikbaar is. Volgens vaste jurisprudentie dient een aanvullend beroepschrift vervolgens met bekwame spoed te worden ingediend, waarbij een termijn van veertien dagen – of een zoveel kortere termijn als overeenstemt met de wettelijke beroepstermijn – heeft te gelden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 278
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Uitspraak : 11 juli 2019

Zaaknummer : 200.259.003/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/03/16/331 R

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. M. Strijks te Roermond.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg (zittingsplaats Maastricht) van 30 april 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 7 mei 2019, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en:

Primair, de schuldsaneringsregeling te beëindigen met toekenning van een schone lei,

Subsidiair, althans een verlenging van de schuldsaneringsregeling uit te spreken, voor de duur van zes maanden, althans een door het hof te bepalen periode.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 juni 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellant] , bijgestaan door mr. Strijks.

- mevrouw [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 18 april 2019;

- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 28 mei 2019,

- het aanvullend verweer van de advocaat van [appellant] , ingekomen ter griffie ter griffie op 13 juni 2019;

- de ter zitting door de advocaat van [appellant] overgelegde stukken, te weten het proces-verbaal van verhoor ten overstaan van de rechter-commissaris d.d. 14 maart 2017 en een eigen verklaring van [appellant] .

3 De beoordeling

3.1.

Bij vonnis van 26 april 2016 is ten aanzien van [appellant] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 354 lid 1 Faillissementswet (Fw) bij wijze van eindoordeel in verband met het verstrijken van de looptijd van de schuldsaneringsregeling, geoordeeld dat [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. De rechtbank heeft daarbij geen toepassing gegeven aan artikel 354 lid 2 Fw, zodat op grond van artikel 358 lid 2 Fw aan [appellant] geen “schone lei” is verleend.

De rechtbank heeft verstaan dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.

3.3.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

[appellant] is van mening dat hij heeft voldaan aan de verplichtingen voortvloeiende uit de schuldsaneringsregeling en dat hij zich daarbij voldoende heeft ingespannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven (artikel 288 lid 1 aanhef en onder c Fw). Daarbij zijn er volgens [appellant] geen nieuwe schulden ontstaan welke niet binnen het tijdsbestek van de WSNP geregeld kunnen worden. Ook heeft [appellant] de oorzaak van zijn slechte financiële situatie aangepakt door het bedrijf dat hij eerst zelf exploiteerde te verkopen en aldaar in loondienst te treden. Aldus heeft [appellant] aan zichzelf gewerkt voor een financieel gezonde toekomst.

[appellant] wordt verweten dat hij zijn informatieverplichting niet is nagekomen. Met name wordt [appellant] verweten dat hij onduidelijk zou blijven over de inhoud van zijn werk, wat zijn huidige rol is binnen zijn voormalige bedrijven en zijn minimale verdiensten. Voornoemde vragen heeft [appellant] zowel schriftelijk alsook mondeling klip en klaar beantwoord. [appellant] is als werknemer in dienst bij [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] . Hij vervult de functie algemeen medewerker en is dan met name bezig met productiewerk en houtbewerking. Hiermee verdient [appellant] een salaris zoals uit de salarisstroken en jaaropgaven blijkt.

3.3.1.

[appellant] heeft duidelijk aangegeven dat hij niet met mevrouw [betrokkene]

samenwoont. [appellant] heeft zijn eigen woning en betaalt daar iedere maand zijn eigen

kosten. Het moge zo zijn dat [appellant] en mevrouw [betrokkene] de nacht wel eens samen doorbrengen, dit betekent niet dat zij bij elkaar woonachtig zijn. Ook al is de WSNP op [appellant] van toepassing, dit laat onverlet dat het hem toegestaan is over een privéleven te beschikken.

Hetgeen de rechtbank over het al dan niet gebruiken van een leaseauto opmerkt is volgens [appellant] niet relevant. Juist is de opmerking dat met de kosten privégebruik auto geen rekening wordt gehouden in de vtlb-berekening. Tussen de werkgever en [appellant] is overeengekomen dat [appellant] geen privégebruik meer zou maken van de bedrijfsauto. Als productie 6 overlegt [appellant] de verklaring van de werkgever van [appellant] . Het staat [appellant] vrij in een auto van het bedrijf te rijden, ook privé wanneer hij maximaal 500 kilometer per jaar rijdt. Dat is het geval. Nu de reiskostencorrectie met terugwerkende kracht uit de vtlb berekening is gehaald zijn schuldeisers ook niet benadeeld. Hetzelfde geldt voor de kledingvergoeding. De schuldeisers hebben hier juist profijt van.

3.3.2.

De bewindvoerder heeft in eerste aanleg te kennen gegeven dat zij vanaf het begin van deze WSNP het gevoel gehad heeft dat er dingen niet volgens de regels gaan of dat er onjuiste informatie werd verstrekt. Dan had de bewindvoerder vanaf het begin af aan adequaat moeten optreden en duidelijke waarschuwingen moeten geven, althans de WSNP tussentijds moeten beëindigen. Ook na het verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 14 maart 2017 heeft [appellant] niets vernomen. [appellant] heeft nimmer een waarschuwingsbrief van de rechter-commissaris ter zake kernverplichtingen ontvangen. [appellant] ging er dan ook vanuit dat hij zich aan de verplichtingen hield. Nu kreeg [appellant] nog geen maand voor de eindzitting een verslag opgestuurd waarin hem allerlei verwijten worden gemaakt gebaseerd op een waardeloos rapport. Helaas is de rechtbank hierin meegegaan.

Het moge duidelijk zijn dat het boedelactief bij het einde van een verlengde

schuldsanering meer zal bedragen dan indien de schuldsanering thans wordt beëindigd.

Gelet hierop acht [appellant] een beëindiging van de schuldsanering zonder schone lei in dit

geval niet in het belang van de schuldeisers.

Voorts heeft [appellant] zich aan de financiële verplichtingen gehouden. Dat afgezet tegen de

belangen van zowel [appellant] alsook van de schuldeisers bij voortzetting van de

schuldsaneringsregeling kan een en ander een beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder schone lei niet rechtvaardigen.

3.4.

Hieraan is door en namens [appellant] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd.

In het aanvullend verweer zijn geen nieuwe gronden en ook geen nieuwe grieven opgevoerd.

Het proces-verbaal van verhoor ten overstaan van de rechter-commissaris d.d. 14 maart 2017 is niet aangemerkt als een gemist processtuk.

Het inkomen van [appellant] is in de loop der jaren wel degelijk gestegen. In 2014 was nog sprake van een crisis. [appellant] was al blij dat hij werk had, maar gelet op de financiële toestand van het bedrijf zat er geen salarisverhoging in. In de visie van [appellant] was de situatie in 2016 niet veel beter. Op een gegeven moment is [appellant] meer gaan verdienen en toen moest hij de huurtoeslag terugbetalen. [appellant] is een nettoloon gaan verdienen. Dat was met mevrouw [betrokkene] zo afgesproken. Alle personen die daar werkten hadden dezelfde regeling.

De arbeidsinspanning staat niet ter discussie. Voor de hoogte van het salaris is een verklaring gegeven. [appellant] heeft zijn best gedaan door maximaal te werken.

Op een gegeven moment zijn beide zonen bij [appellant] gaan wonen. De toeslagen heeft [appellant] toen mogen houden. Hoe hoger het inkomen stijgt, hoe lager de toeslagen uitvallen.

[appellant] is 50 plus en komt niet zomaar aan een andere baan. Hij heeft zijn profiel uitgezet aan contacten in de markt. Het is echter kommer en kwel. In 2016 was er ook nog steeds crisis.

De zoon van [appellant] heeft het LinkedIn profiel aangemaakt en vermeld dat [appellant] manager was bij [de vennootschap 3] , maar feitelijk is [appellant] houtbewerker. Dat was in 2011. De vermelding ‘manager’ moet gezien worden in verband met de contacten die [appellant] destijds voor het bedrijf met Zweden had.

[appellant] had enkel klantcontacten op puur technisch gebied. Mevrouw [betrokkene] deed de rest van de contacten. In 2014 heeft mevrouw [betrokkene] [de vennootschap 2] opgericht.

Waar [appellant] woonde was ook het kantoor, verbonden aan het woonhuis, dat vond mevrouw [betrokkene] wel handig. Daarom kwam er ook post bij [appellant] aan van [appellant] beheer na afwikkeling van de aandelenoverdracht.

Mevrouw [betrokkene] is niet meer dan een vriendin van de zus van [appellant] .

[appellant] had het op een gegeven moment zwaar met het betalen van kinderalimentatie en zat met zijn bedrijf in de financiële problemen. Eind 2013 kon er alleen een nieuw contract met [de vennootschap 4] worden afgesloten als mevrouw [betrokkene] het bedrijf zou overnemen.

Dat [appellant] heeft verzuimd aan de bewindvoerder door te geven dat hij op vakantie was gegaan met mevrouw [betrokkene] is juist.

Met betrekking tot de fiscale bijtelling van de auto is geregeld dat de auto niet langer op naam van [appellant] staat.

De terugbetaling huurtoeslag was aanvankelijk € 640,--. Daarvan staat nu nog € 240,-- open.

De boedelachterstand van € 2.000,-- is gedeeltelijk ingelopen, omdat [appellant] zijn vakantiegeld van

€ 1.600,-- heeft afgedragen. In december 2018 zijn toeslagen afgedragen aan de boedel. Dat was een bedrag van € 2.075,--.

3.5.

De bewindvoerder heeft in haar brief van 28 mei 2019 het volgende aangevoerd.

“Gedurende de hele looptijd van de wsnp heeft de heer [appellant] verklaard geen relatie te hebben met mevrouw [betrokkene] . Dit ook ten overstaan van de rechter-commissaris tijdens het verhoor van 14 maart 2017. Pas tijdens de eindzitting heeft [appellant] aangegeven toch een relatie te hebben met mevrouw [betrokkene] . Naar mening van bewindvoerder is hiermee aangetoond dat de heer [appellant] zich niet aan de informatieplicht heeft gehouden.

Het is [appellant] zoals ieder ander toegestaan om relaties te hebben. Het is dan ook

onduidelijk waarom [appellant] vanaf het begin van de wsnp niet gewoon de waarheid heeft

verteld over zijn relatie met mevrouw [betrokkene] .

Daarnaast heeft [appellant] niet de waarheid verteld over de functie die hij vervult bij [de vennootschap 2]

en [de vennootschap 5] . Uit de e-mail gevoegd bij bijlage G blijkt dat de heer [appellant] in

mei 2016, toen hij nog geen contract had bij [de vennootschap 5] hier wel al werkte. Desgevraagd tijdens

het verhoor kon [appellant] geen antwoord geven op de vragen van de rechter-commissaris.

Gelet op de verhouding tussen [betrokkene] en [appellant] vindt bewindvoerder de reactie van

saniet ongeloofwaardig.

Verder heeft de heer [appellant] tijdens het verhoor en de eindzitting aangegeven regelmatig

privé gebruik te maken van diverse bedrijfsauto’s. Bij weten van de bewindvoerder dient

normaliter de werknemer een verklaring geen privégebruik auto bij de belastingdienst aan

te vragen, indien er minder dan 500 km per kalenderjaar aan privé-kilometers wordt

afgelegd. Daarnaast dient er dan een km-registratie te worden bijgehouden houden.

Hoewel [appellant] meerdere malen heeft aangegeven wel privé gebruik te maken van een

auto van de zaak, zijn geen km-registraties ontvangen. Dit kan leiden tot een naheffing

van de belastingdienst, die bij een controle tot 5 jaar terug mag rekenen. Tot heden is

onduidelijk of [appellant] de belastingdienst op de hoogte heeft gebracht van het privé gebruik

van de bedrijfsauto’s en de bijbehorende km-registratie heeft bijgehouden. [appellant] heeft

hieromtrent onvoldoende dan wel onjuist geïnformeerd. Indien er achteraf een bijtelling

zou plaatsvinden, zou dit het bruto-inkomen van [appellant] duidelijk verhogen. Daar met

privégebruik van de auto geen rekening wordt gehouden tijdens de wsnp, is het

waarschijnlijk dat in ieder geval een nieuwe schuld zal ontstaan aan de belastingdienst.

Tevens zal dit gevolgen hebben voor de hoogte van de reeds toegekende toeslagen.

Uit de bijgevoegde salarisstroken blijkt dat de heer [appellant] , hoewel hij steeds meer uren

ging werken, netto nooit meer ging verdienen. Het bruto salaris van andere werknemers

bij [de vennootschap 5] was beduidend hoger dan het bruto salaris van de heer [appellant] , die

naar buiten toe wel als contactpersoon optreedt, zoals uit de algemene voorwaarden

blijkt. Ondergetekende wordt sinds 2005 benoemd als bewindvoerder in wsnp-zaken en

heeft in al haar dossiers nog nooit een arbeidscontract gezien, waarbij de werknemer er

jaarlijks op achteruit gaat in inkomen gerekend naar het aantal uren dat er gewerkt wordt.

Zelfs uitkeringsgerechtigden ontvangen jaarlijks per 1 januari en 1 juli een verhoging van

de uitkering. Het totale maandelijks inkomen van [appellant] is gedurende de looptijd van de

wsnp gedaald hoewel hij in de loop van de wsnp steeds meer uren is gaan werken.

Hierdoor zijn de schuldeisers benadeeld.

Met betrekking tot het verzoek tot verrekening van de aanslagen BsGW 2017 en 2018

met de afdrachten heeft de rechter-commissaris beslist dat deze niet ten laste van de

boedel gebracht mogen worden na het rapport van [naam] . Dit heeft tot gevolg dat er geen

sprake meer is van een surplus in de afdrachten, maar van een tekort van € 85,77

Met betrekking tot het rapport van [naam] is bewindvoerder van mening dat dit is opgesteld

door een onafhankelijk persoon die geen baat heeft bij de bevindingen zoals die

beschreven zijn in het rapport.”

3.6.

Hieraan is door de bewindvoerder ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd.

In 2016 had [appellant] voordat hij de schuldsanering inging zorgverlof en lag zijn inkomen onder de beslagvrije voet. Gedurende die periode is het inkomen lager geweest, maar als het inkomen stijgt, moet dat wel meteen worden doorgegeven aan de belastingdienst en dan moeten de teveel ontvangen toeslagen worden terugbetaald. . Het is juist dat het gehele vakantiegeld is ingezet om de boedelachterstand in te lopen. Als alleenstaande ouder krijgt [appellant] behoorlijke toeslagen. [appellant] heeft die toeslagen niet extra hoeven afdragen aan de boedel.

De waarde van de goederen die zich in de loods bevonden bedroeg € 1.500,--. Dat bedrag is afgedragen aan de boedel. De boot is apart verkocht voor € 1.200,--.

3.7.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.7.1.

Bij het einde van de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, dient op de voet van artikel 354 lid 1 Fw te worden vastgesteld of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Bij deze vaststelling geldt als maatstaf of een tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken. Ingevolge artikel 354 lid 2 Fw dient de rechter voorts na te gaan of er aanleiding bestaat om te bepalen dat een tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft.

Het beroepschrift en het aanvullend verweer

3.7.2.

Op 13 juni 2019, dertien dagen voorafgaand aan de mondelinge behandeling op 26 juni 2019, is namens [appellant] een aanvullend beroepschrift, genaamd “aanvullend verweer” met producties ingediend.

Gelet op de aard en strekking van de grieven in het beroepschrift van 8 mei 2019 en in de pleitnota van 18 april 2019 waarnaar is verwezen in het beroepschrift, en hetgeen door [appellant] in het aanvullend verweer van 13 juni 2019 is aangevoerd, is het hof van oordeel dat dit aanvullend verweer, voor zover het nieuwe gronden bevat, feitelijk dient te worden aangemerkt als een aanvulling van de gronden, en derhalve niet als (aanvullende) feitelijke onderbouwing van eerder aangevoerde grieven.

Met betrekking tot het aanvullen van gronden overweegt het hof in dat verband het volgende.

3.7.3.

Naar vaste rechtspraak dient het beroepschrift, met overeenkomstige toepassing van artikel 278 eerste lid Rv, de gronden van het hoger beroep te vermelden. Slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden kan van dit vereiste worden afgeweken – namelijk in geval het een zeer korte appeltermijn betreft en de tekst van de beslissing waartegen het beroep wordt gericht nog niet beschikbaar is – in welk geval kan worden volstaan met een ‘blanco’ beroepschrift. Meer in het bijzonder bij het instellen van rechtsmiddelen in het kader van de wettelijke schuldsanering is regel dat, zo men op dat moment niet tijdig kan beschikken over een essentieel processtuk (zoals bijvoorbeeld het vonnis waartegen men wil appelleren), in het hoger beroepschrift het voorbehoud dient te worden gemaakt tot aanvulling van gronden in verband met het niet tijdig kunnen beschikken over een essentieel processtuk (zie i.h.a. ook Wessels Insolventierecht IX, 3e druk, 2012, par. 9075).

Volgens vaste jurisprudentie dient zo’n aanvullend beroepschrift vervolgens met bekwame spoed te worden ingediend, waarbij een termijn van veertien dagen – of een zoveel kortere termijn als overeenstemt met de wettelijke beroepstermijn – heeft te gelden. Waar in zaken als de onderhavige geldt dat gedurende acht dagen hoger beroep kan worden ingesteld, heeft deze termijn eveneens te gelden voor indiening van een aanvullend beroepschrift, zulks op straffe van niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep respectievelijk van de nader aangevoerde gronden.

3.7.4.

Na het op 7 mei 2019 ter griffie ingekomen beroepschrift heeft de advocaat van [appellant] vervolgens op 13 juni 2019, ongeveer 5 weken na indiening van het inleidend beroepschrift, een aanvullend verweer met producties ingediend, welk verweer, in elk geval grotendeels, door het hof is aangemerkt als een aanvulling van de gronden, ter griffie ingediend. Gelet op de hierboven weergegeven vaste jurisprudentie zijn de geformuleerde grieven in het aanvullend verweer ruimschoots te laat in het geding gebracht. Dit daargelaten nog het feit dat in het inleidende beroepschrift niet het voorbehoud is gemaakt tot het aanvullen van gronden in verband met het niet tijdig kunnen beschikken over een essentieel processtuk; het vonnis waarvan beroep was in elk geval ook aan het beroepschrift van 8 mei 2016 gehecht. In het beroepschrift is slechts in algemene zin (onderdeel 5) aangekondigd dat [appellant] nog de gronden voor de behandeling zal aanvullen. Hetgeen hiervoor is overwogen brengt met zich dat het hof hetgeen [appellant] in het aanvullend verweer van 13 juni 2019 als nieuwe grieven aanvoert tegen het vonnis, waarvan beroep, als tardief aanmerkt. Het hof zal het aanvullend beroepschrift voor het overige wel in de oordeelsvorming betrekken en, ten overvloede ook gedeelten van de tardieve aanvulling. . Het hof overweegt wellicht ten overvloede dat niet is gesteld of anderszins is gebleken dat de advocaat niet in staat is geweest binnen de hiervoor vermelde (extra) termijn in een aanvullend beroepschrift grieven te formuleren tegen het vonnis, waarvan beroep, omdat hij niet (tijdig) de beschikking heeft gehad over een essentieel processtuk, zoals bijvoorbeeld het bestreden vonnis.

De inhoudelijke beoordeling

3.7.5.

Het hof zal de diverse grieven, die zich richten tegen de oordelen van de rechtbank ten aanzien van de naleving van de zogenaamde kernverplichtingen, gezamenlijk behandelen.

3.7.5.1. Met betrekking tot de inspanningsplicht van [appellant] overweegt het hof het volgende. Vooropgesteld wordt dat op [appellant] gedurende de toepassing van de schuldsaneringsregeling de volledige arbeidsplicht rust en hij derhalve minimaal 36 uur per week betaalde arbeid dient te verrichten.

Blijkens de tussen [de vennootschap 2] en [appellant] gesloten arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 1 januari 2015 is [appellant] met ingang van laatstvermelde datum in dienst getreden als algemeen medewerker tegen nettosalaris van € 1.300,-- per maand op basis van een 32-urige werkweek.

Op 15 juni 2016 is vervolgens een nieuwe arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten tussen [de vennootschap 2] en [appellant] , waarbij [appellant] 38 uur werkzaam is tegen een nettosalaris van € 1.300,-- per maand.

Vervolgens is [appellant] , blijkens de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van 3 juli 2017,

op 15 juli 2017 in dienst getreden bij [de vennootschap 5] voor 8 uur per week tegen een nettosalaris van € 1.300,-- per maand op basis van een 40-urige werkweek.

Het hof stelt aan de hand van het door de bewindvoerder overgelegd overzicht inkomen en afdrachten vast dat vanaf het moment dat [appellant] is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling hij gedurende 3 jaar een nettosalaris van gemiddeld € 1.450,-- netto per maand heeft genoten en dat hij gemiddeld € 400,-- per maand heeft moeten afdragen aan de boedel.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het hof, anders dan de bewindvoerder, van oordeel dat [appellant] zich onvoldoende heeft ingespannen met betrekking tot zijn arbeidsplicht. Het hof overweegt in dat verband dat niet valt in te zien dat [appellant] , gelet op zijn ruime ervaring als zelfstandig ondernemer, in het kader van werkzaamheden in het door hemzelf overgedragen bedrijf geen hoger marktconform salaris had kunnen bedingen bij zijn huidige werkgever - die het bedrijf heeft overgenomen zonder enige ervaring in de betreffende branche -, zodat hij met dit hogere salaris meer had kunnen sparen voor zijn schuldeisers dan wel had kunnen aflossen bij zijn schuldeisers. Bovendien is [appellant] vanaf de aanvang van de schuldsaneringsregeling werkzaam geweest tegen een netto-inkomen van ongeveer

€ 1.300,-- per maand – indien hij 40 uur per week werkzaam zou zijn – (later iets meer), heeft het meer uren gaan werken geen (serieuze) verhoging bewerkstelligd en heeft hij vervolgens geen enkele inspanning verricht om bij zijn werkgever een serieuze salarisverhoging te bewerkstelligen. [appellant] heeft weliswaar aangevoerd dat een hoger inkomen zou betekenen dat hij de toeslagen - als ontvangen vanwege de hoogte van zijn daadwerkelijk te ontvangen inkomen, en die hij in het kader van het vtlb geheel of nagenoeg geheel zelf mocht houden en besteden - geheel of gedeeltelijk zou verliezen. Maar deze verklaring kan niet anders worden begrepen dan dat [appellant] , zelfs gedurende de overzichtelijke duur van de schuldsanering, zijnde drie jaar, aan zijn eigen feitelijke inkomenspositie een grotere voorrang heeft gegeven dan aan het zo veel mogelijk sparen voor zijn schuldeisers, die meer dan € 180.000,= van hem te vorderen hebben. Dit duidt in het geheel niet op de vereiste saneringsgezinde houding bij [appellant] .

Op grond hiervan is het hof van oordeel dat [appellant] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de aan hem opgelegde inspanningsplicht.

Het hof ziet geen aanleiding om op de voet van artikel 354 lid 2 Fw te bepalen dat deze tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft.

Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] terecht heeft beëindigd zonder toekenning van de “schone lei”.

3.7.5.2 Voorts staat vast dat [appellant] , onder meer tijdens het verhoor door de rechter-commissaris, niet transparant is geweest aangaande zijn relatie met mevrouw [betrokkene] , zijn werkgever sinds 2014 nadat zij zijn bedrijf had overgenomen voor € 1,=. [appellant] heeft verklaard dat een grote klant aandrong op deze overdracht maar alsdan blijft onverklaard waarom dan niet dat aspect ook vertaald is in enig overnamebedrag. Verder heeft [appellant] pas ter zitting bij de rechtbank in eerste aanleg, nadat hij werd geconfronteerd met bevindingen uit een recherche rapport, erkend dat hij meer dan een zakelijke relatie had met mevrouw [betrokkene] . Eveneens heeft [appellant] nagelaten de bewindvoerder te informeren over zijn vakantie met mevrouw [betrokkene] , waarvan de kosten volledig door mevrouw [betrokkene] betaald zouden zijn. Uiteraard heeft [appellant] recht op zijn privéleven maar juist in een situatie waarbij vragen zijn over het verdiende loon van [appellant] – in het bijzonder of dit wel in overeenstemming is met de daadwerkelijke loonwaarde van zijn inspanningen voor het bedrijf van mevrouw [betrokkene] – is transparantie gewenst over een vriendschappelijke relatie (met seks) en door [betrokkene] voor [appellant] betaalde kosten zoals vakantie en alles wat daar bij hoort, alsook etentjes. Het was immers [appellant] zelf die de zakelijke relatie vermengde met een privérelatie. Evenmin heeft [appellant] geloofwaardig kunnen toelichten waarom ook na de overdracht van zijn bedrijf nog zakelijke post op zijn woonadres als eenvoudig medewerker bleef binnenkomen en hij bovendien ook na de overdracht en na toelating tot de schuldsanering in mei 2016 op sociale media als manager stond vermeld van de betreffende bedrijven van mevrouw [betrokkene] , inclusief de pas na overdracht door mevrouw [betrokkene] opgerichte vennootschap [de vennootschap 2] .
[appellant] is aldus toerekenbaar de op hem rustende spontane informatieplicht in onvoldoende mate nagekomen, hetgeen niet op de voet van artikel 354 lid 2 Fw buiten beschouwing kan blijven.

3.7.6.

Op zich is ingevolge HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935 verlenging van de termijn van schuldsanering ook mogelijk na afloop van de looptijd als in het toelatingsvonnis vermeld.

Het hof acht echter geen termen aanwezig om de termijn van de wettelijke schuldsaneringsregeling te verlengen. Het hof acht de tekortkoming in de nakoming van de inspanningsplicht en de informatieplicht van [appellant] daarvoor te ernstig, terwijl het hof er geen vertrouwen in heeft – gelet op de verslagen van de bewindvoerder en mede gegeven de opstelling van [appellant] tijdens de mondelinge behandeling ten aanzien van de besproken punten – dat bij een eventuele verlenging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling daar enige verbetering in zal optreden.

Het evidente belang van [appellant] bij verlenging maakt dit niet anders. De belangen van de crediteuren lijken meer gebaat bij het niet verlenen van de schone lei, omdat zij alsdan na ontvangst van hun deel van het gespaarde voor het gehele restant nog steeds verhaal kunnen zoeken op [appellant] , in plaats van ontvangst van hun deel van relatief weinig extra afdrachten in een verlengde periode.

3.8.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

wijst af het meer of anders verzochte.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, R.R.M. de Moor en A.L. Bervoets en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2019.