Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:2431

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-07-2019
Datum publicatie
24-07-2019
Zaaknummer
200.256.508_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging ondertoezichtstelling. Geen wettelijke grondslag. Hulpverlening in vrijwillig kader was en is toereikend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 11 juli 2019

Zaaknummer : 200.256.508/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/347314 / JE RK 18-1279

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende op een bij het hof bekend adres,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. C.E.J.E. Kouijzer,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland,

locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Betreffende de minderjarige:

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] ,

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

Stichting Intervence,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (de GI).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 22 januari 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift van 15 maart 2019, met producties, ingekomen ter griffie op diezelfde datum, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] af te wijzen, kosten rechtens.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen.

2.3.

Het hof heeft voorts kennis genomen van:

- het V6-formulier van de advocaat van de moeder van 21 maart 2019, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 22 maart 2019;

- het V6-formulier van de advocaat van de moeder van 20 mei 2019, met bijlage, ingekomen ter griffie op 21 mei 2019;

- het V6-formulier van de advocaat van de moeder van 29 mei 2019, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 31 mei 2019;

- het V6-formulier van de advocaat van de moeder van 3 juni 2019, met bijlage, ingekomen bij het hof op diezelfde datum.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 juni 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de advocaat van de moeder;

de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

2.4.1.

De moeder en de GI zijn met bericht van verhindering niet ter zitting verschenen.

2.4.2.

De minderjarige [minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hier geen gebruik van gemaakt.

2.4.3.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder aan het hof en de raad een afschrift overgelegd van een brief van de GI aan de moeder van 28 mei 2019, met bijlagen.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de moeder is geboren:

- [minderjarige] , op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige] ).

3.2.

De moeder heeft het gezag over [minderjarige] . [minderjarige] woont bij de moeder.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 22 januari 2019 tot 22 juli 2019.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert het volgende aan. De moeder kan zich niet vinden in de ondertoezicht-stelling. De moeder heeft zich immers na de eerste mondelinge behandeling in augustus 2018 direct aangemeld bij het CJG. Vervolgens is de benodigde hulp in het vrijwillig kader opgestart. Maatschappelijk werk coördineert de hulpverlening en helpt de moeder bij praktische zaken. Ook krijgt de moeder ondersteuning vanuit Weerwerk en de praktijkondersteuner van de huisarts. Er zal bewindvoering worden aangevraagd. Er vindt iedere 6 weken een overleg plaats. [minderjarige] is na de zomervakantie in 2018 op een nieuwe school gestart en is daar gedragsmatig aantoonbaar vooruitgegaan. Er is geen sprake meer geweest van schoolverzuim. [minderjarige] heeft aldus geprofiteerd van de verhuizing.

De raad heeft vervolgens in de aanloop naar de tweede mondelinge behandeling bij de rechtbank in januari 2019 geen nader onderzoek gedaan en heeft zich gebaseerd op verouderde informatie. Het raadsrapport dateert immers van juli 2018. De moeder daarentegen heeft zoveel mogelijk actuele informatie in het geding proberen te brengen waaruit bleek dat het goed ging met de moeder en [minderjarige] . Nadat de kinderrechter de ondertoezichtstelling alsnog heeft opgelegd in januari 2019 is er pas in de meivakantie een gezinsvoogdijwerker toegewezen aan [minderjarige] . De GI heeft in die korte periode enkel geobserveerd en aangegeven geen verlenging van de ondertoezichtstelling te zullen verzoeken gelet op het feit dat de hulpverlening in het vrijwillig kader toereikend is. Aangezien de positieve situatie al bestond ten tijde van de zitting in januari 2019 is de ondertoezichtstelling door de rechtbank onterecht opgelegd.

3.6.

De raad voert het volgende aan. De zitting in januari 2019 is op een ongelukkig moment gekomen. Indien de zaak destijds opnieuw was aangehouden dan was reeds toen gebleken dat een ondertoezichtstelling niet nodig was. Met de kennis van nu is duidelijk dat de moeder het ook destijds al zelf kon. De doelen zijn behaald en het gaat goed met [minderjarige] en de moeder. [minderjarige] heeft iemand op school met wie hij kan praten, hetgeen goed lijkt te werken. De moeder heeft persoonlijke hulpverlening en staat er ook voor open. De regievoering in het vrijwillig kader verloopt goed. De raad heeft er tenslotte vertrouwen in dat er gewerkt wordt aan het leggen van contact tussen [minderjarige] en zijn vader. [minderjarige] is nieuwsgierig naar zijn vader en de moeder staat niet afwijzend tegenover het contact tussen [minderjarige] en zijn vader.

3.7.

Het hof overweegt het volgende.

3.7.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.7.2.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 27 augustus 2018 de zaak aangehouden om de moeder en [minderjarige] de kans te geven de benodigde hulpverlening zelf op te pakken. De moeder heeft vervolgens hulpverlening voor zowel haarzelf als voor [minderjarige] ingeschakeld, welke hulp door maatschappelijk werk wordt gecoördineerd. Daarnaast heeft [minderjarige] zich in positieve zin ontwikkeld. Hij heeft een vertrouwenspersoon op school met wie hij goed

kan praten, er is geen schoolverzuim meer geweest en [minderjarige] gaat op school goed vooruit. De moeder heeft aangegeven hierover zoveel mogelijk informatie te hebben overgelegd aan de rechtbank ten behoeve van de mondelinge behandeling in januari 2019. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 22 januari 2019 blijkt dat de raad geen nader onderzoek heeft verricht.

Dit betekent dat er ten tijde van de mondelinge behandeling in januari 2019 voor de rechtbank onvoldoende recente informatie van de kant van de raad beschikbaar was. Met de kennis van nu blijkt dat de moeder al sinds de verhuizing in de zomer van 2018 grote stappen vooruit heeft gezet en de benodigde hulp heeft ingeschakeld. Ook is gebleken dat de hulpverlening het beoogde effect heeft. Daar komt bij dat pas in de meivakantie van 2019 een gezinsvoogdijwerker aan de moeder en [minderjarige] is toegewezen. Kort daarop heeft de GI geconcludeerd geen verlenging van de ondertoezichtstelling te verzoeken omdat de hulpverlening in het vrijwillig kader toereikend is. Daarnaast heeft de raad ter zitting bij het hof aangegeven dat met de informatie die nu beschikbaar is gekomen de ondertoezichtstelling door de raad destijds niet zou zijn verzocht.

Gelet op het voorgaande was er ten tijde van de bestreden beschikking en is er ook nu geen wettelijke grondslag voor een ondertoezichtstelling, omdat de moeder passende hulpverlening in het vrijwillige kader accepteert. Het hof overweegt in dit kader ook dat een ondertoezichtstelling een zeer verstrekkende maatregel is die niet al te lichtvaardig mag worden opgelegd.

3.7.3.

Dit leidt er toe dat de bestreden beschikking vernietigd wordt en het inleidende verzoek van de raad alsnog zal worden afgewezen.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 22 januari 2019;

en opnieuw recht doende:

wijst alsnog af het inleidend verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] ;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, E.L. Schaafsma-Beversluis en A.J.F. Manders en is op 11 juli 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.