Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:2422

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-07-2019
Datum publicatie
23-07-2019
Zaaknummer
200.241.249_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:2911, Overig
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer : 200.241.249/01

zaaknummer rechtbank : C/03/244247 / FA RK 17-4912

beschikking van de meervoudige kamer van 11 juli 2019

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. A.M.A. Kok-Verheijde te Tegelen,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.M.P. Gerrits te Wijchen.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Roermond) van 28 maart 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vrouw is op 21 juni 2018 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking.

2.2

De man heeft op 2 augustus 2018 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 27 februari 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de man met bijlagen, ingekomen op 1 april 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw met bijlagen, ingekomen op 1 april 2019.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 11 april 2019 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Het huwelijk van partijen is op 29 oktober 2008 ontbonden door echtscheiding.

3.3

Partijen zijn de ouders van de jongmeerderjarige [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2000.

3.4

Bij echtscheidingsbeschikking van 22 oktober 2008 heeft de rechtbank Amsterdam bepaald dat de regeling, zoals tussen partijen overeengekomen in het aan die beschikking gehechte convenant, deel uitmaakt van de beschikking. In het convenant is, voor zover thans van belang, opgenomen dat de man aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) betaalt een bedrag van € 1.000,-- per maand. Voorts is in het convenant het volgende opgenomen:

“2.6 Partneralimentatie

Partijen wijken af van de alimentatieberekening volgens de Trema-normen. Zij komen zelf het volgende overeen:

De man verstrekt aan de vrouw een partneralimentatie van € 1.000,00 bruto per maand, te voldoen op de eerste van de maand (…)

2.8

Maximale inkomsten arbeidsverhouding

Indien de vrouw inkomsten uit een arbeidsverhouding verwerft, dan worden die inkomsten tot maximaal € 500,00 bruto per maand niet in mindering gebracht op de partneralimentatie. Het meerdere wordt voor de helft in mindering gebracht op de partneralimentatie. (…)”

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van [jongmeerderjarige] met ingang van 1 januari 2018 bepaald op nihil, de partneralimentatie met ingang van 15 december 2017 bepaald op nihil en bepaald dat partijen ten aanzien van de partnerbijdrage over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben.

4.2

De grieven van de vrouw zien op de ontvankelijkheid van de man in zijn inleidend verzoek, de nihilstelling van de partneralimentatie, de behoefte van de vrouw, de aanvullende behoefte van de vrouw, de draagkracht van de man, de bepaling dat de man geen achterstallige alimentatie verschuldigd is en de hoogte van de partneralimentatie.

De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- de man in zijn verzoek tot wijziging en vermindering van de partneralimentatie niet-ontvankelijk te verklaren, althans hem dit te ontzeggen als onjuist en ongegrond;

- te bepalen dat de partneralimentatie ongewijzigd blijft tot 1 januari 2018;

- te bepalen dat de partneralimentatie per 1 januari 2018 wordt gesteld op € 1.450,-- per maand;

- te bepalen dat de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van [jongmeerderjarige] met ingang van 1 januari 2018 op nihil worden gesteld;

kosten rechtens.

Ter zitting heeft de (advocaat van de) vrouw verklaard dat de vrouw instemt met de nihilstelling van de partneralimentatie met ingang van 15 december 2017 en dat zij haar verzoek om de partneralimentatie per 1 januari 2018 vast te stellen op € 1.450,-- per maand intrekt.

4.3

De man verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en het hoger beroep van de vrouw alsmede de opgeworpen grieven te verwerpen, subsidiair te bepalen dat de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw is geëindigd per 1 januari 2016, dan wel per een door het hof juist geachte ingangsdatum, op grond van artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (BW), primair en subsidiair met compensatie van de proceskosten in die zin dat iedere partij zijn/haar eigen proceskosten draagt.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Nu de vrouw haar grieven gericht tegen de nihilstelling van de partneralimentatie met ingang van 15 december 2017 niet langer handhaaft en haar verzoek om de partneralimentatie per 1 januari 2018 vast te stellen op € 1.450,-- per maand intrekt, behoeven deze grieven geen nadere bespreking.

Voorts gaat het hof voorbij aan het verzoek van de vrouw te bepalen dat de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van [jongmeerderjarige] met ingang van 1 januari 2018 op nihil worden gesteld. De vrouw heeft, nog daargelaten de vraag of zij in zoverre ontvankelijk is in haar hoger beroep, daar geen belang bij aangezien dat in de bestreden beslissing reeds zo is bepaald.

Het verzoek in hoger beroep beperkt zich derhalve tot de beslissing van de rechtbank dat partijen ten aanzien van de partnerbijdrage over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben.

Nadere overeenkomst

5.2

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof – na eigen beoordeling en waardering – overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat niet is gebleken van een nadere overeenkomst tussen partijen ten aanzien van de partneralimentatie over de periode vóór 15 december 2017.

Wijziging van omstandigheden

5.3

Ingevolge artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Naar het hof is gebleken, en zoals ook de rechtbank heeft overwogen, is sprake van gewijzigde omstandigheden welke een herbeoordeling van de partneralimentatie rechtvaardigen. De man is niet langer ondernemer als gevolg van een faillissement en zijn inkomen is gewijzigd, de vrouw heeft haar arbeidsduur aangepast en [jongmeerderjarige] is meerderjarig geworden.

Hoogte van de behoefte vrouw

5.4

Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw haar stelling dat de hoogte van haar behoefte niet is vastgesteld in het convenant en dat moet worden uitgegaan van de hofformule, gelet op de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende onderbouwd. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat een redelijke uitleg van bepaling 2.8 van het convenant, in samenhang met bepaling 2.6, meebrengt dat de behoefte van de vrouw destijds is vastgesteld op (maximaal) € 1.500,-- per maand. De partneralimentatie bedraagt ingevolge het convenant € 1.000,-- per maand en inkomsten van de vrouw uit arbeid werden tot een bedrag van € 500,-- per maand niet in mindering gebracht op de partneralimentatie. Partijen gingen ervan uit dat € 1.500,-- voldoende was voor de maandelijkse kosten van de vrouw. Uit het convenant blijkt bovendien dat partijen nadrukkelijk zijn afgeweken van de tremanormen.

Behoeftigheid van de vrouw

5.5.1

De vrouw voert aan dat zij behoeftig is. Zij heeft zich ingespannen om zoveel mogelijk te werken en is hier tijdelijk in geslaagd. Door de zorg voor [jongmeerderjarige] was het voor de vrouw niet mogelijk fulltime te gaan werken. De vrouw is inmiddels 49 jaar en heeft geen specifieke opleiding gehad, hetgeen haar bemoeilijkt haar werkzaamheden uit te breiden. De vrouw heeft er bezwaar tegen dat zij met terugwerkende kracht genoegen moet nemen met de partneralimentatie die de man de laatste jaren heeft voldaan. Dit stemt niet overeen met de hoogte van haar behoefte.

5.5.2

De man voert aan dat de vrouw in ieder geval vanaf de ingangsdatum van de verlaging van de partneralimentatie in staat moet worden geacht om (gedeeltelijk) in haar behoefte te voorzien. [jongmeerderjarige] zat toen al op de middelbare school en er is sprake van hoogconjunctuur. De vrouw laat niet zien welke inspanningen zij de afgelopen jaren heeft verricht om haar werkzaamheden uit te breiden. Zij heeft geen bewijzen van sollicitatieactiviteiten overgelegd.

5.5.3

De man is vanaf eind 2012 minder partneralimentatie gaan betalen en hij heeft de door hem betaalde bijdrage jaarlijkse verminderd. Voorts is de vrouw vanaf 2012 betaalde werkzaamheden gaan verrichten, aanvankelijk voor 14 uur per week, hetgeen haar een jaarinkomen van ongeveer € 12.000,-- à € 13.000,-- bruto opleverde en vanaf 2015 voor 18 uur per week hetgeen een jaarinkomen van ruim € 17.000,-- bruto opleverde. In 2017 heeft de vrouw 25 uur per week gewerkt waarmee zij in dat jaar € 22.733,-- heeft verdiend. In 2018 heeft de vrouw blijkens de jaaropgave € 23.536 ,-- verdiend en vermeldt haar salarisstrook vanaf januari een parttime factor van 50% en vanaf februari van 52,97%. In 2019 vermeldt de salarisstrook van januari een parttime factor van 66,67% en vanaf februari een parttime factor van 77,78 %.

De vrouw heeft echter met onvoldoende concrete gegevens onderbouwd dat zij – over de periode gelegen tussen het moment waarop de man een lagere partneralimentatie is gaan betalen en 15 december 2017 – heeft voldaan aan de op haar rustende verplichting om zich voldoende in te spannen om zoveel mogelijk inkomen te genereren waardoor zij (gedeeltelijk) in haar eigen levensonderhoud zou kunnen voorzien. De vrouw heeft nagelaten concreet en met stukken te onderbouwen welke inspanningen, zoals sollicitaties, zij in dat opzicht heeft verricht. Dat de leeftijd van de vrouw en/of haar opleiding en werkervaring en/of haar gezondheidstoestand zouden maken dat de vrouw niet in staat is om haar werkzaamheden verder uit te breiden, is niet onderbouwd. Dit klemt te meer daar de vrouw er in 2017, 2018 en 2019 wél in is geslaagd om haar uren steeds verder uit te breiden. Haar gezondheidstoestand of leeftijd heeft hier kennelijk niet aan in de weg gestaan. Dat de vrouw niet in staat was om ook over de eerdere jaren al haar inkomen te vergroten is dan ook niet komen vast te staan. Bovendien was [jongmeerderjarige] in 2012 al 12 jaar, zodat de vrouw in staat moet worden geacht om naast de zorg voor [jongmeerderjarige] een fulltime dienstverband aan te gaan. Concrete feiten en omstandigheden op grond waarvan anders moet worden aangenomen zijn niet gesteld of gebleken,

Daarbij komt dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat de vrouw bezwaar heeft gemaakt tegen de verlaging van de partneralimentatie. Om voor de vrouw moverende redenen, zijnde het contact tussen de man en [jongmeerderjarige] , heeft de vrouw lange tijd geen actie ondernomen tegen de door de man verlaagde bijdrage en heeft zij pas na het indienen van het inleidend verzoek door de man het LBIO ingeschakeld. Aan een bewijsaanbod wordt, nog daargelaten de vraag of dit voldoende concreet is gemotiveerd, dan ook niet toegekomen.

Gelet op het voorgaande ziet het hof aanleiding om vanaf het moment waarop de man een lagere partneralimentatie is gaan betalen rekening te houden met een dusdanig fictief inkomen aan de zijde van de vrouw waarmee zij, in combinatie met de ontvangen partneralimentatie, volledig in haar behoefte kon voorzien.

Het voorgaande leidt ertoe dat de grief van de vrouw gericht tegen de beslissing van de rechtbank dat partijen ten aanzien van de partnerbijdrage over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben faalt.

6 De slotsom

in het hoger beroep

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen (gewezen) echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw betreft.

7 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg (Roermond) van 28 maart 2018, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, C.A.R.M. van Leuven en J.C.E. Ackermans-Wijn en is op 11 juli 2019 door mr. J.C.E. Ackermans-Wijn uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.