Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:2411

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-07-2019
Datum publicatie
18-07-2019
Zaaknummer
200.255.180_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:11126, Overig
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezagsbeëindigende maatregel. Moeder ontbreekt het aan probleeminzicht en aan intrinsieke motivatie voor hulpverlening. Niet in het belang van de kinderen om het perspectief van de kinderen afhankelijk te maken van de termijn waarop moeder hier wel inzicht en motivatie in toont.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 11 juli 2019

Zaaknummer : 200.255.180/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/251383 / FA RK 18-2249

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. B.H.S. Brinkman,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:

- [de vader] , wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de vader);

- Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, de gecertificeerde instelling, gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna te noemen: de GI);

- [de pleegouders] , beiden wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de pleegouders).

Deze zaak gaat over:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 27 november 2018, zoals hersteld bij beschikking van die rechtbank van 29 januari 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 februari 2019, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, (het hof begrijpt:) het verzoek van de raad – voor wat betreft de beëindiging van haar gezag – af te wijzen, althans een voorziening te treffen die het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 1 april 2019, heeft de GI verzocht (het hof begrijpt:) de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 april 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. R.W.C. Vranken waarnemend voor mr. B.H.S. Brinkman;

- de raad, vertegenwoordigd door mr. [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] .

2.3.1.

De vader en de pleegouders zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 30 oktober 2018;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de moeder op 1 april 2019;

  • -

    de brief met bijlagen van de GI d.d. 9 april 2019;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de moeder op 23 april 2019.

2.5.

Na de mondelinge behandeling in hoger beroep is met toestemming van het hof nog ingekomen een V6-formulier ingediend door de advocaat van de moeder op 13 mei 2019, met als bijlage een verklaring van [praktijkondersteuner] POH-GGZ .

2.6.

De raad en de GI hebben, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet op voornoemde verklaring gereageerd.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader zijn – voor zover hier van belang – geboren:

- [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] .

3.2.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan sinds 9 december 2014 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 9 december 2018.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 25 maart 2016 uit huis geplaatst in een accommodatie jeugdhulpaanbieder. Zij zijn in maart 2016 aanvankelijk in een kortverblijf pleeggezin geplaatst en zij zijn vervolgens in augustus 2016 overgeplaatst naar het huidige perspectiefbiedende pleeggezin.

3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank het gezag van de moeder en de vader beëindigd en de GI tot voogdes over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] benoemd.

3.4.

De moeder kan zich – voor wat betreft de beëindiging van haar gezag – met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting – samengevat – het volgende aan.

Van een effectieve ondersteuning of meedenken vanuit de GI om tot een thuisplaatsing van de kinderen te komen is geen sprake geweest; de GI komt nooit op huisbezoek en toont geen interesse. De moeder wordt door de GI niet in de gelegenheid gesteld om te laten zien dat zij meer kan dan nu het geval is. Tijdens het omgangsweekend ontvangt de moeder maar vier uur begeleiding van AnaCare; de rest van het weekend is de omgang onbegeleid. Dat AnaCare signaleerde dat de kinderen tijdens de omgang individueel bezig waren betrof een eetmoment; AnaCare komt altijd rond etenstijd. Er is bij de moeder een veilige en stabiele opvoedingsplek aanwezig, gelet op het positieve verloop van de omgangsregeling. De moeder heeft het gevoel dat zij door de GI wordt tegengewerkt in de uitbreiding van de omgang met de kinderen; dit blijkt ook in de praktijk het beleid van de GI te zijn.

Uit de niet ingezette hulpverlening en het niet uitbreiden van de omgang mag niet de conclusie worden getrokken dat het perspectief van de kinderen niet meer bij de moeder ligt. De aanvaardbare termijn voor de kinderen is nog niet verstreken.

De moeder heeft zich in het verleden tot PsyQ gewend. PsyQ heeft de moeder daarop terugverwezen naar de praktijkondersteuner van de huisarts; PsyQ kon de moeder niet helpen met haar emotieregulatie-problematiek.

In de beschikking van het hof van 3 mei 2018 heeft het hof kenbaar gemaakt dat het van belang is dat de GI zich alsnog inspant om de moeder te begeleiden om een hulpvraag te formuleren en haar daarin waar mogelijk te begeleiden. De moeder heeft de GI herhaaldelijk verzocht om duidelijkheid te verschaffen over welke hulpverlening door de GI noodzakelijk werd geacht. De GI heeft uiteindelijk in november 2018 een hulpvraag geformuleerd, maar de moeder heeft geen enkele begeleiding van de GI ontvangen op welke wijze deze hulpvraag geëffectueerd zou kunnen worden.

De moeder heeft gesprekken gevoerd met de praktijkondersteuner van de huisarts. De praktijkondersteuner heeft de moeder tips en handvatten gegeven om op een goede manier met haar boosheid om te gaan. Er hebben zich nadien geen incidenten meer voorgedaan tijdens de gesprekken tussen de moeder en de GI.

De huisarts heeft in zijn brief van 6 december 2018 verklaard dat geen sprake is van een duidelijk psychiatrisch beeld bij de moeder. Indien er meer duidelijkheid gewenst zou worden over een vermeend psychiatrisch beeld bij de moeder dan dient volgens de huisarts een onafhankelijk psychiatrisch onderzoek en een indicatiestelling door de rechter te worden opgelegd. Anders dan de GI stelt, heeft de moeder een machtiging aan de GI verstrekt om medische informatie op te vragen en heeft zij ook zelf informatie aan de GI verstrekt.

Door de GI worden er verder allerlei zaken genoemd die niet van belang zijn. De moeder weerspreekt dat het huishouden niet altijd op orde is geweest en dat zij veel wisselende partners heeft (gehad). Wel is tijdens het huwelijk met de vader van de kinderen sprake geweest van huiselijk geweld; dit heeft geleid tot de echtscheiding. De communicatie tussen de moeder en de vader verloopt thans uitstekend en is in het belang van de kinderen; bij problemen met de kinderen wordt er gepraat, geappt of gemaild. De moeder mag van de GI niet communiceren met de pleegouders. Zij kan daardoor geen goede relatie met de pleegouders opbouwen. De kinderen lopen door het incident dat in het pleeggezin heeft plaatsgevonden gevaar in het pleeggezin.

3.6.

De raad heeft ter zitting in hoger beroep verweer gevoerd en het eerder gedane verzoek tot beëindiging van het gezag gehandhaafd. De raad vindt de kwestie van de hulpvraag en wat de moeder ermee doet opvallend. De raad heeft nog steeds het gevoel dat de moeder geen inzicht heeft in wat er aan de hand is. De moeder heeft er nu op zitting wel woorden voor gevonden, maar uit het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt niet wat de moeder concreet met de hulpvraag heeft gedaan.

3.7.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting – samengevat – het volgende aan.

De moeder heeft geen hulpvraag. Door de GI is daar diverse keren wat in aangeboden, maar de moeder heeft daar geen gebruik van gemaakt. De gezinsvoogd heeft de moeder per e-mail in november 2018 terugverwezen naar PsyQ met een hulpvraag en daarbij aangegeven dat verdere diagnostiek nodig was; die heeft tot op heden nog niet plaatsgevonden. De moeder ziet zelf niet in dat zij hulp nodig heeft en toont geen inzicht in zaken die door iedereen worden waargenomen. De GI acht de kans klein dat de door de GI geformuleerde hulpvraag tot een afgerond (psychologisch) behandeltraject leidt; het ontbreekt de moeder aan intrinsieke motivatie. De moeder stelt nu ter zitting gesprekken met de praktijkondersteuner van de huisarts te voeren; dit heeft de moeder niet eerder met de GI gedeeld. Het is de GI onduidelijk wat bij de praktijkondersteuner ten doel wordt gesteld. Verder ziet de GI van deze gesprekken geen enkel resultaat in de houding, het gedrag en de communicatie met de moeder. De moeder blijft het niet eens met de uithuisplaatsing van de kinderen en gaat steeds de strijd aan met de GI en de hulpverlening. Zij doet daarbij uitspraken die niet in het belang van de kinderen zijn; dit zorgt voor onzekerheid en onveiligheid bij de kinderen. De moeder staat niet open voor welke vorm van hulp dan ook. De GI vindt het daarom onverantwoord om het perspectief van de kinderen afhankelijk te maken van de termijn waarop de moeder hier wel inzicht en motivatie in toont. De houding van de moeder en het gebrek aan samenwerking heeft voor een groot deel het toewerken naar een thuisplaatsing bemoeilijkt. Gesprekken of overlegvormen eindigen met een boze en emotionele moeder die op een grove manier uithaalt naar de gezinsvoogd of de vader. Verder is sprake geweest van een jaren-lange vechtscheiding tussen de ouders. Het feit dat het contact tussen de vader en de moeder sinds november 2018 op een prettige manier verloopt geeft geen garantie voor de toekomst.

De GI heeft sinds de aanvang van de ondertoezichtstelling geen stabiele en veilige plaats bij de moeder geconstateerd. De moeder confronteerde de kinderen voorafgaand aan de uithuisplaatsing met wisselende woonsituaties en partners. Deze partners waren al vroeg in de relatie/vriendschap met de moeder bij de omgang met de kinderen aanwezig. De moeder lijkt moeilijk in staat te zijn om alleen de zorg en opvoeding van de kinderen te dragen en zij heeft hierin ondersteuning van iemand naast haar nodig. Zij stelt dat dit door haar gezondheidsklachten (herseninfarcten) komt, waardoor er risico’s aanwezig zijn als zij alleen met de kinderen activiteiten onderneemt. AnaCare geeft aan dat de omgang tussen de moeder en de kinderen rustig verloopt. Een aandachtspunt tijdens de omgang is het meer met elkaar tot interactie komen; de kinderen zijn tijdens de omgang te individueel bezig. De moeder is hierin moeilijk leerbaar gebleken, omdat zij de situatie anders beoordeelt.

De aanvaardbare termijn voor de kinderen is verstreken. De kinderen maken sinds de plaatsing bij de pleegouders en door de benodigde begeleiding (met name voor [minderjarige 1] ) een duidelijke groei door. De pleegouders kunnen goed aansluiten bij de kinderen. Dit in tegenstelling tot de moeder; er zijn zeer grote twijfels of zij de kinderen datgene kan bieden wat zij nodig hebben. Deze jonge kwetsbare kinderen ervaren stabiliteit en duidelijkheid bij de pleegouders en voelen zich prettig in het pleeggezin. Voor de kinderen betekent de huidige situatie rust. Ten aanzien van het incident dat in het pleeggezin heeft plaatsgevonden merkt de GI op dat hierop vanuit het pleeggezin adequaat is gereageerd. Er heeft een traject bij Plinthos plaatsgevonden en er is een veiligheidsplan in werking gesteld. Duidelijkheid en zekerheid over het toekomstperspectief zijn voor de kinderen een voorwaarde om zich verder te kunnen nestelen en ontwikkelen. De rechtbank heeft terecht het gezag beëindigd.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in

artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

de ouder het gezag misbruikt.

3.8.2.

Ten aanzien van de beëindiging van het gezag van de moeder is het hof van oordeel dat geen sprake is geweest van misbruik van gezag. Beoordeeld dient in deze zaak dan ook enkel te worden of voldaan is aan het bepaalde in artikel 1:266 aanhef en sub a BW.

3.8.3.

Het hof stelt voorop dat het hof reeds in de beschikking van 3 mei 2018, inzake de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , de moeder erop heeft gewezen dat het op haar weg had gelegen om zich (nogmaals) te wenden tot haar huisarts dan wel een andere professional met een duidelijke hulpvraag zodat zij de GI inzicht kan geven in haar emotieregulatie-problematiek en de vraag of er anderszins sprake is van persoonlijke problematiek. Het hof heeft daarbij verder overwogen dat zolang dit inzicht er niet is en er geen duidelijkheid bestaat over deze problematiek bij de moeder een thuisplaatsing nog steeds niet in het belang van de kinderen te achten en derhalve niet aan de orde is. Voorts heeft het hof in die beschikking aan de GI de opdracht gegeven om zich alsnog in te spannen om de moeder te begeleiden om een hulpvraag voor de hulpverlening te formuleren en haar daarin waar mogelijk te begeleiden. Uit de door de GI overgelegde e-mail van de gezinsvoogd aan de moeder van 19 november 2018 volgt dat de GI naar aanleiding van voornoemde beschikking van het hof de navolgende hulpvraag heeft geformuleerd:

“Hoe kan mevrouw de stress hanteren die voortkomt uit haar rol als moeder van de kinderen, het communiceren met de vader, de pleegouders en andere voor de kinderen belangrijke personen”.

3.8.4.

Het hof stelt vast dat de moeder, anders dan zij ter zitting in hoger beroep het hof heeft doen voorkomen, zich met de door de GI geformuleerde hulpvraag niet tot een hulpverlener heeft gewend om aan haar emotieregulatie-problematiek te werken. Weliswaar heeft de moeder ter zitting verklaard dat zij zich met deze hulpvraag tot de praktijkondersteuner van de huisarts POH-GGZ heeft gewend om aan haar emotieregulatie-problematiek te werken, maar uit de na de zitting door haar overgelegde verklaring van deze praktijkondersteuner d.d. 7 mei 2019 blijkt anders. Uit deze verklaring volgt namelijk dat de moeder alleen in een eerdere periode, van maart 2016 tot en met augustus 2017, gesprekken met de praktijkondersteuner heeft gevoerd en geenszins dat zij zich met de door de GI op 19 november 2018 geformuleerde hulpvraag (opnieuw) tot de praktijkondersteuner heeft gewend, laat staan dat zij de nodige hulp in dat verband heeft ontvangen.

Voorts heeft de moeder geen gebruik gemaakt van het aanbod van AnaCare om individuele gesprekken te voeren in een vertrouwelijke sfeer met een contactpersoon waar zij een goed contact mee heeft.

De moeder heeft derhalve de periode tussen 3 mei 2018 (verlenging van de uithuisplaatsing) tot heden kennelijk niet benut om de door de GI noodzakelijk geachte hulpverlening in te schakelen en daarmee de problematiek aan te pakken die aan het perspectief van de kinderen bij de moeder in de weg staat.

3.8.5.

Het hof is, gelet op het vorenstaande, met de GI van oordeel dat het de moeder aan probleeminzicht ontbreekt en dat zij geen intrinsieke motivatie voor de hulpverlening lijkt te hebben. Het hof acht het – mede gelet op de kind eigen problematiek van de kinderen – niet in het belang van de kinderen om het perspectief van de kinderen afhankelijk te maken van de termijn waarop de moeder hier wel inzicht en motivatie in toont. Uit het rapport van de raad van 14 juni 2018 volgt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] twee kwetsbare kinderen zijn die op jonge leeftijd veel onveiligheid hebben gekend vanuit een instabiele en weinig gestructureerde opvoedingsomgeving en getuige zijn geweest van huiselijk geweld. Met betrekking tot [minderjarige 1] bestaan er zorgen over haar sociaal-emotionele ontwikkeling. In het contact met vreemden is zij soms te vrij en ook is het voor [minderjarige 1] moeilijk om aansluiting te vinden bij leeftijdsgenootjes. [minderjarige 1] volgt deeltijd speciaal onderwijs. [minderjarige 2] heeft moeite met het uiten van haar emoties en is bang om fouten te maken. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden door deze kind eigen problematiek ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben daardoor meer dan andere kinderen van hun leeftijd behoefte aan veiligheid en stabiliteit. Verder vraagt de verzorging en de opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] meer dan gemiddelde pedagogische vaardigheden van hun opvoeder. Gelet op de eigen problematiek voor de moeder (ADHD en emotieregulatie-problematiek) staat het voor het hof onvoldoende vast dat zij in staat is om de kinderen, binnen een voor de kinderen aanvaardbare termijn, een dergelijke opvoeding te bieden. Het perspectief van de kinderen ligt daarom niet langer meer bij de moeder.

3.8.6.

Het hof stelt naar aanleiding van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep vast dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het pleeggezin stabiliteit en duidelijkheid ervaren en dat zij daar een duidelijke groei hebben doorgemaakt. Het pleeggezin kan goed aansluiten bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vergt dat zij recht hebben op duidelijkheid en continuïteit in deze alternatieve opvoedingssituatie. Duidelijkheid over het toekomstperspectief is voor hen een voorwaarde om zich in het pleeggezin verder te kunnen nestelen en ontwikkelen. Dit maakt dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing niet meer de geëigende maatregelen zijn om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te nemen, omdat dan de onduidelijkheid omtrent hun toekomst-perspectief blijft voortduren, in aanmerking genomen ook de wens van de moeder om zelf voor de kinderen te zorgen. Nu de moeder de plaatsing van de kinderen in het pleeggezin niet accepteert, zij de strijd aan blijft gaan met de GI en zij de kinderen daarmee belast, ziet zij niet in wat de kinderen daadwerkelijk nodig hebben. Het hof acht gezagsbeëindiging in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk om hun huidige stabiele opvoedingssituatie in het pleeggezin te behouden. Voor zover de moeder in hoger beroep heeft aangevoerd dat er een seksueel getint incident tussen [minderjarige 1] en een ander pleegkind heeft plaatsgevonden waardoor met name de veiligheid van [minderjarige 1] in het pleeggezin in gevaar zou zijn, is het hof gebleken dat vrijwel direct na dit incident een hulpverleningstraject bij Plinthos is opgestart en een veiligheidsplan in werking is gesteld. Van een voor [minderjarige 1] (en [minderjarige 2] ) onveilige situatie in het pleeggezin is het hof derhalve niet gebleken.

3.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 27 november 2018, zoals hersteld bij beschikking van die rechtbank van 29 januari 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het Centraal Gezagsregister.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, J.C.E. Ackermans-Wijn en A.J. van de Rakt en is op 11 juli 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. E. Hulzink-Mimpen, griffier.