Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:24

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-01-2019
Datum publicatie
26-06-2019
Zaaknummer
200.196.340_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:107
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:1843
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bepaling schadevergoeding;

deskundigenonderrzoek;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.196.340/01

arrest van 8 januari 2019

in de zaak van

1 [appellant] ,

2. [appellante] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten in het principaal appel,

geïntimeerden in het incidenteel appel,

gezamenlijk verder: [appellanten c.s.] ,

advocaat: mr. P.F.M. Gulickx te Breda,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het incidenteel appel,

verder: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J. Wijnja te Dordrecht,

als vervolg op de tussenarresten van dit hof van 16 januari 2018 en 1 mei 2018 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/308373 HA ZA 15-784 tussen partijen gewezen vonnis van 11 mei 2016.

9 Het verdere verloop van het geding

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 1 mei 2018;

  • -

    het deskundigenbericht van 13 augustus 2018;

  • -

    de beslissing van het hof van 4 september 2018 waarbij de schadeloosstelling en het loon van de deskundige zijn vastgesteld op € 2.299,= inclusief btw;

  • -

    de memorie na deskundigenbericht van [appellanten c.s.] van 18 september 2018;

  • -

    de antwoordmemorie na deskundigenbericht van [geïntimeerde] van 16 oktober 2018 met producties en aanvulling.

Partijen hebben arrest gevraagd.

10 De verdere beoordeling

In het principaal appel en in het incidenteel appel

10.1

Bij tussenarrest van 1 mei 2018 heeft het hof bepaald dat een deskundigenonderzoek wordt verricht naar de in rechtsoverweging 7.3 van dat arrest geformuleerde vragen en de heer F. Jansen van [boomadvies] Boomadvies te [vestigingsplaats] tot deskundige benoemd. De hem voorgelegde vraagstelling luidt als volgt:

  1. Kunt u vaststellen hoeveel van de door [appellant] vergiftigde berken vervangen dienen te worden?

  2. Kunt u vaststellen welk bedrag gemoeid is met vervanging van die berken en, indien nodig, met de verwijdering van de grond waar deze berken op staan? Voor zover nodig kunt u hierbij de deelvragen 1 tot en met 6 in de akte van [geïntimeerde] betrekken.

  3. Kunt u een overzichtskaart maken van alle bomen die, gemeten vanaf het midden van de voet van de boom, staan op een afstand van 1.0 meter of minder van de erfgrens tussen de percelen van partijen?

  4. Kunt u vaststellen of de beplanting in de tuin van [appellanten c.s.] schade heeft ondervonden van berken die in de tuin van [geïntimeerde] op minder dan 1 meter van de perceelgrens staan? Voor zover nodig kunt u hierbij de specificatie in aanvullende vraag 7 in de akte van [geïntimeerde] betrekken.

  5. Indien vraag 4. bevestigend wordt beantwoord, op welk bedrag begroot u die schade en in hoeverre is de offerte van [offerte] van 2 augustus 2016 reëel?

  6. Wordt het straatwerk door de wortelgroei van de den die dicht bij de erfgrens staat, omhoog gedrukt?

  7. Wat acht u verder van belang op te merken?

10.2

De deskundige heeft deze vragen in zijn rapport achtereenvolgens besproken en daarbij ook de deelvragen/aanvullende vraag van de kant van [geïntimeerde] betrokken. De deskundige heeft zijn conceptrapport naar partijen gestuurd voor commentaar en dit commentaar met zijn reactie daarop in het rapport opgenomen. Over de hierbij door de deskundige gevolgde werkwijze hebben partijen in hun memories na deskundigenbericht geen bezwaren kenbaar gemaakt. Ook het hof acht de wijze waarop het rapport tot stand is gekomen in overeenstemming met de daaraan te stellen eisen.

10.3

De deskundige heeft een overzichtskaart gemaakt van 25 relevante bomen, 22 berken en 3 dennen en de afstand van elk van deze bomen tot de erfgrens in een tabel opgenomen. Van deze bomen dienen naar het oordeel van de deskundige 18 berken vervangen te worden, omdat deze dood zijn of een zeer slechte conditie hebben, zonder toekomstverwachting. Deze bomen zijn genummerd 4 tot en met 6, 9 tot en met 11, 13 tot en met 22, 24 en 25. In hoeverre de conditie van deze berken is veroorzaakt door vergiftiging is volgens de deskundige niet te achterhalen. Naar aanleiding van de reactie van [appellanten c.s.] op het conceptrapport dat het in de procedure gaat om 15 vergiftigde berken, heeft de deskundige bij zijn berekening van de schade het bedrag voor de 18 berken omgeslagen naar 15 berken. In zijn antwoordmemorie na deskundigenbericht heeft [geïntimeerde] op goede gronden aangevoerd dat het bij de vergiftigde berken gaat om de bomen die zijn genummerd met 4 tot en met 6, 9 tot en met 11, 13 tot en met 20 en 22. Het hof gaat hier verder ook van uit. Hetgeen [appellanten c.s.] in zijn memorie na deskundigenbericht heeft aangevoerd over het aantal in aanmerking te nemen bomen in verband met de vraag of de bomen al dan niet binnen 1 meter van de erfgrens zijn geplant doet hier niet aan af aangezien bij deze vraag niet de plaats van de bomen maar de toestand die door [appellant] is veroorzaakt aan de orde is.

10.4

Dit laatste speelt ook een rol bij de beantwoording van vraag 2. door de deskundige. Bij de begroting van de kosten van de vervanging van de berken en de grond waar deze op staan heeft de deskundige twee scenario’s onderscheiden, te weten alle te vervangen berken (scenario A) en de te vervangen berken die op meer dan 1 meter afstand van de erfgrens staan (scenario B). [geïntimeerde] heeft in zijn antwoordmemorie op goede gronden aangevoerd dat deze tweedeling niet aan de orde is. Het gaat om alle 15 vergiftigde bomen, ongeacht de plaats daarvan ten opzichte van de erfgrens. Scenario B wordt daarom terzijde gelaten. De deskundige heeft om de hiervoor in 10.3 genoemde reden de kosten van vervanging van alle 18 (bijna) dode bomen tot uitgangspunt genomen en dit bedrag toegerekend naar 15 bomen. [geïntimeerde] maakt in zijn antwoordmemorie bezwaar tegen deze aanpak omdat op deze wijze de berekening niet is toegespitst op de 15 berken waar het om gaat. Op zich is dat juist, maar naar het oordeel van het hof heeft de deskundige zijn keuze voor deze wijze van toerekenen op voldoende wijze toegelicht, zodat het hof geen aanleiding ziet om deze reden de berekening van de deskundige niet te volgen. Dat geldt ook voor de andere reden die [geïntimeerde] opvoert en die is gelegen in een offerte die hij heeft laten opmaken voor de kosten van de vervanging van de 15 berken, terwijl hij daarnaast in de aanvulling op zijn memorie aanbiedt een offerte voor kosten van de afvoer van de grond te verstrekken. Aan dit laatste gaat het hof voorbij omdat partijen die zich op bepaalde stukken willen beroepen deze moeten overleggen en niet kunnen volstaan met een aankondiging/aanbod. De offerte die [geïntimeerde] heeft overgelegd komt uit op een hoger bedrag dan de deskundige in zijn rapport heeft vermeld, maar dit kan [geïntimeerde] niet baten aangezien het hof nu juist (mede) ter verkrijging van een goed onderbouwde begroting van een onafhankelijke deskundige het deskundigenbericht heeft ingewonnen. Naar het oordeel van het hof voldoet het deskundigenbericht ten aanzien van de kwestie van de 15 vergiftigde berken niet alleen wat betreft de totstandkoming maar ook inhoudelijk aan de eisen die daaraan gesteld kunnen en moeten worden. De keuze voor de berekeningsmethode en de daarop gebaseerde begroting die de deskundige in zijn rapport heeft opgenomen acht het hof overtuigend toegelicht, zodat het hof geen enkele reden ziet om daarvan af te wijken. Dit betekent dat de totale schade als gevolg van de vergiftiging van 15 berken door [appellant] wordt vastgesteld op het door de deskundige begrote bedrag van € 30.054,78 inclusief btw. De vordering van [geïntimeerde] in conventie, voor zover in dit hoger beroep nog aan de orde (zie r.o. 4.6 van het tussenarrest van 16 januari 2018), is daarom toewijsbaar tot het bedrag van € 30.054,78 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 september 2015. Het meer of anders gevorderde in conventie zal worden afgewezen, zodat hiermee de vordering van [geïntimeerde] in conventie geheel is afgewikkeld.

10.5

Aan vraag 3 heeft de deskundige voldaan met het overzicht dat als bijlage 1 bij zijn rapport is opgenomen. In het voorgaande is het hof reeds van dit overzicht uitgegaan.

10.6

De antwoorden op de vragen 4, 5 en 6 betreffen de reconventionele vordering van [appellanten c.s.] Wat deze vordering betreft spelen twee kwesties een rol. De eerste kwestie is het feit dat in het tussenarrest van 1 mei 2018 in verband met deze vordering bewijslevering door [geïntimeerde] in het vooruitzicht is gesteld (r.o. 7.4).

10.7

De tweede kwestie is door [geïntimeerde] aan het eind van zijn antwoordmemorie na deskundigenbericht aangeroerd. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellanten c.s.] inmiddels zijn woning verkocht, zodat hij geen belang meer heeft bij zijn reconventionele vordering. Het hof stelt vast, dat wanneer dat het geval zou zijn, de aangekondigde bewijslevering en de bespreking van de rest van het deskundigenbericht mogelijk niet zinvol zijn. [appellanten c.s.] heeft nog niet kunnen reageren op deze tweede kwestie. Het hof zal [appellanten c.s.] hiertoe in de gelegenheid stellen en de zaak naar de rol verwijzen voor akte aan de zijde van [appellanten c.s.] Deze akte is uitsluitend voor dit doel bestemd. Een antwoordakte van [geïntimeerde] wordt hierop niet verwacht.

10.8

Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden en geeft partijen in overweging te bezien of op basis van hetgeen tot dusver is beslist alsnog een onderlinge regeling van het geschil kan worden bewerkstelligd.

11 De uitspraak

Het hof:

in het principaal appel en in het incidenteel appel

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 5 februari 2019 voor akte aan de zijde van [appellanten c.s.] met het hiervoor onder 10.7 vermelde doel (geen antwoordakte);

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.G.W.M. Stienissen en L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 januari 2019.

griffier rolraadsheer