Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:2386

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-07-2019
Datum publicatie
27-05-2020
Zaaknummer
200.190.997_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:1078
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2020:1630
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

deskundigenonderzoek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.190.997/01

arrest van 9 juli 2019

in de zaak van

1 [appellante 1] ,

2. [appellant 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. W.R.M. Voorvaart te Breda,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

3. [geïntimeerde 3] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. H.R. Flipse te Rotterdam,

als vervolg op het tussenarrest van dit hof van 28 juni 2016 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer/rolnummer C/02/294346 / HA ZA 15-81 tussen partijen gewezen vonnis van 27 januari 2016. Overeenkomstig de aanduidingen in dit vonnis zullen appellanten hierna gezamenlijk [appellanten c.s.] (in vrouwelijk enkelvoud) en afzonderlijk [appellante 1] en [appellant 2] genoemd worden en zullen geïntimeerden gezamenlijk [geintimeerden c.s.] (in mannelijk enkelvoud) genoemd worden.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 28 juni 2016;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen op 31 augustus 2016 waarbij verwijzing naar mediation is besproken, die evenwel niet is gestart;

  • -

    de memorie van grieven van [appellanten c.s.] van 13 december 2016 met producties en eiswijziging;

  • -

    de memorie van antwoord van [geintimeerden c.s.] van 21 maart 2017.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken, de stukken vermeld in het tussenarrest van 28 juni 2016 en de stukken van de eerste aanleg. Het hof betreurt de vertraging die bij de behandeling van deze zaak is ontstaan.

6 De verdere beoordeling

6.1

In het eindvonnis van 27 januari 2016 heeft de rechtbank onder 3.2 een aantal feiten vastgesteld. Deze vaststelling luidt als volgt, met een door het hof aangebrachte letteraanduiding:

  1. [geintimeerden c.s.] is eigenaar van twee percelen te [vestigingsplaats] , kadastraal bekend gemeente Chaam, sectie [sectieletter] , nummers [sectienummer 4] en [sectienummer 5] .

  2. [appellante 1] is eigenaar van drie percelen te [vestigingsplaats] , kadastraal bekend gemeente Chaam, sectie [sectieletter] , nummers [sectienummer 3] , [sectienummer 6] en [sectienummer 7] .

  3. [appellante 1] is gehuwd met [appellant 2] . [appellant 2] is eigenaar van een perceel kadastraal bekend gemeente Chaam, sectie [sectieletter] , nummer [sectienummer 1] .

  4. Perceel [sectienummer 5] is in 1956 ontstaan toen de heer [de toenmalige eigenaar] , de toenmalige eigenaar van een perceel met nummer [sectienummer 8] , van dat perceel een gedeelte verkocht aan de heer [de koper 1] , welk gedeelte later tot [sectienummer 9] werd omgenummerd. Het resterende gedeelte dat de heer [de toenmalige eigenaar] zelf hield werd later omgenummerd tot [sectienummer 5] .

  5. Het resterende gedeelte van perceel [sectienummer 8] (thans [sectienummer 5] ) is in 1957 door de heer [de toenmalige eigenaar] verkocht en geleverd aan mevrouw [de koper 2] . In de notariële akte van levering van 1 maart 1957 is onder meer opgenomen:

‘Het verkochte gedeelte van het perceel [sectienummer 8] betreft uitsluitend een perceel opgaand bos, plaatselijk sterk gedund en deels opnieuw ingeplant met jonge dennen en de daarheen voerende toegangsweg langs de Noordzijde van het perceel, zoals op bijgaande schetskaart is aangegeven. De splitsingsgrens loopt, wat de toegangsweg betreft, op drie meter van het belendende perceel [sectienummer 10] , vervolgens langs de westzijde der afrit van die weg naar het weiland en vervolgens langs de scheiding tussen weiland en bos, te weten een prikkeldraadheining.’

Mevrouw [de koper 2] heeft het perceel (thans [sectienummer 5] ) op haar beurt in 1986 verkocht en geleverd aan mevrouw [de moeder van geintimeerden c.s.] , de moeder van [geintimeerden c.s.] heeft perceel [sectienummer 5] door vererving verkregen.

Vanaf de [de weg] loopt langs de zijkant van perceel [sectienummer 6] en deels langs de zijkant van perceel [sectienummer 5] een toegangsweg die uitkomt op perceel [sectienummer 4] . Deze toegangsweg bestaat uit twee gedeelten. Het eerste gedeelte van de toegangsweg is het aanhangsel aan perceel [sectienummer 5] aan de noordoostkant. Het tweede gedeelte loopt aan de zijkant en langs perceel [sectienummer 6] van perceel [sectienummer 5] naar perceel [sectienummer 4] .

Op verzoek van [geintimeerden c.s.] heeft het Kadaster op 15 juli 1996 een kadastrale uitmeting verricht met betrekking tot perceel [sectienummer 5] . Bij deze kadastrale uitmeting waren [appellante 1] en [appellant 2] aanwezig.

In 2005 is [geintimeerden c.s.] tegen [appellante 1] een procedure bij de rechtbank Breda gestart waarin hij onder meer als verklaring voor recht heeft gevorderd dat de grenzen lopen volgens de meting uit 1996. De rechtbank heeft deze vordering op 25 januari 2006 afgewezen. In hoger beroep bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch is bij arrest van 17 februari 2009 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

Na het arrest van het gerechtshof van 17 februari 2009 heeft [appellanten c.s.] het tweede gedeelte van de toegangsweg afgesloten met een hoog hek.

Met betrekking tot onderdeel h) stelt [appellanten c.s.] met haar eerste grief dat uit het relaas van bevindingen blijkt dat [appellante 1] niet aanwezig was. Dat klopt; bij de naam van [appellante 1] als eigenaar van perceel [sectieletter] [sectienummer 11] (thans [sectienummer 6] ) staat de aanduiding ‘n.v.’, wat staat voor ‘niet verschenen’. Uit het relaas blijkt ook dat voor perceel H [sectienummer 11] [appellant 2] aanwezig was, zodat [appellante 1] wel vertegenwoordigd was. Tot een ander oordeel leidt deze precisering niet, zodat de grief faalt. Voor het overige is de vaststelling van de feiten niet bestreden zodat ook het hof deze, met precisering, tot uitgangspunt neemt.

6.2

Schematisch en uitsluitend ter illustratie, kan de ligging van de verschillende percelen die in deze procedure aan de orde zijn - [sectienummer 1] ( [appellant 2] ), [sectienummer 4] en [sectienummer 5] [de moeder van geintimeerden c.s.] ), [sectienummer 3] , [sectienummer 6] en [sectienummer 7] ( [appellante 1] ) en [sectienummer 2] (betwist) - als volgt worden weergegeven:

6.3

Bij dagvaarding van 28 januari 2015 heeft [geintimeerden c.s.] de onderhavige procedure tegen [appellanten c.s.] aanhangig gemaakt. In deze procedure stelt [geintimeerden c.s.] dat [appellanten c.s.] het tweede gedeelte van de toegangsweg met een hoog hek heeft afgesloten en bestaande afrasteringen en toegangshekken tot perceel [sectienummer 4] en [sectienummer 5] heeft vernield of verwijderd waardoor zijn vakantiehuizen niet (goed) bereikbaar werden. Verder stelt [geintimeerden c.s.] dat [appellanten c.s.] in maart 2011 en begin 2012 op zijn percelen bomen heeft omgezaagd en dat [appellant 2] over de Galderse Beek een brug heeft aangelegd van diens perceel [sectienummer 1] naar perceel [sectienummer 4] van [geintimeerden c.s.] In verband hiermee vorderde [geintimeerden c.s.] in conventie, samengevat:

  • -

    een verklaring voor recht dat de grens tussen perceel [sectienummer 5] en [sectienummer 6] loopt conform de kadastrale kaart;

  • -

    een gebod om deze grens te respecteren, onder meer door het hek op de toegangsweg te verwijderen;

  • -

    een verklaring voor recht dat [geintimeerden c.s.] eigenaar is van perceel [sectienummer 2] en dat de grenzen van dit perceel lopen conform de kadastrale kaart;

  • -

    een verbod om de percelen van [geintimeerden c.s.] ( [sectienummer 2] , [sectienummer 5] en [sectienummer 4] ) te betreden of op enigerlei wijze te gebruiken;

  • -

    een verbod om gebruik te maken van de vergunning van het waterschap tot het aanleggen van een brug tussen de percelen [sectienummer 1] en [sectienummer 4] en een gebod om de inmiddels aangebrachte brug te verwijderen;

- ( (hoofdelijke) veroordeling van [appellanten c.s.] tot betaling van € 18.568,= en € 2.125,50;

de geboden/verboden op verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van [appellanten c.s.] in de proceskosten met nakosten en wettelijke rente.

6.3

[appellanten c.s.] heeft de vorderingen van [geintimeerden c.s.] bestreden en in reconventie gevorderd, samengevat:

  • -

    een verklaring voor recht dat [appellante 1] sinds 7 maart 2011 eigenaar is van de taluds die gelegen zijn ten zuidwesten en zuidoosten van perceel [sectienummer 4] ;

  • -

    bepaling, dan wel verklaring voor recht, dat de perceelgrens tussen de percelen [sectienummer 5] en [sectienummer 6] loopt zoals omschreven in de akte van levering d.d. 1 maart 1957, dat wil zeggen dat het tweede gedeelte van de toegangsweg zich bevindt op perceel [sectienummer 6] en dat de grens zich bevindt op drie meter van de rechterzijde (zijde die het dichtst is gelegen bij perceel [sectienummer 5] ) van het tweede gedeelte van de toegangsweg;

met veroordeling van [geintimeerden c.s.] in de kosten van de procedure.

[geintimeerden c.s.] heeft deze vorderingen op zijn beurt bestreden.

6.4

Bij tussenvonnis van 17 juni 2015 heeft de rechtbank een comparitie van partijen bepaald. Deze heeft op 30 september 2015 plaatsgevonden.

Bij eindvonnis van 27 januari 2016 heeft de rechtbank de eerste vier onderdelen van de vorderingen van [geintimeerden c.s.] toegewezen, de dwangsom ten aanzien van de geboden/verboden bepaald op € 250,= per dag/overtreding, met een maximum van € 50.000,= en [appellant 2] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 15.000,=. In reconventie zijn de vorderingen van [appellanten c.s.] geheel afgewezen. In conventie en in reconventie is [appellanten c.s.] veroordeeld in de proceskosten, met nakosten.

6.5

Tegen de gedeeltelijke afwijzing van zijn vorderingen in conventie heeft [geintimeerden c.s.] niet (incidenteel) geappelleerd zodat in dit hoger beroep die vorderingen alleen aan de orde zijn voor zover deze door de rechtbank zijn toegewezen.

6.6

[appellanten c.s.] heeft in hoger beroep haar vorderingen in reconventie vermeerderd met vorderingen tot, samengevat:

  • -

    de benoeming van een deskundige ter definitieve en bindende vaststelling van de eigendom en erfgrenzen van de percelen;

  • -

    veroordeling van [geintimeerden c.s.] tot terugbetaling van het bedrag van € 15.000,=, met de wettelijke rente vanaf de betaling;

  • -

    een verklaring voor recht dat [geintimeerden c.s.] de schade moet vergoeden wegens het afbreken en herplaatsen van het hek en de omheining bij de taluds.

Tegen deze eiswijziging heeft [geintimeerden c.s.] geen processueel bezwaar aangevoerd. Ook het hof acht de eiswijziging niet ontoelaatbaar, zodat in het hierna volgende van de aldus vermeerderde eis in reconventie zal worden uitgegaan.

6.7

Grief 2 betreft het verweer van [appellanten c.s.] dat in de eerdere procedure die heeft geleid tot het arrest van dit hof van 17 februari 2009 reeds is beslist over de eigendom van het tweede gedeelte van de toegangsweg, zodat [geintimeerden c.s.] in de onderhavige procedure die kwestie niet opnieuw aan de orde kan stellen. De rechtbank heeft hierover in het vonnis van 27 januari 2016 het volgende geoordeeld (r.o. 3.5):

Artikel 237 lid 1 Rv bepaalt dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben. Door de rechtbank en het gerechtshof is een beslissing gegeven aangaande de eigendom van ‘de toegangsweg’. Van belang is wat de rechtbank en het gerechtshof hebben verstaan onder ‘de toegangsweg’.

Het gerechtshof heeft in het arrest van 8 januari 2008 in rechtsoverweging 4.1. beslist dat de grieven zich niet richten tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank in rechtsoverweging 3.2 van het eindvonnis.

De rechtbank heeft in rechtsoverweging 3.2 van het vonnis van 25 januari 2006 onder meer als vaststaande feiten vastgesteld:

‘i. Vanaf de [de weg] loopt langs de zijkant van perceel [sectienummer 6] een pad dat uitkomt op perceel [sectienummer 5] . Het pad wordt hierna “de toegangsweg” genoemd;

j. De toegangsweg behoort niet tot perceel [sectienummer 6] ;’

Het gerechtshof heeft duidelijkheidshalve de feiten in rechtsoverweging 4.2. herhaald. Onder (e) staat vermeld:

‘Vanaf de [de weg] loopt langs de zijkant van perceel [sectienummer 6] (maar niet óp dat perceel) een pad dat uitkomt op perceel [sectienummer 5] . Dit pad wordt hierna (in navolging van de rechtbank) “de toegangsweg” genoemd.’

Nu de toegangsweg waarover is beslist uitkomt op perceel [sectienummer 5] en dus niet loopt op of naast perceel [sectienummer 5] , betreft de toegangsweg waarover de rechtbank en het gerechtshof hebben beslist het eerste deel van de toegangsweg. Dat over het eerste deel van de toegangsweg is beslist volgt ook uit het door de rechtbank genoemde vaststaande feit dat de toegangsweg niet behoort tot perceel [sectienummer 6] en het door het gerechtshof herhaalde vaststaande feit dat de toegangsweg niet op perceel [sectienummer 6] loopt, hetgeen in overeenstemming is met het door [appellanten c.s.] in de onderhavige procedure ingenomen standpunt dat het tweede gedeelte van de toegangsweg juist wel tot perceel [sectienummer 6] behoort.

Dit betekent dat tussen partijen nog niet is beslist over de eigendom van het tweede gedeelte van de toegangsweg

In haar toelichting op deze grief stelt [appellanten c.s.] zich op het standpunt dat de afwijzing van de vorderingen van [geintimeerden c.s.] in de eerdere procedure niet alleen het eerste gedeelte van de toegangsweg betrof, van de openbare weg tot aan perceel [sectienummer 5] maar ook het tweede gedeelte van de toegangsweg, aansluitend op het eerste gedeelte en langs perceel [sectienummer 6] tot aan perceel [sectienummer 4] . Volgens [appellanten c.s.] had de vordering van [geintimeerden c.s.] betrekking op de gehele toegangsweg, zonder onderscheid tussen een eerste en een tweede gedeelte, zodat de beslissingen in die procedure (de afwijzing van de vorderingen van [geintimeerden c.s.] ) tevens het gedeelte omvatten dat in de onderhavige procedure als het tweede gedeelte wordt aangeduid. [geintimeerden c.s.] heeft deze grief van [appellanten c.s.] bestreden.

6.8

Het hof overweegt hierover het volgende. In de procedure die heeft geleid tot het arrest van dit hof van 17 februari 2009 is een omschrijving opgenomen van wat in die procedure met ‘toegangsweg’ wordt aangeduid en dat betreft uitsluitend de toegangsweg vanaf de openbare weg, [de weg] , tot aan perceel [sectienummer 5] en niet verder tot aan perceel [sectienummer 4] . Met de rechtbank is het hof van oordeel dat in die eerdere procedure niet is beslist over de eigendom van het volgende gedeelte van de toegangsweg, dat door partijen in de onderhavige procedure wordt aangeduid als het tweede gedeelte van de toegangsweg. Hetgeen [appellanten c.s.] in haar toelichting op deze grief naar voren brengt leidt niet tot enige andere uitleg van de reikwijdte van de beslissingen in de eerdere procedure. Dat betekent dat grief 2 van [appellanten c.s.] wordt verworpen.

6.9

De overige acht grieven van [appellanten c.s.] betreffen de opeenvolgende leveringsaktes en kadastrale uitmetingen en de consequenties daarvan voor de perceelsgrenzen, voor de eigendomssituatie en voor de vorderingen zoals deze door partijen over en weer zijn ingesteld. In dit verband is van belang de vermeerdering van eis in hoger beroep van de kant van [appellanten c.s.] tot benoeming van een deskundige ter definitieve en bindende vaststelling van de eigendom en erfgrenzen van de percelen. [appellanten c.s.] heeft in hoger beroep een aantal producties overgelegd waaruit volgens haar onder meer blijkt dat de rechtbank van onjuiste gegevens is uitgegaan. [geintimeerden c.s.] ziet geen reden voor de benoeming van een deskundige; volgens hem zijn de grenzen al vastgesteld en is de rechtbank van juiste gegevens uitgegaan.

6.10

Het hof overweegt hierover het volgende. In de loop van de verschillende procedures zijn door partijen veel producties overgelegd waarvan de betekenis voor de onderhavige procedure niet steeds duidelijk is en waarbij de daarop gebaseerde redenering niet altijd te volgen is. Een eenduidig en hanteerbaar overzicht van de relevante gegevens ontbreekt bij dit alles. Bij deze stand van zaken acht het hof het wenselijk in zoverre in te gaan op deze vordering van [appellanten c.s.] dat het hof voornemens is een deskundige te benoemen ter beantwoording van de volgende vragen:

  1. kunt u op basis van de in de procedure overgelegde aktes, uitmetingen, veldwerken en kadastrale kaarten de kadastrale erfgrenzen vaststellen van de percelen [sectienummer 2] , [sectienummer 4] , [sectienummer 5] en [sectienummer 6] ;

  2. kunt u vaststellen of de feitelijke erfgrenzen hiermee in overeenstemming zijn, in het bijzonder wat betreft de taluds die gelegen zijn ten zuidwesten en zuidoosten van perceel [sectienummer 4] en de toegangsweg vanaf de [de weg] naar de percelen [sectienummer 5] en [sectienummer 4] ;

  3. kunt u een duidelijke situatietekening maken waarop de actuele situatie van de percelen [sectienummer 2] , [sectienummer 4] , [sectienummer 5] en [sectienummer 6] op basis van de door u vastgestelde gegevens is samengevat;

  4. wat acht u verder van belang om op te merken.

Het hof merkt voor de goede orde op dat het hierbij gaat om een deskundigenbericht in de zin van artikel 194 Rv ter vaststelling van de feitelijke situatie en niet om een partijen bindende vaststelling van eigendomsrechten.

6.11

Partijen kunnen zich bij akte gelijktijdig uitlaten over het aantal, de deskundigheid en - bij voorkeur eensluidend - de persoon van de te benoemen deskundige(n). Voorts kunnen partijen suggesties doen over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Het hof is voornemens de kosten van de deskundige(n) voorshands ten laste van [appellanten c.s.] te brengen nu zij wat betreft de eisende partij is. Het hof wijst er op dat deze aktes niet voor enig ander doel bestemd zijn en dat wat buiten het bestek ervan valt buiten beschouwing zal worden gelaten.

6.12

Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

7 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 6 augustus 2019 voor akte aan de zijde van beide partijen gelijktijdig met het hiervoor onder 6.11 vermelde doel;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.G.W.M. Stienissen en L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 juli 2019.

griffier rolraadsheer