Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:2356

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-07-2019
Datum publicatie
12-07-2019
Zaaknummer
200.257.614_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging van de verlenging van de uithuisplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 4 juli 2019

Zaaknummer : 200.257.614/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/337693 / JE RK 18-1273

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

en

[de vader] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna te noemen: de ouders,

advocaat: mr. W. Kolmans,

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).

Betreffende de minderjarigen:

[minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige 1] ,

en

[minderjarige 2] ,

geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige 2] .

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio: Zuidoost Nederland,

locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 4 februari 2019, op schrift gesteld op 15 februari 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 april 2019, hebben de ouders het hof verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de GI tot verlenging van de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , alsnog af te wijzen. Ter zitting is het beroepschrift in die zin aangepast dat het is ingetrokken ten aanzien van de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] .

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 7 mei 2019, heeft de GI het hof verzocht het door de ouders ingestelde hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 juni 2019.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de ouders, bijgestaan door mr. Kolmans;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] .

2.3.1.

Namens de raad is, met bericht van verhindering d.d. 3 juni 2019, geen vertegenwoordiger verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief met bijlagen (waaronder het proces-verbaal van eerste aanleg van 4 februari 2019) van de advocaat van de ouders d.d. 3 juni 2019.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de relatie van de moeder en de vader zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

3.2.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan sinds 17 oktober 2017 onder toezicht van de stichting.

Deze ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd, laatstelijk tot 17 oktober 2019.

3.3.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 16 juli 2018 uit huis geplaatst. [minderjarige 1] woont in een gezinshuis en [minderjarige 2] woont in een pleeggezin.

3.4.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de aan de stichting verleende machtiging voor de duur van zes maanden verlengd om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 17 april 2019 tot 17 oktober 2019 uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg dan wel in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.

3.5.

De ouders kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De ouders voeren in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, - samengevat – het volgende aan.

De beschikking van 4 februari 2019 is ten onrechte gewezen omdat de machtiging tot uithuisplaatsing niet noodzakelijk en ook niet wenselijk is. De ouders doen vanaf het begin van de ondertoezichtstelling hun best om zo goed mogelijk met de gezinsvoogd samen te werken; zij staan open voor hulpverlening en houden zich (zoveel mogelijk) aan afspraken.

Uit de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 27 september 2018 blijkt dat er destijds grote vooruitgang was geboekt en dat er door de ouders grote stappen waren gezet. De bedoeling was destijds dat de kinderen weer thuis geplaatst zouden worden, maar dit is helaas niet doorgegaan.

Het verschil tussen de beschikking van 27 september 2018 en de thans bestreden beschikking is voor de ouders onbegrijpelijk. Er zat wel degelijk vooruitgang in hun handelwijze richting de kinderen. De gronden voor deze uithuisplaatsing zijn te mager.

Op dit moment beschikken de ouders over voldoende probleembesef en probleeminzicht. Zij hebben goed meegewerkt aan alle hulpverlening, tevens heeft de moeder gewerkt aan haar woede-uitbarstingen. De moeder heeft psychologische onderzoeken gedaan, waarvan de verslagen zijn overlegd. Er is geen sprake van psychiatrische diagnostiek en is er geen persoonlijkheidsstoornis bij de moeder vastgesteld. Verder betwisten de ouders dat zij over onvoldoende pedagogische vaardigheden beschikken om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] goed op te voeden. Zij ontkennen ook onvoldoende leerbaar te zijn om hun opvoedingsvaardigheden zodanig te verbeteren dat zij goed kunnen aansluiten bij de ontwikkelingsbehoeftes van de kinderen.

3.6.1.

Ter zitting van het hof hebben de ouders erkend dat het voor [minderjarige 1] , gelet op haar kindeigenproblematiek, wellicht te vroeg is om op dit moment bij de ouders teruggeplaatst te worden. Ten aanzien van [minderjarige 2] benadrukken zij echter dat hij zonder risico bij hun kan worden teruggeplaatst.

[minderjarige 2] verblijft in een tijdelijk pleeggezin in [plaats 1] , maar hij verhuist binnenkort naar een perspectief biedend pleeggezin in [plaats 2] . De ouders stellen dat hij nu rustiger is en dat de omgang met hem (begeleid door [instelling 1] ) goed verloopt. De ouders verzoeken het hof derhalve om naar het belang van [minderjarige 2] te kijken. De ouders zijn in staat om [minderjarige 2] zelf op te voeden, temeer nu er bij hem, anders dan bij [minderjarige 1] , geen sprake is van kindeigenproblematiek.

In dat kader verzoeken de ouders het hof om een raadsonderzoek te gelasten zodat onderzocht kan worden of de kinderen, althans [minderjarige 2] , thuis geplaatst kan worden. De ouders blijven bereid om te werken aan hun opvoedvaardigheden en willen overal aan meewerken.

Ook zijn zij bereid om begeleid te gaan wonen met de kinderen en alle opvoedkundige ondersteuning te accepteren die maar nodig is. De ouders betwisten uitdrukkelijk dat zij onmachtig zijn om de kinderen de juiste opvoeding te geven en ook is de veiligheid van de kinderen niet in het geding.

De ouders zien onvoldoende dringende noodzaak om [minderjarige 2] niet thuis te laten wonen en verzoeken het hof om alsnog te bepalen dat de GI gefaseerd dient toe te werken aan een thuisplaatsing. De GI kan een plan maken zodat [minderjarige 2] bijvoorbeeld binnen twee maanden weer thuis kan wonen. Zo nodig, wensen de ouders een raadsonderzoek over de noodzaak en wenselijkheid van de uithuisplaatsing.

3.7.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting, - kort samengevat - het volgende aan.

Al vanaf het begin van de ondertoezichtstelling is de samenwerking van de ouders met de GI niet goed te noemen. Er is een patroon te zien dat de samenwerking stagneert wanneer situaties te moeilijk of te confronterend worden.

Kort na de uithuisplaatsing van de kinderen op 16 juli 2018 verbeterde de samenwerking een aantal weken. De ouders waren in staat om in gesprek te gaan zonder boos te worden en er konden onderwerpen worden besproken zoals de gedragingen van de kinderen. Deze houding van de ouders is na de zitting bij de rechtbank medio september 2018 weer verslechterd. Dit komt onder meer tot uitdrukking in het weigeren van het verlenen van toestemming voor bijvoorbeeld het aanvragen van een ID-kaart voor de kinderen. De GI heeft hiervoor op 31 mei 2019 een schriftelijke aanwijzing gegeven. Ook kende de aanmelding van [minderjarige 1] bij [instelling 2] veel vertragingen, mede omdat er geen ID bewijs was van de kinderen. Ook gaven de ouders geen toestemming om [minderjarige 2] in te schrijven op de peuterspeelzaal te [plaats 1] , met veel moeite is dit uiteindelijk geregeld.

De kinderen zijn vaak getuige geweest van de boze buien van de moeder. Dit is uiteindelijk ook de aanleiding geweest voor de uithuisplaatsing. Hoewel de moeder hard heeft gewerkt aan haar woede-uitbarstingen, zijn deze uitbarstingen nog niet onder controle. De kinderen kunnen niet daarop wachten en hebben recht op duidelijkheid over hun toekomstperspectief, aldus de GI.

Na de eindevaluatie in december 2018 van [instelling 3] , de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek van [instelling 1] in juni 2018 en het verslag van het psychologisch onderzoek van de moeder, is duidelijk geworden dat de ouders onvoldoende pedagogische capaciteiten hebben om de kinderen een veilige, voorspelbare en gestructureerde leefomgeving te kunnen bieden binnen een voor de kinderen aanvaardbare termijn. Hierdoor is het plan om terug te werken naar huis losgelaten en dit is het belang van de kinderen, aldus de GI.

Door de GI is diverse keren aan de ouders uitgelegd waarom [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet bij elkaar kunnen wonen. [minderjarige 1] heeft voor haar probleemgedrag een specifieke woonomgeving en dito begeleiding nodig. [minderjarige 2] reageert op de boze buien van [minderjarige 1] door zich klein te maken en niet meer te praten. Hij laat vervolgens in de dagen daarna driftig gedrag zien, schopt en wordt boos als hij begrensd wordt. De kinderen zien elkaar één keer per drie maanden.

[minderjarige 2] verblijft in een crisispleeggezin en zal binnenkort verhuizen naar een perspectief biedend pleeggezin. Er is echter geen sprake geweest van dat [minderjarige 2] bij de ouders teruggeplaatst zou kunnen worden.

Weliswaar zijn er in het kader van de (begeleide) contactmomenten tussen de ouders en de kinderen goede punten zijn te benoemen, maar er is echter al geruime tijd geen groei te zien en de positieve punten zijn te beperkt om zelfs maar aan een uitbreiding te denken van het bezoek. Sinds januari 2019 is daarom besloten om de bezoeken van de ouders aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet meer tegelijk te laten plaatsvinden.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Het hof acht zich, voor zover de ouders hebben verzocht om een onderzoek door de raad naar een thuisplaatsing van [minderjarige 2] en naar de noodzaak en wenselijkheid van de uithuisplaatsing, op grond van de stukken en mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te nemen. Het hof wijst in dit verband op de uitgebreide rapportages van [instelling 4] – [instelling 5] , [instelling 1] en [instelling 3] en op het eerdere raadsrapport van 21 september 2017.

Naar het oordeel van het hof zijn er bovendien onvoldoende nieuwe ontwikkelingen die een nieuw raadsonderzoek rechtvaardigen dan wel daartoe aanleiding geven.

3.8.2.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.8.3.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.8.4.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en na eigen weging tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:265b lid 1 BW. Het hof voegt daar het volgende aan toe.

3.8.5.

Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting in hoger beroep naar voren is gekomen volgt dat er al vele jaren hulpverlening (reeds vanaf de geboorte van [minderjarige 1] ) in het gezin aanwezig is. Hoewel de ouders te kennen geven open staan te voor hulpverlening, trekken de ouders, nadat zij adviezen van de hulpverlening hebben gehad, vervolgens toch (weer) hun eigen plan. De ouders zijn (dan ook) onvoldoende in staat gebleken om op een constructieve manier langdurig samen te werken met hulpverlening. In de lijn hiermee heeft de in de beschikking van de rechtbank van 27 september 2018 geconstateerde positieve ontwikkeling, waar de ouders in hun beroepschrift naar verwijzen, geen stand gehouden. Ondanks de goede wil van de ouders en de liefde die zij voelen voor de kinderen, zijn zij keer op keer niet in staat gebleken om de in voornoemde beschikking beschreven gedragsverandering vast te houden en op een constructieve manier met de hulpverlening samen te werken.

Recent heeft het gebrek aan samenwerking dan wel medewerking met de hulpverlening er zelfs toe geleid dat er voor de kinderen geen ID kaart kon worden aangevraagd. Dit had weer tot gevolg dat [minderjarige 2] (ter voorbereiding van de overplaatsing naar een nieuw pleeggezin) niet kon worden ingeschreven bij de gemeente waardoor hij ook niet aangemeld kon worden bij de peuterspeelzaal en het consultatiebureau aldaar. Voor [minderjarige 1] betekende dit dat de intake bij [instelling 2] (voor een voor haar passende behandeling) niet door kon gaan waardoor een en ander vertraging oploopt. Dit is niet in het belang van de kinderen.

Ter zitting van het hof is eveneens gebleken dat de ouders, waarschijnlijk onbedoeld en overmand door emoties, de neiging hebben keer op keer zaken anders te interpreteren dan wat er daadwerkelijk wordt gezegd. Dit typeert ook de gang van zaken bij [instelling 4] , waar de moeder behandeld is voor haar eigen problematiek. Door de moeder is desgevraagd verklaard dat deze therapie klaar is. Van de kant van de GI is echter opgemerkt dat de moeder zelf met de therapie is gestopt. Voor het hof blijft het verder onduidelijk of de moeder door middel van deze therapie aan haar problematiek heeft gewerkt of de behandeling ook geheel is afgerond en er nog verdere begeleiding nodig is.

3.8.6.

Verder is gebleken dat de ouders (ondanks inspanningen hunnerzijds om daar aan te werken) over onvoldoende pedagogische vaardigheden beschikken om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] goed op te kunnen voeden. In de thuissituatie, waarbij de kinderen onder meer regelmatig zijn blootgesteld aan woede-uitbarstingen van de moeder, zijn er zorgen gerezen over hun ontwikkeling en veiligheid. Daarbij komt dat zowel bij [minderjarige 1] als [minderjarige 2] sprake is van een ontwikkelingsachterstand en bij [minderjarige 1] de nodige kindeigenproblematiek die verder uitgezocht moet worden.

Ondanks de langdurige inzet van hulpverlening in het gezin en de begeleiding vanuit [instelling 1] , [instelling 6] en [instelling 3] , sluiten de ouders onvoldoende aan bij de ontwikkelingsbehoeften van de kinderen. Daarnaast zorgt de emotionele beschikbaarheid en emotieregulatie van de ouders er niet voor dat de ontwikkelingsachterstand wordt verkleind of weggenomen. Het lukt de ouders niet, zo is gebleken uit de verslagen van de diverse hulpverleners, om voldoende vooruitgang te boeken als het gaat om de aanvaardbare termijn waarop de kinderen duidelijkheid over de toekomst en hun verblijf dienen te krijgen.

Daarbij komt dat de kinderen door gebeurtenissen in het verleden extra behoefte hebben aan een veilige, voorspelbare en gestructureerde opvoedingsomgeving.

3.8.7.

De ouders hebben ter zitting van het hof ten aanzien van [minderjarige 2] verklaard dat hij zonder problemen bij hun kan worden teruggeplaatst. Zij hebben daarbij aangegeven dat er met [minderjarige 2] niet zoveel aan de hand is.

Het hof heeft echter zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 2] . Reeds in het raadsrapport van 21 september 2017 zijn er zorgen vastgesteld over zijn (fysieke) ontwikkeling. Hoewel [minderjarige 2] zich thans goed lijkt te ontwikkelen in het pleeggezin, is door de GI ter zitting van het hof erop gewezen dat hij is beschadigd in zijn vermogen tot hechting. Dit kan op termijn leiden tot het tot uiting komen van in zijn eerste levensjaren opgelopen trauma’s.

Nu ouders niet in staat zijn gebleken om voldoende emotioneel beschikbaar te zijn voor [minderjarige 2] en er weinig tot geen probleembesef en inzicht is ten aanzien wat [minderjarige 2] nodig heeft, acht het hof het niet in het belang van [minderjarige 2] om hem bij de ouders terug te plaatsen.

Daarbij komt dat tot op heden de omgang tussen [minderjarige 2] en de ouders begeleid zijn en er tot op heden onvoldoende reden wordt gezien om deze contacten uit te breiden dan wel onbegeleid te laten plaatsvinden.

Het hof acht het derhalve noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] om de duur van de machtiging uithuisplaatsing te verlengen.

3.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 4 februari 2019, voor zover de rechtbank daarbij de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] , in voorziening voor pleegzorg dan wel in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van zes maanden, met ingang van 17 april 2019 tot 17 oktober 2019 heeft verlengd;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. L.Th.L.G. Pellis, J.C.E. Ackermans-Wijn en A.M. van Riemsdijk en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2019 door mr. E.L. Schaafsma-Beversluis in tegenwoordigheid van de griffier.