Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:2353

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-07-2019
Datum publicatie
12-07-2019
Zaaknummer
200.245.631_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:5334
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht; verdeling huwelijksgemeenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 4 juli 2019

Zaaknummer: 200.245.631/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/329837/ FA RK 17-2170

in de zaak in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te

[woonplaats] ,

appellant in principaal appel,

verweerder in incidenteel appel

,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. I.M. van den Heuvel,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te

[woonplaats] ,

verweerster in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.J.W. Jongenelen.

5 De beschikking d.d. 20 december 2018

Bij die beschikking heeft het hof:

  • -

    de bestreden beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 juni 2018 bekrachtigd voor zover het betreft de daarbij uitgesproken echtscheiding van partijen;

  • -

    afgewezen het verzoek van de man tot schorsing van de uitvoerbaar verklaring bij voorraad van de bestreden beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 augustus 2018;

  • -

    de behandeling van de zaak voor het overige aangehouden.

6 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

6.1.

De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 mei 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de man, bijgestaan door mr. Van den Heuvel;

- de vrouw, bijgestaan door mr. Jongenelen.

6.2.

Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van de brief met bijlagen (productie 14 tot en met 17) van de advocaat van de vrouw d.d. 16 mei 2019.

7 De verdere beoordeling

7.1.

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft, voor zover thans van belang:

- bij de bestreden (tussen)beschikking van 8 juni 2018:

  • -

    afgewezen het verzoek van de man te bepalen dat de vrouw aan de man een bedrag van € 8.280,31 + p.m. moet voldoen;

  • -

    bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 25 april 2017 tot aan de dag dat het onverdeelde aandeel van de vrouw in de woning gelegen aan de [adres 1] te [plaats 1] aan de man of aan een derde is geleverd, een gebruiksvergoeding dient te voldoen van € 147,-- per maand;

  • -

    iedere verdere beslissing aangehouden;

- bij de bestreden (eind)beschikking van 28 augustus 2018:

  • -

    de (het hof begrijpt: wijze van) verdeling van de gemeenschappelijke goederen van partijen gelast op de wijze zoals vermeld in rov. 3.23 tot en met 3.27 (echtelijke woning en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening), 3.35 (sieraden), 3.43 (bankrekening onder 3, 4 en 5 genoemd) en 3.47 (auto’s) van de beschikking van 8 juni 2018;

  • -

    het meer of anders verzochte afgewezen.

7.2.

De man en de vrouw kunnen zich op onderdelen met deze beslissingen niet verenigen en zijn hiervan afzonderlijk in (incidenteel) hoger beroep gekomen.

7.3.

De man heeft vijf grieven gericht tegen de bestreden beschikkingen. De vrouw drie. De grieven van partijen zien op de volgende, door het hof in onderstaande volgorde te bespreken, onderwerpen:

  • -

    procedurele aspecten (grief 1 en 2 van de man);

  • -

    inboedel, sieraden en contanten uit de kluis (grief 4 van de man);

  • -

    de echtelijke woning (grief 3 van de man, grief 1 van de vrouw);

  • -

    de gebruiksvergoeding (grief 2 en 3 van de vrouw);

  • -

    vordering van € 8.280,31 (grief 5 van de man);

  • -

    proceskosten (verzoek van de vrouw).

Procedurele aspecten (grief 1 en 2 van de man)

7.4.

Grief 1 van de man is – naar het hof begrijpt – een algemene grief waarmee hij het geschil in volle omvang in hoger beroep beoogt voor te leggen. Slechts geschilpunten die door middel van een – ook voor de wederpartij als zodanig kenbare – grief aan het hof zijn voorgelegd worden door het hof beoordeeld. Naast de andere grieven heeft deze grief geen zelfstandige betekenis en deze behoeft daarom verder geen bespreking.

7.5.

Met grief 2 betoogt de man dat de rechtbank in haar beschikking van 8 juni 2018 ten onrechte een aantal in het lichaam van die beschikking genomen eindbeslissingen niet in het dictum heeft opgenomen. In de toelichting op deze grief heeft de man aangevoerd dat hem daarmee het recht is ontnomen in hoger beroep te gaan van die beslissingen.

Het hof overweegt als volgt. Het hof ontgaat welk belang de man heeft bij de bespreking van zijn grief, nu hij bij onderhavig appel alsnog hoger beroep heeft kunnen instellen van die beslissingen. Bovendien had de man ook al eerder in hoger beroep kunnen gaan van de beschikking van 8 juni 2018. Deze beschikking is namelijk een zogenaamde deelbeschikking. Een deelbeschikking is een beschikking waarin in het dictum definitief is beslist op enig deel van het verzochte en is in zoverre een eindbeschikking, maar die overigens een tussenbeschikking is. Een deelbeschikking doorbreekt het appelverbod van art. 358 lid 4 lid Rv, in die zin dat appel mogelijk is van de gehele beschikking, zowel van het tussenbeschikkingsgedeelte (waarbij grieven kunnen worden aangevoerd tegen eindbeslissingen in de overwegingen die betrekking hebben op dit tussenbeschikkingsgedeelte) als het eindbeschikkingsgedeelte.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de grief van de man faalt.

Inboedel, sieraden en contanten uit de kluis (grief 4 van de man)

7.6.1.

Middels grief 4 betoogt de man dat er aan de zijde van de vrouw sprake is van het opzettelijk zoekmaken dan wel verborgen houden in de zin van art. 3:194 lid 2 BW. Het gaat om inboedelgoederen ter waarde van € 15.000,--, sieraden ter waarde van € 15.292,50 en een bedrag van € 25.000,-- aan contanten uit de kluis. De man vordert om die reden een bedrag van de vrouw van in totaal € 55.292,50.

Ter toelichting op zijn grief voert de man, kort samengevat, het volgende aan. Terwijl partijen hadden afgesproken dat de vrouw op 21 maart 2017 om 14.00 uur de aan haar toekomende goederen zou komen ophalen bij de voormalige echtelijke woning van partijen, heeft de vrouw tijdens afwezigheid van de man op 17 maart 2017 in de woning ingebroken. De man had de goederen die aan de vrouw toekomen in de weken voorafgaand aan 21 maart 2017 verzameld en in huis klaar staan in vijftien containerzakken van ieder 140 liter. De vrouw heeft deze containerzakken, alsmede inboedelgoederen ter waarde van € 15.000,-- alsook sieraden ter waarde van € 15.292,50 en een bedrag van € 25.000,-- aan contanten uit de kluis meegenomen. Volgens de man houdt de vrouw deze goederen sindsdien opzettelijk voor hem verborgen.

7.6.2.

De vrouw heeft de grief van de man weersproken. Zij heeft op 17 maart 2017 slechts een beperkt aantal spullen opgehaald uit de voormalige echtelijke woning van partijen. Vrijwel alle inboedelgoederen zijn in de echtelijke woning achtergebleven. Verder ontkent de vrouw dat zij enig sieraad dat is vermeld in het taxatierapport van 5 januari 2016, in haar bezit heeft. Ten aanzien van het geldbedrag van € 25.000,-- aan contanten, merkt de vrouw op dat zij er mee bekend was dat er een behoorlijk bedrag aan contanten in de kluis van partijen lag. Dit geld was afkomstig van de handel van de man op internet en mogelijk ook van het gokken door de man. De man had dit bedrag waarschijnlijk al lang veilig gesteld toen de vrouw op 17 maart 2017 in de woning is geweest; op dat moment was de kluis leeg. De vrouw beschikt in ieder geval niet over dit bedrag. De vrouw verwijst naar pagina 6 van productie 18 uit eerste aanleg zoals door haar overgelegd (het tweede onderzoeksrapport van [verzekeringen] Verzekeringen), waaruit blijkt dat een derde heeft verklaard dat de man in april 2017 nog een flinke hoeveelheid contant geld zou hebben. Dit geld zou in een kluis in [plaats 2] liggen.

7.6.3.

Het hof overweegt als volgt.

7.6.4.

De man beroept zich op art. 3:194 lid 2 BW. Dat artikel luidt als volgt:

“Een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, verbeurt zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoten.”

Deze bepaling is opgenomen in afdeling 3.7.2 BW en is (alleen) van toepassing op (de verdeling van) de bijzondere gemeenschappen genoemd in art. 3:189 BW, zoals een ontbonden huwelijksgemeenschap, een ontbonden maatschap of een nalatenschap. In deze zaak gaat het om een ontbonden huwelijksgemeenschap.

7.6.3.

Art. 3:194 lid 2 BW vereist dat de deelgenoot - in dit geval de vrouw - de tot de gemeenschap behorende goederen (de inboedelgoederen ter waarde van € 15.000,--, de sieraden ter waarde van € 15.292,50 en een bedrag van € 25.000,-- uit de kluis) opzettelijk verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat - vanwege de aan art. 3:194 lid 2 BW verbonden sanctie - zware eisen aan het bewijs van opzet dienen te worden gesteld (Nota II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1307). De deelgenoot (de vrouw) moet weten dat het goed deel uitmaakt van de gemeenschap. Uit de aard van deze (zware) sanctie, die een strafkarakter heeft, hetgeen in het systeem van het burgerlijk recht uitzonderlijk is, en uit de wetsgeschiedenis, waarin is vermeld dat (de sanctie van) de bepaling slechts geldt als de deelgenoot wist dat de goederen tot de gemeenschap behoorden (Parl. Gesch. Boek 3, p. 630), volgt dat het in art. 3:194 lid 2 BW bedoelde opzet niet reeds kan worden aangenomen indien de desbetreffende deelgenoot (niet wist, maar wel) behoorde te weten dat het verzwegen goed tot de gemeenschap behoorde. (Zie: Hoge Raad 31 maart 2017 ECLI:NL:HR:2017:565).

7.6.4.

Krachtens het bepaalde van art. 150 Rv rust op de man de stelplicht (en zo nodig ook de bewijslast) van het door de vrouw opzettelijk verzwijgen, zoek maken en/of verborgen houden van inboedelgoederen, sieraden en een geldbedrag van € 25.000,-- uit de kluis op de peildatum.

7.6.5.

Het hof is van oordeel dat het beroep van de man op art. 3:194 lid 2 BW niet kan slagen omdat hij zijn stelling dat de vrouw de inboedelgoederen, sieraden en het geldbedrag heeft zoek gemaakt of verborgen houdt en dit met opzet is geschied, in het licht bezien van de betwisting hiervan door de vrouw, niet genoegzaam met objectiveerbare en verifieerbare (rechts)feiten heeft onderbouwd. Aan bewijslevering door de man (hetgeen overigens niet is aangeboden) komt het hof daarom niet toe.

Het hof overweegt hiertoe als volgt. Niet kan worden geoordeeld dat de vrouw inboedelgoederen ter waarde van € 15.000,--, sieraden ter waarde van € 15.292,50 en een bedrag van € 25.000,-- aan contanten uit de kluis opzettelijk zoek heeft gemaakt en/of verborgen houdt. De vrouw heeft voldoende onderbouwd betwist dat zij deze goederen heeft meegenomen toen zij zich op 17 maart 2017 buiten medeweten van de man om de toegang heeft verschaft tot de voormalige echtelijke woning van partijen met het doel haar daar achtergebleven roerende zaken op te halen. Het hof verwijst in dit verband onder andere naar een tweetal ten behoeve van [verzekeringen] Verzekeringen opgemaakte rapporten (prod. 17, pag. 20 en prod. 18, pag. 6 en 9). In het licht van deze betwisting is de enkele (niet met stukken onderbouwde) stelling van de man dat de inboedelgoederen, sieraden en het bedrag van € 25.000,-- aan contanten uit de kluis in de woning aanwezig waren op het moment dat de vrouw op 17 maart 2017 de woning betrad en deze vervolgens door de vrouw zijn meegenomen, onvoldoende te achten. Dit klemt temeer nu ten aanzien van die goederen een kennis van de man, mevrouw [kennis] , in het kader van het in opdracht van [verzekeringen] Verzekeringen verrichtte onderzoek naar aanleiding van een door de man ingediende schadeclaim vanwege diefstal van zijn portemonnee, heeft verklaard dat de man die goederen elders heeft ondergebracht. Haar verklaring ten aanzien van de inboedelgoederen, sieraden en het geldbedrag van € 25.000,--, opgenomen in het onderzoeksrapport van [bureau] dat in eerste aanleg door de vrouw is overgelegd als productie 18 bij het verweerschrift op zelfstandige verzoeken tevens houdende wijziging verzoek, luidt als volgt:

“Op 4 april 2017 deelde hij (de man, hof) mij telefonisch mede dat hij mij in zijn testament wilde benoemen als enig erfgenaam. Hij was eigenlijk helemaal klaar met zijn verdere familie. Hij vertelde toen ook dat er bij hem was ingebroken en dat hij daarvan zijn ex-vrouw betichtte. Er was ongeveer ter waarde van een veertig duizend euro aan goederen en geld uit zijn woning ontvreemd. Dat waren voornamelijk sierraden, rond de vijfduizend euro aan contanten en aardewerk. Hij vertelde dat hij daarvoor een claim had weggelegd bij zijn verzekeringsmaatschappij. Hij noemde geen naam van de verzekeringsmaatschappij. De buren zouden de zus van zijn ex-vrouw hebben gezien toen er werd ingebroken.”

en:

“Hij vertelde toen dat hij nog een kluis had ergens in Zeeland, volgens mij bij een of andere bank, die op naam stond van een collega van hem, genaamd [collega] . Dit om reden dat zijn vrouw dat dan niet kon traceren. Hij wekte de indruk dat hij daar het grootste gedeelte van zijn contanten en de sieraden had. Die collega [collega] had nog een loods waar hij zijn aardewerk had opgeslagen.”

alsmede:

“Op die bewuste zaterdag, 22 april 2017 heeft hij mij tijdens mijn bezoek een taxatierapport laten zien, bestaande uit meerdere pagina’s. Ik schat van een vijf à zes pagina’s. Daarop stonden diverse sieraden vermeld met een totaalwaarde van om en nabij de € 15.000,00. Hij vertelde mij dat hij deze sieraden allemaal had opgegeven bij de verzekeringsmaatschappij, als zijnde gestolen. Hij vertelde echter dat deze sieraden niet waren gestolen, maar dat deze in de kluis lagen in Zeeland, [plaats 2] . Hij vertelde dat hij deze sieraden al had verkocht aan een Engelse handelaar. Hij zou maandag, 24 april 2017 de sieraden overhandigen aan die Engelse handelaar en hij zou dan contant € 15.000,00 krijgen. Volgens hem zou niemand hierachter kunnen komen als hij het zo speelde. Ik reageerde hier nogal heftig op door hem te vertellen dat hiermee te ver ging. Als men hierachter zou komen zou hij nog meer in de ellende komen.

Nu uit het voorgaande volgt dat het beroep van de man op art. 3:194 lid 2 BW niet kan slagen, leidt dat tot de conclusie dat de grief van de man faalt.

De echtelijke woning (grief 3 van de man, grief 1 van de vrouw)

7.7.1.

Met grief 3 betoogt de man dat hem een langere termijn gegund moet worden om te onderzoeken of hij de voormalige echtelijke woning van partijen aan de [adres 1] te [plaats 1] (hierna: de woning) kan overnemen. In dit verband heeft de man ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij de woning alleen kan overnemen indien het hof van oordeel is dat het beroep van de man op art. 3:194 lid 2 BW ter zake van de inboedelgoederen, de sieraden en het bedrag van € 25.000,-- aan contanten uit de kluis, slaagt.

7.7.2.

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. De man heeft tot op heden op geen enkele wijze aangetoond dat hij financieel in staat is om de woning over te nemen.

Met haar eerste grief in incidenteel appel betoogt de vrouw dat de woning daarom moet worden verkocht aan een derde. De vrouw heeft er echter geen vertrouwen in dat de man zal meewerken aan de verkoop van de woning. Er is sprake van een ernstig verstoorde verstandhouding tussen partijen en voor de man is er geen behoorlijke financiële prikkel om mee te werken aan de verkoop van de woning. De man kan namelijk elders niet voor dezelfde prijs (de man betaalt nu € 214,-- per maand aan hypotheeklasten) in een soortgelijke woning wonen.

7.7.3.

Het hof overweegt als volgt.

Nu het hof hiervóór in rov. 7.6.5 heeft geoordeeld dat het beroep van de man op art. 3:194 lid 2 BW niet kan slagen, brengt dat met zich dat de woning moet worden verkocht aan een derde, waarbij de verkoopopbrengst na aflossing van de resterende hypothecaire geldlening en de betaling van de kosten van verkoop en overdracht tussen partijen wordt verdeeld, dan wel een eventuele restantschuld door partijen gelijkelijk wordt gedragen.

7.7.4.

Nu de man tot op heden op geen enkele wijze blijk heeft gegeven dat hij van zins is zijn medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning, zal het hof als volgt bepalen.

7.7.5.

Het verkooptraject moet worden ingezet binnen vier weken na de datum van deze beschikking, door middel van een opdracht aan Makelaardij [makelaardij] , [adres 2] , ( [postcode] ) te [plaats 1] (hierna: de makelaar). Ieder van partijen is gehouden deze makelaar daartoe opdracht te geven.

7.7.6.

Partijen zullen in overleg met de makelaar de vraagprijs, welke dient te zijn gebaseerd op de onroerendgoedmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, bepalen. Indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtverlening erin slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen dan zal de makelaar de woning te koop aanbieden tegen een bindende marktconforme vraagprijs.

7.7.7.

Partijen zullen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens beide partijen, gezien de onroerendgoedmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, dan zal de makelaar die naar beste weten en kunnen bindend bepalen.

7.7.8.

Iedere partij is bij levering van de woning aan een derde gehouden de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen.

Grief 3 van de man faalt. Grief 1 van de vrouw slaagt.

De gebruiksvergoeding (grief 2 en 3 van de vrouw)

7.8.1.

De grieven 2 en 3 van de vrouw houden in dat de rechtbank bij de berekening van een door de man aan de vrouw te betalen gebruiksvergoeding ten onrechte is uitgegaan van de berekeningsmethode op basis van de overwaarde van de woning.

Ter toelichting op haar grieven voert de vrouw aan dat de rechtbank bij de berekening van de gebruiksvergoeding uit had moeten gaan van de berekeningsmethode waarbij aansluiting bij de huurwaarde van de woning wordt gezocht. Voor de man moet er een (grote) financiële prikkel komen om mee te werken aan de verkoop van de woning. De door de rechtbank vastgestelde gebruiksvergoeding doet daar geen recht aan. Deze valt volledig weg tegen het aandeel van de vrouw in de woonlasten.

Verder moet bij de berekening van de gebruiksvergoeding uitgegaan worden van een hogere waarde van de woning. Gelet op de verkoopprijzen van vergelijkbare woningen in dezelfde straat (ca. € 215.000,-- in 2016), moet voor de waarde van de woning uitgegaan worden van een waarde van € 220.000,-- en niet van de door de rechtbank gehanteerde WOZ-waarde 2017 van € 188.000,--. Uitgaande van de “methode huurwaarde” bedraagt de redelijke huur (4% van 220.000=) € 8.800,-- per jaar, zijnde € 733,-- per maand. Rekening houdende met de eigenaarslasten van € 298,-- per maand, resteert een bedrag van € 435,-- per maand. De vrouw is van mening dat het redelijk is de gebruiksvergoeding vast te stellen op de helft van dit bedrag, te weten € 217,-- per maand.

7.8.2.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd. Hij stelt dat de rechtbank de door hem aan de vrouw te betalen gebruiksvergoeding juist heeft vastgesteld.

7.8.3.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat aan de vrouw met ingang van 25 april 2017 een gebruiksvergoeding toekomt wegens gederfd genot en gebruik van de woning door de man. De vrouw beroept zich op de “methode huurwaarde”, maar waarom de huurwaarde van de woning 4% van de verkoopwaarde zou moeten zijn, laat zij na toe te lichten. Bronnen waarop de vrouw zich hiervoor baseert, ontbreken. Partijen zijn het er over eens dat de waarde van de woning € 220.000,-- bedraagt en dat de hoogte van de hypothecaire geldlening € 104.369,45 is. Derhalve bedraagt de overwaarde van de woning € 115.630,55. Tegen het rendementspercentage dat de rechtbank hanteerde (4%) zijn geen grieven gericht. Daar zal het hof dus van uitgaan. Dit leidt tot een gebruiksvergoeding van afgerond € 193,-- per maand. In zoverre slagen de grieven van de vrouw.

Vordering van € 8.280,31 (grief 5 van de man)

7.9.1.

Grief 5 van de man houdt in dat de rechtbank ten onrechte zijn vordering van

€ 8.280,31 heeft afgewezen. Ter toelichting op zijn grief voert de man aan dat het gaat om door hem gemaakte kosten in verband met het behoud van gemeenschappelijke goederen. Met een beroep op art. 3:172 BW vordert hij daarvan betaling door de vrouw.

7.9.2.

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. Zij stelt dat de grondslag van de vordering onduidelijk is en een grondslag overigens ook ontbreekt.

7.9.3.

Het hof overweegt als volgt.

Voor zover de door de man gevorderde kosten al betrekking zouden hebben op uitgaven die voortvloeien uit handelingen welke bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht, heeft de man tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw zijn vordering niet met verificatoire bescheiden onderbouwd. Het op de weg van de man gelegen om bijvoorbeeld betalingsbewijzen in het geding te brengen waaruit blijkt dat hij de door hem gestelde kosten heeft voldaan. Nu hij dit heeft nagelaten, dient dat voor zijn eigen rekening en risico te komen. Derhalve faalt grief 5 van de man.

Proceskosten

7.10.1.

De vrouw heeft verzocht de man te veroordelen in de kosten in hoger beroep.

7.10.2.

Het hof ziet in hetgeen de vrouw heeft gesteld geen reden om af te wijken van hetgeen in een familierechtelijke procedure gebruikelijk is, te weten dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd. Om die reden zal het hof met toepassing van het bepaalde in art. 289 juncto art. 362 Rv de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten van het hoger beroep draagt.

8 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

vernietigt de bestreden beschikkingen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 juni 2018 en 28 augustus 2018 voor zover het betreft:

  • -

    de wijze van verdeling ter zake van de voormalige echtelijke woning van partijen, gelegen aan de [adres 1] te [plaats 1] (rov. 3.23 tot en met 3.27);

  • -

    de door de rechtbank bepaalde gebruiksvergoeding van € 147,-- per maand;

en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de voormalige echtelijke woning van partijen aan de [adres 1] te [plaats 1] (hierna: de woning) moet worden verkocht en geleverd aan een derde;

bepaalt dat de verkoop van de woning geschiedt binnen vier weken na de datum van deze beschikking door middel van een opdracht aan Makelaardij [makelaardij] [adres 2] , ( [postcode] ) te [plaats 1] . Ieder van partijen is gehouden deze makelaar daartoe opdracht te geven;

bepaalt dat, indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtverlening erin slagen gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, de makelaar een door hem/haar vast te stellen bindende marktconforme vraagprijs bepaalt;

bepaalt dat partijen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt, indien en voor zover die prijs volgens beide partijen, gezien de onroerendgoedmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, zal de makelaar die naar beste weten en kunnen bindend bepalen;

bepaalt dat als de verkoopprijs bindend is vastgesteld beide partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan derden;

bepaalt dat de netto-verkoopopbrengst gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld, dan wel dat ieder van partijen de helft van de restschuld zal dragen;

bepaalt dat iedere partij bij overdracht aan een derde gehouden is de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen;

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 25 april 2017 tot aan de dag dat het onverdeelde aandeel van de vrouw in de woning gelegen aan de [adres 1] te [plaats 1] aan de man of aan een derde is geleverd, een gebruiksvergoeding dient te voldoen van € 193,-- per maand;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikkingen voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.P.M. van Reijsen, G.J. Vossestein en E.M.C. Dumoulin, bijgestaan door mr. A.C. Kaemingk als griffier, en is op 4 juli 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.