Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:2351

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-07-2019
Datum publicatie
05-07-2019
Zaaknummer
K18/200445
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Beschikking
Inhoudsindicatie

Het klaagschrift ziet op de beslissing van het openbaar ministerie om beklaagde niet te vervolgen ter zake van belediging, smaad en laster. Klager vertegenwoordigt een organisatie welke het bestuur en de politiek kritisch volgt en over misstanden en ontsporingen regelmatig op Facebook publiceert. Beklaagde reageerde onder andere met krantenartikelen op de berichten van klager. Volgens het hof raakt het klaagschrift artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Gelet op al het vorenstaande is het hof van oordeel dat, ofschoon te begrijpen is dat het (publiekelijk geuite) commentaar dat klager op zijn publicaties krijgt hem soms onaangenaam en persoonlijk raakt, een succesvolle strafvervolging ter zake van belediging, smaad(schrift) of laster in dezen niet te verwachten valt.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 12
Wetboek van Strafrecht 266
Wetboek van Strafrecht 262
Wetboek van Strafrecht 261
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling strafrecht

Klachtnummer: K18/200445

Beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 2 juli 2019 inzake het beklag ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering van:

[naam klager]

[woonplaats] ,

hierna te noemen: klager,

over de beslissing van de officier van justitie van het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant tot het niet vervolgen van:

[naam beklaagde] ,

[woonplaats] ,

hierna te noemen: beklaagde,

wegens belediging c.q. smaad en laster.

De feitelijke gang van zaken.

Op 2 augustus 2018 heeft klager aangifte gedaan van belediging c.q. smaad en laster gepleegd door beklaagde.

Bij brief van 24 oktober 2018 is door [parketsecretaris] bij het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant, aan klager bericht dat de zaak niet zal worden vervolgd omdat, kort samengevat, uit het dossier naar voren komt dat er sprake is van uitingen beide kanten op. Mede gelet op het eigen aandeel van klager in het geheel wordt vervolging niet opportuun geacht.

Hierop heeft klager bij brief van 7 november 2018 een klaagschrift ingediend bij het hof, ingekomen ter griffie van het hof op 9 november 2018, met het verzoek de vervolging te bevelen.

De advocaat-generaal heeft in het schriftelijk verslag van 9 april 2019, onder toevoeging van het ambtsbericht namens de officier van justitie van 3 december 2018 en het aanvullend ambtsbericht van 6 februari 2019, met bijlagen, het hof geadviseerd het beklag af te wijzen.

Per e-mail en per brief van 23 mei 2019 heeft klager in reactie op het schriftelijk verslag van de advocaat-generaal het beklag aangevuld.

Op 4 juni 2019 is het klaagschrift in raadkamer van het hof in aanwezigheid van klager behandeld.

De advocaat-generaal heeft in raadkamer gepersisteerd bij het schriftelijk verslag.

De beoordeling.

I De klacht

De klacht is gericht tegen de beslissing van de officier van justitie om beklaagde niet te vervolgen naar aanleiding van de aangifte van klager van 2 augustus 2018 ter zake van belediging, smaad en laster, gepleegd tussen 1 september 2017 en 30 juli 2018. Bij deze aangifte heeft klager 23 bewijzen overhandigd.

Klager meldt dat hij ook op 30 augustus 2017 1 aangifte heeft gedaan jegens beklaagde ter zake van stalking, smaad en laster, gepleegd tussen 15 juni 2017 en 30 augustus 2017. Die aangifte is geseponeerd, maar was wel aanleiding voor de wijkagente om eens met beklaagde te gaan praten. Dat praten heeft er echter niet toe geleid dat beklaagde gestopt is met het plaatsen van beledigende en smadelijke berichten over klager op sociale media.

Klager wil dat er na meer dan een jaar een einde komt aan de continue openbare belediging, laster en smaad gericht aan zijn adres.

In de toelichting bij zijn klaagschrift stelt klager [naam organisatie] te vertegenwoordigen, welke organisatie het bestuur en de politiek op [gemeente] kritisch volgt en over misstanden en ontsporingen regelmatig op Facebook publiceert. De publicaties zijn nooit tegen beklaagde gericht; beklaagde maakt geen deel uit van de gemeenteraad en is ook niet werkzaam bij de gemeente.

Beklaagde heeft in een gesprek met [politieambtenaar] op 2 oktober 2017 gezegd dat hij zich niet bewust was van het feit dat hij klager schaadde met zijn acties en dat hij daarmee zou stoppen, maar diezelfde dag stuurde hij klager een email (zie bijlage 11), waaruit volgens klager een andere houding blijkt.

Vanaf medio februari 2018 plaatste beklaagde weer 2 berichten op Facebook, onder meer op een pagina van een [naam politieke partij] (bijlage 12). Ook plaatste beklaagde een reactie onder een krantenartikel van de [naam krant] (bijlage 13). Naar aanleiding van een publicatie van [naam krant] (bijlage 15), plaatste beklaagde op zijn eigen website een bericht (bijlage 17) met daaronder een foto van de auto waarin klager rijdt en daarover heen de tekst “Hoi [naam] , doe je mee aan de volgende verkiezingen”. Nadat klager beklaagde op Facebook had geblokkeerd, heeft beklaagde zich onder de naam ‘ [naam] ’ aangemeld en min of meer hetzelfde bericht als in bijlage 17 vermeld op Facebook geplaatst (bijlage18). De tekst van het bericht van bijlage 17 komt nagenoeg overeen met de tekst die beklaagde op 6 september 2018 in de Gemeenteraad heeft uitgesproken (bijlage 19-1 en 19-2). Volgens klager waren de teksten van bijlagen 17, 18 en 19-1 en 19-2 uitsluitend bedoeld om hem te beschadigen, waarbij beklaagde klager weer beschuldigde van het terroriseren en chanteren van de gemeente.

Daarnaast heeft beklaagde ook regelmatig per e-mail berichten naar klager gestuurd, maar daarop heeft klager nooit gereageerd, net zo min als op enig bericht geplaatst door

beklaagde op Facebook of in de media.

Sinds oktober/november 2018 heeft klager, mede dankzij de blokkade van beklaagdes Facebook-accounts en van diens e-mailaccount, geen berichten meer van beklaagde ontvangen.

II De stukken in het dossier voor zover deze feiten en omstandigheden bevatten die van belang zijn voor de beoordeling van de klacht.

i Het proces-verbaal van aangifte van klager d.d. 2 augustus 2018, met klacht.

ii Diverse schriftelijke bewijsstukken, gevoegd als bijlagen bij het klaagschrift.

In zijn aangifte verklaart klager, zakelijk weergegeven, dat beklaagde zich niet houdt aan de belofte aan toenmalig [wijkagent] op 2 oktober 2017 dat hij zich zou onthouden van negatieve publicaties ten aanzien van klager. Directe aanleiding voor de aangifte is een bericht dat beklaagde op 28 juli 2018 op Facebook heeft geplaatst waarin hij klager beschuldigt van chantage van het gemeentebestuur van [gemeente]3.

Van het dossier maken voorts onder meer deel uit:

- het bericht op de Facebookpagina van beklaagde met foto van een woning met daaronder de berichten: “Kaalslag in weerwil van voorschriften beplantingsplan Staatsbosbeheer” en “Kaalslag door particulier langs [plaats] ” (bijlage 7; volgens klager is dit zijn woning en is dit bericht gepubliceerd op 5 september 2017):

- het bericht op de Facebookpagina van beklaagde van 6 september 2017, geplaatst onder een afbeelding van de Facebookpagina [naam krant] waarin klager met naam, adres en telefoonnummer wordt genoemd als beheerder van de Facebookpagina [naam krant] (bijlage 8)

- een opiniestuk met kop “Preken voor dezelfde Parochie van het Grote Geld!” gepubliceerd op de Facebookpagina van [naam krant] (bijlage 9) voorzien van diverse (vrijwel onleesbare) opmerkingen van beklaagde op diens Facebookpagina (bijlage 10);

- een e-mail van beklaagde aan klager (volgens opgave van klager d.d. 2 oktober 2017) (bijlage 11) luidende:

“Hallo [naam] , onze partij word de laatste tijd best wel bestookt en aangevallen, zowel via Facebook als middels laster-e-mails. Maar ja, dit hoort blijkbaar bij de politiek. Als dit te veel voor jou wordt kunnen wij altijd contact opnemen met de [wijkagent] met wie ik vandaag gesproken heb. Zij en ook onze burgemeester zijn uiteindelijk verantwoordelijk voor de openbare orde en veiligheid in onze gemeente. Hopelijk hoeft het niet zo ver te komen en gaat onze partij met frisse moed de verkiezingen in. Binnenkort ga ik de kandidatenlijst opstellen. Ik hoop op jouw steun en ook die van [naam] , Groeten, [naam] ”.

- een bericht op de Facebookpagina van [naam politieke partij]4, geplaatst door beklaagde (bijlage 12), met onder meer de volgende tekst:

“Tja, velen van ons die politiek geïnteresseerd zijn weten dat er al geruime tijd een persoon actief is die stelmatig onze democratisch gekozen politici zwart probeert te maken. Daarbij wordt anoniem gebruik gemaakt van benamingen als ‘ [naam krant] ” ”Transparant [gemeente] ”… De frustratie is ontstaan nadat de permanent bewoonde vakantiewoning niet de volledige status kon krijgen voor permanente

bewoning. Het trieste is dat deze inwoner zichzelf sociaal steeds meer isoleert. Het gedrag heeft al geleid tot een aangifte bij de politie. Ik spreek de hoop uit dat onze huidige en toekomstige politici zich niet uit het veld laten slaan door het gedrag van een teleurgestelde enkeling.”

- Een krantenartikel d.d. 17 maart 2018 met de kop “Raad van State zet geen rem op plan [plaats] ”, waarop door beklaagde is gereageerd (bijlage 13) met onder meer de volgende zinnen:

“Het is triest dat een van de bezwaarmakers er een hobby van gemaakt heeft om de [gemeente] stelselmatig in diskrediet te brengen…”

“…. De indiener van het bezwaar richting Raad van State tracht de gemeente al jaren te “chanteren” door alle besluiten die genomen worden aan te vechten in de hoop dat de gemeente uiteindelijk zal zwichten…”;

- een bericht van beklaagde, volgens klager geplaatst op Facebook op 17 augustus 2018, waarin beklaagde onder meer stelt (bijlage 17) :

“Het gemeentehuis van [gemeente] en diverse ondernemers worden al ruim 2 jaar wordengeterroriseerd door een inwoner uit [plaats] . Deze gepensioneerde man heeft er een soort hobby van gemaakt om raadsleden, wethouders, onze burgemeester en ambtenaren met naam en toenaam door het slijkt te halen. Onze gemeente wordt publiekelijk een banenrepubliek genoemd… Via sociale media en ander media wordt minachting voor democratisch gekozen politici ten toon gespreid…De naam van de geregistreerde politie vereniging [naam] wordt misbruikt om het te doen voorkomen alsof er een breed draagvlak is voor de handelwijze van deze persoon … Graag wil ik iets zeggen over de motivatie van dit buitensporige gedrag: Het is mij bekend dat deze persoon een aantal jaren gelen een persoonsgebonden en niet overdraagbare toestemming heeft gekregen om een vakantiewoning in [plaats] permanent te mogen bewonen en dat hij alles in het werk zal stellen om volledige permanente bewoning voor elkaar te krijgen. Een dergelijk verklaring van de gemeente levert voor deze woning al gauw een waardevermeerdering op van enkele tienduizenden euro’s. De gehele handelwijze lijkt dan ook op een soort chantage richting onze gemeente…”;

- een bericht met vrijwel dezelfde tekst als in bijlage 17 opgenomen, geplaatst op Facebook op 24 augustus …, onder de naam [naam] , (bijlage 18);

- de tekst die in bijlagen 17 en 18 is opgenomen is ook in de raadsvergadering [gemeente] op 6 september 2018 door beklaagde uitgesproken (bijlagen 19-1 en 19-2).

III Het onderzoek in raadkamer

In raadkamer van 4 juni 2019 is het beklag door klager aan de hand van diverse overlegde stukken5 nader toegelicht. Door klager is verklaard dat onlangs een brief met daarin een afdruk van een cartoonfiguur met opschrift ‘de verliezer’ en daaronder afbeeldingen van een hondje en twee auto’s bij buren van klager in de brievenbus is gedaan. Ook heeft klager onlangs een rouwkaart in zijn brievenbus aangetroffen. Klager vermoedt dat beklaagde dat heeft gedaan.

Klager heeft verklaard niet bereid te zijn om in het kader van mediation het gesprek met beklaagde aan te gaan en heeft gepersisteerd bij het beklag.

IV Het hof

Om te kunnen komen tot gegrondverklaring van een klacht moet het hof allereerst van oordeel zijn dat er op grond van de voorhanden stukken voldoende bewijs aanwezig is of dat door middel van nader onderzoek voldoende bewijs kan worden vergaard op basis waarvan het aannemelijk kan worden geacht dat de strafrechter tot een veroordeling van beklaagde zal kunnen komen.

Vervolgens dient de vraag zich aan of vervolging ook opportuun is. Bij de beantwoording van die vraag moeten, behalve de belangen van klager, ook andere belangen, waaronder het algemeen belang en het belang van beklaagde, worden meegewogen. Dat betekent dat niet in alle gevallen waarin voldoende bewijs voorhanden lijkt te zijn of mogelijk zou kunnen worden vergaard, besloten wordt om de zaak aan de strafrechter voor te leggen.

Het hof overweegt meer in het bijzonder als volgt.

Uit het dossier en uit het onderzoek in raadkamer komt naar voren dat klager op onder meer Facebook actief is onder de naam ‘ [naam organisatie] en zich profileert als een kritisch volger van de politieke besluitvorming op [gemeente] waarbij hij c.q. [naam organisatie] stelt op te komen voor de belangen van het eiland en haar bewoners. Klager publiceert voorts regelmatig berichten in de vorm van beschouwingen, commentaren c.q. opiniestukken, waarop door anderen, onder wie beklaagde, ook publiekelijk (op internetfora) wordt gereageerd.

Klager wenst vervolging van beklaagde ter zake van belediging, smaad(schrift) c.q. laster.

Belediging is strafbaar gesteld bij artikel 266 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Volgens dit wetsartikel is strafbaar elke opzettelijke belediging die niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt, waarbij iemands eer of goede naam wordt aangerand. Daarvan is in het algemeen sprake indien de uitlating woorden bevat die op zichzelf genomen een beledigend karakter hebben. Bij woorden waarvan het gebruik op zichzelf in het algemeen niet beledigend is, zal het oordeel of van belediging sprake is afhangen van de context waarin de uitlating is gedaan. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan de context het beledigende karakter van de uitlating wegnemen indien de uitlating een bijdrage levert aan of dienstig is aan een publiek maatschappelijk debat, een geloofsopvatting of aan een artistieke expressie.

Wil er sprake zijn van smaad dan wel smaadschrift in de zin van artikel 261 Sr dan is opzet op krenking van iemands eer of goede naam, door het benoemen van een kwalijke gedraging van degene tot wie de krenking zich richt, met het kennelijke doel om ruchtbaarheid te geven aan die gedraging, vereist.

Er is sprake van laster als bedoeld in artikel 262 Sr wanneer degene die het misdrijf van smaad(schrift) pleegt weet dat datgene waarvan hij de beledigde beschuldigt in strijd met de waarheid is en het opzet is gericht op krenking van eer of goede naam van de beledigde.

Belediging, smaad(schrift) en laster zijn zogeheten uitingsdelicten en de vervolging en veroordeling van degene die van het plegen van deze delicten wordt verdacht vormen aldus inperkingen van de vrijheid van meningsuiting.

Het beklag raakt derhalve aan het in artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting. Bij de vraag waar de grens van die vrijheid ligt, dient het toetsingskader gevonden te worden in het Nederlandse recht, waarbij de uitleg van de relevante bepalingen mede gezien moet worden in het licht van de rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM).

Een voorwaarde voor inperking van het recht op vrijheid van meningsuiting is blijkens vaste rechtspraak van het EHRM dat de inperking noodzakelijk is in een democratische

samenleving. Eveneens volgens vaste rechtspraak van het EHRM kan die noodzaak niet snel worden aangenomen indien de uitingen in de media worden gedaan en als bijdrage aan het publieke debat kunnen worden beschouwd. Voorts geldt dat in een democratie in beginsel ook ruimte moet zijn voor uitlatingen die kwetsen, choqueren of verontrusten, en dat in een democratie uit het kwetsende karakter van bepaalde uitlatingen niet te snel een rechtvaardiging voor een beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting wordt afgeleid. Dit geldt – nog steeds naar vaste rechtspraak van het EHRM – temeer indien de uitingen publieke personen betreffen.

Gelet op al het vorenstaande is het hof van oordeel dat, ofschoon te begrijpen is dat het (publiekelijk geuite) commentaar dat klager op zijn publicaties krijgt hem soms onaangenaam en persoonlijk raakt, een succesvolle strafvervolging ter zake van belediging, smaad(schrift) of laster in dezen niet te verwachten valt.

Mitsdien zal het hof het beklag afwijzen.

De beslissing.

Het hof wijst het beklag af.

Aldus gegeven door:

mr. R.A.T.M. Dekkers, voorzitter,

mr. P.H. Gründemann en mr. E.E. van der Bijl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L.A.H. Tappenbeck, griffier,

op 2 juli 2019.

Mr. E.E. van der Bijl is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open.

1 Gelet op het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] van 31 augustus 2017 is de aangifte op 31 augustus 2017 opgenomen.

2 In juli 2017 was beklaagde begonnen met het uiten van beschuldigingen aan het adres van klager op Facebook. Klager heeft daarvan aangifte gedaan op 30 (31) augustus 2017, die aangifte betreft zoals gezegd de periode vanaf 15 juni 2017 tot 30 augustus 2017.

3 Genoemd bericht maakt geen deel uit van het dossier.

4 Een lokale politieke partij.

5 Onder meer afschriften van e-mailberichten gericht aan [e-mailadres] van [e-mailadres] en van [e-mailadres]