Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:2256

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-06-2019
Datum publicatie
25-06-2019
Zaaknummer
200.213.511_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:5573
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:3340
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:4612
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wederrechtelijke toe-eigening paardenvrachtwagen? Niet in bewijs geslaagd. Nog geen eindarrest in verband met tussenarrest in samenhangende zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.213.511/01

arrest van 25 juni 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. W.J. Nomen te Zoetermeer,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] ,

advocaat geïntimeerde 1: mr. M.J.A. Weda te Castricum,
advocaat geïntimeerde 2: mr. S.A. Wensing te Coevorden,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 25 juli 2017 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West -Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/294102/HA ZA 15-67 gewezen vonnis van 31 augustus 2016.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 25 juli 2017 in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening;

  • -

    de memorie van grieven met producties en eiswijziging;

  • -

    de memorie van antwoord;

- het proces-verbaal van pleidooi van 7 maart 2019, met aangehechte pleitnotities.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De beoordeling

6.1.

In eerste aanleg heeft [appellant] vorderingen ingesteld tegen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] die (kort samengevat en na eiswijziging) zien op a) de teruggave van het paard [het paard] en b) schadevergoeding ter grootte van € 29.503,60 wegens wederrechtelijke toe-eigening van een paardenvrachtwagen. In deze hoger beroep procedure zijn grieven gericht tegen de beslissing van de rechtbank voor zover de vordering onder b) is afgewezen. Ook ten aanzien van de vordering onder a) is hoger beroep ingesteld, maar dan door [geïntimeerde 1] (zaaknummer 200.213.429/01). In die zaak is door [appellant] incidenteel hoger beroep ingesteld. Beide zaken zijn gelijktijdig behandeld tijdens het pleidooi. In de onderhavige procedure zijn de volgende feiten van belang.

6.1.1.

[appellant] heeft in 2010 een paardenvrachtwagen aangeschaft om het paard [het paard] en andere paarden (door [geïntimeerde 1] bereden) te vervoeren. Het betreft een paardenvrachtwagen van het merk Renault, type Master, met kenteken [kenteken] , die aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ter beschikking is gesteld. De aanschafprijs van de paardenvrachtwagen bedroeg € 52.360,- (inclusief BTW). In de stukken wordt de paardenvrachtwagen ook wel aangeduid als trailer of bestelbus. Het hof zal de term paardenvrachtwagen aanhouden.

6.1.2.

Op 16 december 2011 is de paardenvrachtwagen overgeschreven op de naam van [geïntimeerde 2] .

6.1.3.

Op 21 maart 2013 is [appellant] in staat van faillissement verklaard. Dit faillissement is op 3 mei 2013 omgezet in de wettelijke schuldsaneringsregeling. De schuldsaneringsregeling is op 9 februari 2017 definitief beëindigd met een schone lei.

6.1.4.

Bij afzonderlijke aangetekende brieven van 21 oktober 2014 (prod. 5 bij inl. dagvaarding) heeft de advocaat van [appellant] zowel [geïntimeerde 2] als [geïntimeerde 1] aangeschreven. Deze brief luidt onder meer als volgt:

“(…) Zoals u vermoedelijk bekend is cliënt op 3 mei 2013 toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. In het kader van deze schuldsaneringsregeling worden de vermogensbestanddelen van cliënt zo veel mogelijk te gelde gemaakt, waarbij de verkoopopbrengst ten goede komt aan de gezamenlijke schuldeisers.

Van cliënt begreep ik dat hij diverse malen heeft getracht met u in overleg te treden over de vermogensbestanddelen van cliënt die bij u in bezit zijn, doch zonder resultaat. Om deze reden is mij verzocht u middels deze brief hierover te benaderen.

Cliënt heeft aan u verschillende zaken ter beschikking gesteld ten behoeve van de paardensport. In dit kader heeft cliënt onder meer op 20 maart 2010 een auto gekocht van het merkt Renault, type Master, met kenteken [kenteken] . (…) De auto is vervolgens aan u ter beschikking gesteld, waarbij cliënt de hiermee gemoeide lasten voor u heeft voorgeschoten.

Naar cliënt inmiddels is gebleken is op 16 december 2011 de tenaamstelling van de auto gewijzigd. Daar deze toeëigening zonder toestemming of andere rechtvaardigingsgrond, en daarmee wederrechtelijk heeft plaatsgevonden, is sprake van een onrechtmatige daad. (…)

Het is cliënt niet bekend op wiens naam de auto op 16 december 2011 is overgeschreven. Wel is het cliënt bekend dat de auto (ook) na de wijziging van de tenaamstelling door u, althans ten behoeve van uw beoefening van de paardensport is gebruikt, zodat u wordt vermoed de auto te hebben toegeëigend.

Voor zover rechtens vereist stel ik u namens cliënt hierdoor aansprakelijk voor de door cliënt geleden en nog te lijden schade ten gevolge van de onttrekking van de auto en/of andere goederen aan zijn vermogen. (…).”

6.2.1.

In de onderhavige procedure vordert [appellant] (na eiswijzing) onder meer [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [appellant] een bedrag van € 29.503,60 vermeerderd met de wettelijke rente.

6.2.2.

Aan deze vordering heeft [appellant] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [geïntimeerde 2] heeft zich de paardenvrachtwagen wederrechtelijk toegeëigend hetgeen een onrechtmatige daad oplevert. [appellant] stelt de schade gelijk aan de waarde van de paardenvrachtwagen minus het reeds door [geïntimeerde 2] in dit verband betaalde bedrag aan aflossing en vermeerderd met de in verband met de overschrijving alsnog verschuldigde BPM en het bedrag van de hem opgelegde boete. Nu [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zich feitelijk gezamenlijk de paardenvrachtwagen hebben toegeëigend, althans [geïntimeerde 1] daarvan op de hoogte was en daarvan voordeel heeft genoten, is [geïntimeerde 1] mede aansprakelijk op grond van onrechtmatige daad, althans is zij ongerechtvaardigd verrijkt, zodat sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid.

6.2.3.

[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

6.2.4.

In het tussenvonnis van 1 april 2015 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast.

6.2.5.

In het tussenvonnis van 30 september 2015 heeft de rechtbank [appellant] opgedragen te bewijzen dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zich de paardenvrachtwagen wederrechtelijk hebben toegeëigend.

6.2.6.

[appellant] heeft ter uitvoering van deze bewijsopdracht een akte na tussenvonnis genomen en enkele producties overgelegd. In het eindvonnis van 31 augustus 2016 heeft de rechtbank [appellant] niet in de bewijslevering geslaagd geacht. Op grond daarvan heeft de rechtbank de vordering van [appellant] op dit punt afgewezen. De rechtbank heeft de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.

6.3.

In het tussenarrest van 25 juli 2017 heeft het hof in het incident strekkende tot het treffen van een voorlopige voorziening de vordering van [appellant] (met betrekking tot het paard) afgewezen, nu de voorziening niet samenhing met de hoofdvordering (schadevergoeding op grond van wederrechtelijke toe-eigening van de paardenvrachtwagen) in deze zaak.

6.4.

In hoger beroep heeft [appellant] zijn eis gewijzigd. Deze eiswijziging (onder 1 primair en subsidiair) is gelijkluidend aan de eiswijziging van [appellant] in zijn incidenteel hoger beroep dat hij heeft ingesteld in de zaak 200.213.429/01. De eiswijziging houdt het volgende in:

1. Primair:

a. [geïntimeerde 1] te veroordelen om het paard [het paard] en het voor dit paard afgegeven paardenpaspoort binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest, althans binnen een door het hof te bepalen te termijn, in goede staat, met al wat daartoe behoort aan [appellant] terug te geven, een en ander met machtiging van een nader door [appellant] aan te wijzen gerechtsdeurwaarder om het te dezen te wijzen arrest in de hoofdzaak ten uitvoer te leggen en [geïntimeerde 1] in gijzeling te stellen, indien zij met de voldoening aan voormelde veroordeling in gebreke blijft;

Subsidiair:

b. [geïntimeerde 1] te veroordelen tot betaling aan [appellant] van een vervangende schadevergoeding in verband met onrechtmatige onttrekking van het paard [het paard] en het voor dit paard afgegeven paardenpaspoort, nader op te maken bij staat tot de dag der algehele voldoening.

Voor het overige heeft [appellant] zijn eis inzake de paardenvrachtwagen gehandhaafd.

6.5.

[appellant] heeft in hoger beroep twee grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen.

6.6.

In grief I voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het aan [appellant] is om te onderbouwen en te bewijzen dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zich de paardenvrachtwagen wederrechtelijk hebben toegeëigend. Volgens [appellant] staat vast dat de rechtsgeldige titel voor de overdracht ontbreekt en dus staat vast dat sprake is van wederrechtelijke toe-eigening. Omdat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] stellen dat sprake is van een koopovereenkomst, rust op hen de last om te bewijzen dat sprake is van een rechtsgeldige toeëigening van de paardenvrachtwagen.

6.7.

Met de grief komt [appellant] op tegen de bewijslastverdeling door de rechtbank in haar vonnis van 30 september 2015. Het hof stelt vast dat de vordering van [appellant] een vordering tot schadevergoeding inhoudt, wegens onrechtmatig handelen van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] . [appellant] is degene die zich op de rechtsgevolgen beroept van de door hem gestelde feiten en aldus rust op hem de bewijslast als bedoeld in artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Dat de rechtbank [appellant] heeft opgedragen te bewijzen dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zich de paardenvrachtwagen wederrechtelijk hebben toegeëigend, is dan ook juist. Grief I faalt.

6.8.

In grief II voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet is geslaagd in zijn bewijsopdracht. Uit de feiten kan geen geldig recht of geldige titel bij [geïntimeerde 2] of [geïntimeerde 1] worden opgemaakt, zodat de wederrechtelijke toeëigening genoegzaam is aangetoond door [appellant] . Gelet op de aanschafprijs dient de waarde van de paardenvrachtwagen eind 2011 te worden geschat op (circa) € 40.000,- (rekening houdend met een afschrijving van 20% per jaar) en was deze waarde hoe dan ook hoger dan het bedrag dat door [geïntimeerde 2] in 2011 aan de leasemaatschappij is voldaan (circa € 16.000,-). Niet valt in te zien op grond waarvan de voldoening van een dergelijk relatief laag bedrag de overschrijving van de paardenvrachtwagen rechtvaardigt. Bovendien waren [appellant] enerzijds en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] anderzijds toen al gebrouilleerd met elkaar, zodat voor een verkoop tegen een “vriendenprijs” geen aanleiding bestond, aldus nog steeds [appellant] .

6.9.

Het hof stelt voorop dat [geïntimeerde 2] ook blijkens de eigen stellingen van [appellant] in zijn akte na tussenvonnis de paardenvrachtwagen bezit en dat deze is overgeschreven op naam van [geïntimeerde 2] (zie r.o. 6.1.2.). Zoals [geïntimeerde 2] ook aanvoert, wordt zij op grond van artikel 3:119 BW vermoed eigenaar te zijn en tijdens de comparitie in eerste aanleg heeft [appellant] ook naar voren gebracht dat [geïntimeerde 2] eigenaar is. Naar het hof begrijpt uit de in 6.8 weergegeven stellingen van [appellant] , komen deze er op neer dat door [geïntimeerde 2] geen reële prijs is betaald voor de paardenvrachtwagen, zodat is aangetoond dat dit geen koopprijs kan zijn geweest en dat hij is geslaagd in zijn bewijs dat er sprake is van wederrechtelijke toe-eigening. [geïntimeerde 2] heeft dit betwist en er op gewezen dat door [appellant] op geen enkele wijze de waarde van de paardenvrachtwagen van € 40.000,- is aangetoond.

6.10.

Het hof overweegt als volgt. Het enkel betalen van een te lage prijs, indien daar al sprake van zou zijn, is in beginsel niet onrechtmatig en kan als zodanig niet leiden tot het oordeel dat [geïntimeerde 2] c.s. zich de paardenvrachtwagen wederrechtelijk heeft toegeëigend. Tegen de achtergrond van de hierna in 6.12.- 6.14. geschetste omstandigheden kan deze gestelde te lage prijs ook niet in samenhang met alle omstandigheden van het geval leiden tot het oordeel dat er sprake is van de bewuste wederrechtelijke toe-eigening. Dit betekent dat het aanvullende bewijsaanbod van [appellant] in hoger beroep inzake de (geschatte) waarde van de paardenvrachtwagen in 2011 wordt gepasseerd.

6.11.

Ten aanzien van hetgeen [appellant] voorts in eerste aanleg als schriftelijk bewijs heeft aangedragen en/of in hoger beroep naar voren heeft gebracht, overweegt het hof als volgt. Zoals ook [appellant] erkent, staat vast dat [geïntimeerde 2] € 15.779,64 heeft betaald aan de leasemaatschappij. Voorts heeft [geïntimeerde 2] gesteld en met stukken onderbouwd dat zij een bedrag van € 20.000,- heeft geleend en dat zij dit gehele bedrag heeft aangewend ter aflossing en afkoop van de paardenvrachtwagen zoals hiervoor bedoeld. Bij aangetekend schrijven is op 25 november 2011 het overschrijvingsbewijs van de paardenvrachtwagen verzonden naar het bedrijf van [appellant] . Voorts staat vast dat vanaf 16 december 2011 geen verzekeringspremie of leasetermijnen meer zijn betaald door [appellant] . Bij brief van 1 mei 2012 is [appellant] aangeschreven door de belastingdienst met een naheffingsaanslag BPM omdat niet meer werd voldaan aan de voorwaarden voor vrijstelling van de BPM van

€ 8.108,-.

6.12.

Voor zover door [appellant] is aangevoerd dat hij het overschrijvingsbewijs niet heeft ontvangen omdat dit is bezorgd op het adres van zijn bedrijfspand dat was afgebrand (en hij dus naar eigen zeggen niet op de hoogte was van de overschrijving door [geïntimeerde 2] ), laat dit onverlet dat [appellant] op 1 mei 2012 door de belastingdienst op de hoogte is gesteld van de overschrijving van de paardenvrachtwagen per 16 december 2011. [appellant] heeft geen verklaring gegeven voor het feit waarom hij toen geen actie heeft ondernomen als die overschrijving niet met zijn instemming was geschied. [appellant] heeft blijkens de stukken [geïntimeerde 2] (en [geïntimeerde 1] ) voor het eerst pas (bijna drie jaar later) bij brief van 21 oktober 2014 aansprakelijk gesteld. [appellant] heeft evenmin een verklaring gegeven waarom de premies en belastingen per 16 december 2011 niet meer door hem zijn voldaan, terwijl dit wel in de rede zou liggen als zou moeten worden uitgegaan van de door hem gestelde wederrechtelijke toe-eigening. Voor zover [appellant] stelt dat [geïntimeerde 2] leasetermijnen (in meervoud) aan de leasemaatschappij heeft voldaan en geen betaling in het kader van de finale aflossing van het leasecontract, is dit onvoldoende aannemelijk geworden in het licht van de met stukken onderbouwde stelling van [geïntimeerde 2] dat zij het bedrag contant betaalde ter aflossing van de restant leasetermijnen ter verkrijging van de eigendomsrechten en in het licht van het feit dat de betaling als som ineens is gedaan.

6.13.

De omstandigheid dat er geen factuur is opgesteld van de verkoop van de paardenvrachtwagen aan [geïntimeerde 2] , heeft, zeker in de hiervoor geschetste omstandigheden, niet tot gevolg dat [appellant] alsnog is geslaagd in het bewijs dat sprake is van wederrechtelijke toe-eigening door [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] . Datzelfde geldt voor de betwisting door [appellant] van de gestelde reden door [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] voor verkoop. Zelfs indien er van uit moet worden gegaan dat de door [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] gegeven reden voor verkoop niet klopt (volgens hen wilde [appellant] een andere auto kopen), maakt dat het handelen van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] niet onrechtmatig.

Al het voorgaande betekent dat [appellant] niet is geslaagd in het bewijs dat [geïntimeerde 1] c.s. zich de bestelbus (hof: paardenvrachtwagen) heeft toegeëigend en ook grief II niet kan slagen. In hoger beroep heeft [appellant] ook geen ter zake dienend en voldoende specifiek (aanvullend) bewijsaanbod gedaan (zie ook r.o. 6.11 over het bewijsaanbod inzake de waarde van de paardenvrachtwagen).

6.14.

In de onderhavige zaak heeft [appellant] zijn eis gewijzigd voor zover dat betrekking heeft op zijn oorspronkelijke vorderingen omtrent de teruggave van het paard. Die eiswijziging heeft hij ook in de samenhangende zaak 200.213.429/01 in incidenteel hoger beroep gedaan. Nu in die zaak iedere beslissing wordt aangehouden omdat [geïntimeerde 1] wordt toegelaten tot bewijslevering, en ter voorkoming van tegenstrijdige beslissingen, zal het hof nog geen eindarrest wijzen in de onderhavige zaak. Het hof houdt, in afwachting van de uitkomst in de zaak 200.213.429/01, iedere beslissing aan.

7 De uitspraak

Het hof:

houdt, in afwachting van het verloop van de zaak 200.213.429/01, iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Arnoldus-Smit, E.H. Schulten en W.A. Jacobs en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 juni 2019.

griffier rolraadsheer