Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:2252

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-06-2019
Datum publicatie
23-10-2019
Zaaknummer
18/00342
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2016:3874, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Artikel 6.17, lid 1, aanhef en onderdeel 6, Wet IB 2001. Persoonsgebonden aftrek; vervoerskosten wegens invaliditeit of ziekte. Verwijzing HR 29 juni 2018, nr. 17/05455, ECLI:NL:HR:2018:1018. Voor de vaststelling van de hoogte van de aftrek, waarbij een vergelijking wordt gemaakt met de vervoerskosten behorende tot het normale bestedingspatroon van vergelijkbare (gezonde) gezinnen, worden ook de vervoerskosten van de inwonende kinderen van belanghebbende in aanmerking genomen. Voor de vergelijking moet worden uitgegaan van de gegevens van het NIBUD.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 6.17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 24-10-2019
V-N Vandaag 2019/2335
FutD 2019-2789
V-N 2019/57.8 met annotatie van Redactie
NTFR 2019/2695
NLF 2019/2420 met annotatie van -
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 18/00342

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 26 juli 2016, nummer LEE 15/2177, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de Inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslag en beschikking.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is met dagtekening 7 juni 2014 voor het jaar 2011 de aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: de aanslag) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.191 en is hem bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht (hierna: de beschikking heffingsrente) tot een bedrag van € 208.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur, bij zijn in een geschrift vervatte uitspraken van 20 mei 2015, de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen de uitspraak van de Rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Ter zake van dit hoger beroep heeft de griffier van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124. Bij zijn uitspraak van 10 oktober 2017, nr. 16/01107, ECLI:NL:GHARL:2017:8749 (hierna: de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden), heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het door belanghebbende ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard.

1.4.

De uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden is, op het beroep in cassatie van belanghebbende, bij arrest van de Hoge Raad van 29 juni 2018, nr. 17/05455, ECLI:NL:HR:2018:1018 (hierna: het verwijzingsarrest), vernietigd en verwezen naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het verwijzingsarrest.

1.5.

Belanghebbende heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld door het Hof, bij brief van 7 september 2018 een conclusie op het verwijzingsarrest ingediend. De Inspecteur is door het Hof in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het verwijzingsarrest en de conclusie van belanghebbende, hetgeen hij heeft gedaan bij conclusie van 2 oktober 2018.

1.6.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft belanghebbende bij brief, met drie bijlagen, van 21 maart 2019 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift doorgezonden aan de wederpartij.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 4 april 2019 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende en [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.8.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.9.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.10.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

In het verwijzingsarrest heeft de Hoge Raad de feiten en omstandigheden als volgt weergegeven:

“2.1.1. Belanghebbende en zijn echtgenote hebben ieder gezondheidsklachten. Tot het huishouden van belanghebbende en de echtgenote behoorden in 2011 een dochter en tot 21 april 2011 tevens een zoon, beiden geboren in 1992.

2.1.2.

Aan belanghebbende is in 2011 door zijn werkgever een personenauto ter beschikking gesteld (hierna: de auto). Ter zake van de auto heeft belanghebbende geen eigen bijdrage betaald.

2.1.3.

In zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor 2011 heeft belanghebbende extra vervoerskosten wegens ziekte in aanmerking genomen als persoonsgebonden aftrek. Daarbij heeft hij als kosten van vervoer onder meer opgevoerd de kosten van de auto’s van de echtgenote en van de zoon, de kosten van de scooter van de dochter, en de loonheffing bij belanghebbende over de bijtelling voor het privégebruik van de door de werkgever ter beschikking gestelde auto. De aftrekbare vervoerskosten heeft belanghebbende berekend door op de totale vervoerskosten van het gezin een bedrag in mindering te brengen van € 4623, dat belanghebbende heeft ontleend aan gegevens van het NIBUD omtrent de vervoerskosten van een vergelijkbaar gezin waarvan de ouders niet ziek zijn. (…)”

2.2.

Voorts heeft de Hoge Raad in het verwijzingsarrest onder de aandacht gebracht:

“2.3.4. Opmerking verdient dat, anders dan het middel betoogt, tot de vervoerskosten van het gezin van belanghebbende mede moet worden gerekend het bedrag van de bijtelling voor het privégebruik van de door de werkgever ter beschikking gestelde auto, en niet de daarover geheven loonheffing (vgl. Hoge Raad 29 september 1993, nr. 29337, ECLI:NL:HR:1993:AC5468, BNB 1993/331).”

In aanvulling op het vorenstaande stelt het Hof op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast:

2.3.

Belanghebbende berekent, na cassatie, de aftrek van de extra vervoerskosten als volgt:

Belanghebbende

Bijtelling voor privégebruik van de door de werkgever

ter beschikking gestelde auto (hierna: de leaseauto) € 10.785

De echtgenote van belanghebbende

Brandstof, onderhoud, assurantie, belasting,

en afschrijving auto, lidmaatschap ANWB; totaal € 4.268

De dochter van belanghebbende

Kosten en afschrijving scooter, brandstof; totaal € 1.215

De zoon van belanghebbende

Brandstof, onderhoud, afschrijving, assurantie,

belasting en afschrijving auto, lidmaatschap ANWB, totaal € 3.401

Vervoerskosten van het gezin € 19.669

Op deze vervoerskosten van zijn gezin brengt belanghebbende in

mindering het bedrag aan vervoerskosten van een vergelijkbaar gezin

waarvan de ouders niet ziek zijn, met gegevens van de NIBUD-tabel

(gemiddelde bestedingen aan vervoer per maand (hierna: p/m)

bij een bepaald totaal netto-inkomen p/m), als volgt berekend:

Belanghebbende

Netto salaris per jaar (volgens de loonstroken) € 29.471

Netto salaris (bijtelling [Hof; gesteld op:]) € 5.268 +

Teruggaaf inkomstenbelasting over 2011 € 6.068 +

De echtgenote van belanghebbende

Netto uitkering per jaar (niet in geschil) € 10.001

Teruggaaf inkomstenbelasting over 2011 € 1.987 +

Totaal netto-inkomen p/m € 52.795 : 12 = € 4.400 p/m

Vervoerskosten vergelijkbaar gezin van 4 personen

(bestedingen vervoer € 394 p/m : € 4.500 tabel-inkomen p/m) x 12 x € 4.400 = € 4.623 -

Totaal extra vervoerskosten € 15.046.

2.4.1.

Bij de aanslagregeling heeft de Inspecteur een herberekening gemaakt van de kosten die volgens hem als extra vervoerskosten in aftrek kunnen worden toegelaten en die aftrek berekend op € 2.910, en het belastbaar inkomen uit werk en woning bepaald op € 40.191.

Hierbij heeft de Inspecteur, in navolging van de door belanghebbende ingediende aangifte IB/PVV voor 2011, het bedrag van de over het privégebruik van de leaseauto geheven loonheffing (berekend als 48,85% x € 10.785) van € 5.268 tot de vervoerskosten gerekend.

2.4.2.

De Inspecteur heeft bij zijn herberekening twee correcties aangebracht op de in de ingediende aangifte IB/PVV voor 2011 opgenomen berekening van de extra vervoerskosten:

Bij de gemeentelijke basisadministratie is de zoon van belanghebbende per 21 april 2011 uitgeschreven van het woonadres van belanghebbende. De Inspecteur heeft in verband daarmee het standpunt ingenomen dat de zoon na de datum van uitschrijving niet meer tot het huishouden van belanghebbende behoort en de autokosten van de zoon, voor 4 maanden, tot een bedrag van (4/12 x € 3.401 is) € 1.134 als vervoerskosten in aanmerking genomen.

De Inspecteur is van mening dat ter bepaling van de aftrek voor extra vervoerskosten, niet van de NIBUD-tabel, maar van CBS-gegevens moet worden uitgegaan en hanteert een CBS-gemiddelde van 17% van het netto-inkomen van € 52.795, of € 8.975, aan vervoerskosten van een met belanghebbende vergelijkbaar gezin, waarvan de ouders niet ziek zijn.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft na verwijzing het antwoord op de vraag of de Inspecteur op de berekening van belanghebbende van de aftrekbare vervoerskosten wegens ziekte terecht een tweetal correcties heeft aangebracht; met de autokosten van de zoon is slechts over een periode van vier maanden rekening gehouden en de vervoerskosten van een vergelijkbaar gezin waarvan de ouders niet ziek zijn, zijn op basis van CBS-gegevens gesteld op 17 percent van het netto-inkomen; te weten € 8.975.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, gegrondverklaring van het beroep bij de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur, vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning, naar het Hof begrijpt, primair, van € 28.055, en, naar het Hof begrijpt, subsidiair, van € 29.173. De Inspecteur concludeert, naar het Hof begrijpt, tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

De Hoge Raad heeft, voor zover hier van belang, overwogen, waarbij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is aangeduid met het Hof:

“2.2. Het Hof heeft geoordeeld dat noch de vervoerskosten van de zoon en dochter, noch de loonheffing over het privégebruik van de door de werkgever ter beschikking gestelde auto in aanmerking genomen kunnen worden als vervoerskosten. Daarvoor achtte het Hof redengevend dat de werkgever de auto aan belanghebbende niet ter beschikking had gesteld met het oog op belanghebbendes ziekte, en dat de vervoerskosten van de zoon en dochter niet in direct verband staan met de ziekte of invaliditeit van belanghebbende en de echtgenote.

2.3.1.

Tegen de in 2.2 vermelde oordelen richten zich de middelen.

2.3.2.

In hoger beroep was klaarblijkelijk niet in geschil dat belanghebbende en de echtgenote extra kosten maken voor vervoer als rechtstreeks gevolg van hun ziekte. Dergelijke kosten kunnen worden aangemerkt als uitgaven voor specifieke zorgkosten indien en voor zover zij niet behoren tot het normale bestedingspatroon van personen die niet ziek of invalide zijn doch overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft in een gelijke positie verkeren als de belastingplichtige (vgl. Hoge Raad 18 april 2001, nr. 34693, ECLI:NL:HR:2001:AB1017, BNB 2001/247). Daarbij is niet van belang of de extra kosten van vervoer zijn gemaakt met een vervoermiddel dat is aangeschaft of ter beschikking is gesteld met het oog op de ziekte of invaliditeit.

2.3.3.

Het Hof heeft dus een onjuiste maatstaf toegepast. (…). Verwijzing moet volgen voor een hernieuwde beoordeling van de twee hiervoor [in 3.1; Hof] vermelde correcties.”

4.2.

Alvorens het Hof de twee bedoelde correcties hernieuwd zal beoordelen, stelt het Hof het volgende voorop. In ro 2.3.4 van het verwijzingsarrest (zie punt 2.2 van deze uitspraak) is opgemerkt, dat tot de vervoerskosten van het gezin van belanghebbende mede moet worden gerekend het bedrag van de bijtelling voor het privégebruik van de leaseauto van € 10.785. Het Hof zal derhalve het bedrag van € 10.785 als kosten van vervoer in aanmerking nemen.

De autokosten van de zoon

4.3.

Omtrent de autokosten van de zoon is in het verwijzingsarrest overwogen dat het Hof dient te beoordelen of ter zake van het door belanghebbende voor die autokosten opgevoerde bedrag van € 3.401 terecht door de Inspecteur een correctie is aangebracht, in die zin dat voor de autokosten van de zoon een bedrag van € 1.134 tot de vervoerskosten is gerekend.

4.4.

Belanghebbende bepleit een hogere aftrek van extra vervoerskosten dan de Inspecteur heeft verleend. Op belanghebbende rust dan de last feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die het oordeel rechtvaardigen dat hij voor de door hem gevraagde aftrek in aanmerking komt. Belanghebbende dient daarbij aannemelijk te maken dat de autokosten van de zoon op de door hem verdedigde bedragen gesteld moeten worden.

4.5.

Belanghebbende stelt dat uitgegaan moet worden van de uitgaven aan vervoerskosten van zijn gezin bestaande uit beide ouders en beide kinderen en dat de door hem in 2011 betaalde autokosten van de zoon van € 3.401 tot de vervoerskosten moeten worden gerekend. Belanghebbende is van mening dat de zoon het gehele jaar tot zijn huishouden behoorde, ook al was de zoon, in verband met het volgen van diens opleiding in Leeuwarden, een (groot) deel van het jaar niet op het woonadres van belanghebbende ingeschreven. Belanghebbende merkt hierbij op dat hij onderhoudsplichtig voor de zoon is gebleven. Indien de inschrijving wel van belang is, dan stelt belanghebbende, dat een evenredig deel van de jaarkosten voor de dagen dat de zoon op belanghebbendes woonadres verbleef (gesteld op 365 – 40 lesweken van 4,5 dag x 8/12 is, 365 – 120) moet worden meegerekend. De betreffende vervoerskosten van de zoon berekent belanghebbende dan als volgt ((365 – 120) : 365) x € 3.401 = € 2.283.

4.6.

De Inspecteur betoogt dat de vervoerskosten die belanghebbende betaalt voor de zoon en de dochter niet kunnen worden meegerekend, omdat het door belanghebbende betalen van alle vervoerskosten voor de beide kinderen een persoonlijke keuze van belanghebbende is en niet in verband met ziekte of invaliditeit van hem en zijn echtgenote wordt gedaan. Dit gaat, aldus de Inspecteur, zeker op voor het betalen van de kosten van de zoon na de uitschrijving.

4.7.

Met betrekking tot de vervoerskosten van de beide kinderen stelt het Hof voorop dat in het verwijzingsarrest is overwogen dat de correctie van de Inspecteur, waarbij van de totale uitgaven aan autokosten van de zoon van € 3.401 een bedrag van € 1.134 in aanmerking is genomen, een hernieuwde beoordeling behoeft. Dit betekent dat na verwijzing vaststaat dat de kosten van de scooter van de dochter van € 1.215 en de door de Inspecteur in aanmerking genomen autokosten van de zoon van € 1.134 worden aangemerkt als extra vervoerskosten gedaan in rechtstreeks verband met de ziekte van de ouders. Het betoog van de Inspecteur dat deze kostenposten niet tot de vervoerskosten kunnen worden gerekend, wijst het Hof af.

4.8.

Betreffende de door belanghebbende na de uitschrijving van de zoon per 21 april 2011 betaalde autokosten van de zoon overweegt het Hof als volgt. Tegenover het betoog van de Inspecteur dat het betalen van de autokosten van de zoon na die uitschrijving van het woonadres van belanghebbende een persoonlijke keuze van belanghebbende is en niet in verband met de ziekte van de beide ouders wordt gedaan, heeft belanghebbende geen feiten en omstandigheden aangevoerd om aannemelijk te maken dat het door hem betalen van de autokosten van de zoon na diens uitschrijving per 21 april 2011 wel als rechtstreeks gevolg van de ziekte van de ouders is gedaan. Daarmee heeft belanghebbende niet voldaan aan de om hem rustende bewijslast dat hij (in zoverre) voor aftrek van deze kostenpost in aanmerking komt.

Het Hof acht in dit verband van belang dat de zoon na diens uitschrijving per 21 april 2011 feitelijk niet meer woonachtig was bij belanghebbende. Voorts volgt uit de in 4.5 vermelde opgave van belanghebbende dat de zoon gedurende de lesweken in overwegende mate

– 4,5 dag per week – in Leeuwarden verbleef en niet op het woonadres van belanghebbende. Hieruit leidt het Hof af dat de autokosten van de zoon gedurende de lesweken niet in direct verband (zullen) hebben gestaan met de ziekte van de beide ouders. In hoeverre de autokosten van de zoon tijdens zijn verblijf in de weekenden en de vakanties op het woonadres van belanghebbende wel in zodanig direct verband stonden is onvoldoende gebleken. Het evenredig aan de duur van het verblijf van de zoon op dat woonadres toerekenen van de jaarkosten van de auto van de zoon geeft daarvan geen onderbouwing.

Het Hof komt tot het oordeel dat de door belanghebbende na 21 april 2011 betaalde autokosten van de zoon niet kunnen worden gerekend tot de vervoerskosten die als gevolg van de ziekte van de ouders zijn gedaan. Voor de autokosten van de zoon heeft de Inspecteur terecht een correctie aangebracht en het Hof zal die kosten voor het gecorrigeerde bedrag van € 1.134 als extra vervoerskosten van het gezin van belanghebbende in aanmerking nemen.

4.9.

Gezien het vorenverwogene bepaalt het Hof de vervoerskosten van het gezin op:

Belanghebbende (bijtelling voor privégebruik van de leaseauto) € 10.785

De echtgenote van belanghebbende (totale autokosten) € 4.268

De dochter van belanghebbende (kosten van de scooter) € 1.215

De zoon van belanghebbende (autokosten tot 21 april 2011) € 1.134

Totale vervoerskosten van het gezin van belanghebbende € 17.402.

De vervoerskosten van een vergelijkbaar gezin waarvan de ouders niet ziek zijn

4.10.

Over de vervoerskosten van een vergelijkbaar gezin waarvan de ouders niet ziek zijn, is in het verwijzingsarrest overwogen dat het Hof dient te beoordelen of ter zake van het door belanghebbende daarvoor op basis van aan gegevens van het NIBUD ontleende bedrag van € 4.623 terecht door de Inspecteur een correctie is aangebracht, in die zin dat op basis van CBS-gegevens die vervoerskosten zijn gesteld op 17% van het netto-inkomen of € 8.975.

4.11.

Belanghebbende stelt dat voor de bepaling van de ‘normale’ vervoerskosten van een vergelijkbaar gezin moet worden uitgegaan van de, tot de stukken van het geding behorende, gegevens van de NIBUD-tabel “Extra vervoerskosten berekenen” en niet van CBS-gegevens. Hij voert aan, dat de Belastingdienst zelf het NIBUD als te hanteren bron aandraagt, dat de NIBUD-gegevens, zoals vermeld bij de bedoelde tabel, zijn ontleend aan Budgetonderzoek van het CBS en volgens belanghebbende verwerkt tot specifiekere en meer gedifferentieerde gegevens over gezinsomstandigheden en inkomensklassen dan de gegevens van het CBS. Belanghebbende stelt verder dat hem op basis van de NIBUD-tabel in 2010 en in 2015 een aftrek voor extra vervoerskosten is verleend en dat hem, gelet op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, voor 2011 een dergelijke aftrek eveneens moet worden verleend.

4.12.

Betreffende de gemiddelde bestedingen aan vervoer van een vergelijkbaar gezin, waarvan de ouders niet ziek zijn (hierna, ook wel aangeduid als: het maatgezin), voert de Inspecteur aan dat in de specifieke situatie van belanghebbende de NIBUD- dan wel CBS-gegevens eigenlijk niet goed te gebruiken zijn. De Inspecteur acht daarbij van belang dat het gezin van belanghebbende beschikt over drie auto’s en een scooter. Hij herhaalt zijn in beroep en hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden aangevoerde betoog dat voor een goede vergelijking met een maatgezin moet worden berekend wat een huishouden gemiddeld aan kosten heeft voor drie auto’s en een scooter. Hieraan voegt de Inspecteur toe, dat bij het maatgezin ook een leaseauto voor privégebruik ter beschikking moet staan, zodat volgens de Inspecteur kan worden afgezien de bijtelling van de leaseauto mee te rekenen.

Subsidiair, betoogt de Inspecteur, dat in het geval het Hof alle vervoerskosten in aanmerking neemt, een ander (hoger) bedrag voor de gemiddelde uitgaven van een maatgezin dient te worden gehanteerd. De Inspecteur voert verder aan dat de inkomsten van de beide kinderen ook meetellen ter bepaling van het (totale) netto-inkomen van het gezin van belanghebbende.

Meer subsidiair, voert de Inspecteur aan dat de, eveneens tot de gedingstukken behorende, gegevens van het CBS-overzicht “Bestedingen; beknopte indeling naar huishoudkenmerken” beter bruikbaar zijn dan NIBUD-gegevens en dat het gebruik van CBS-gegevens algemeen aanvaard is. Daaraan voegt hij toe dat bij de NIBUD-tabel sprake is van onverklaarbare discrepanties. De Inspecteur stelt de vervoerskosten van het maatgezin, onder verwijzing naar de gegevens van bedoeld CBS-overzicht, op 17% van het (totale) netto-gezinsinkomen. De Inspecteur berekent dit gezinsinkomen op € 61.531 en daarbij rekent hij de inkomsten en tegemoetkomingen van beide kinderen en alle in 2011 ontvangen belastingteruggaven mee.

De Inspecteur bestrijdt belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel betreffende de in 2010 en 2015 verleende aftrek aan vervoerskosten. Volgens de Inspecteur heeft belanghebbende voor 2010 de CBS-gegevens gehanteerd en de jaren 2011 en 2015 zijn niet vergelijkbaar, nu er in 2015 geen leaseauto was en de gezinssamenstelling afwijkend was.

4.13.

Vooropgesteld wordt, dat het vaste jurisprudentie is (zie onder meer ro 2.3.2 van het verwijzingsarrest), dat ter bepaling van de aftrek van extra vervoerskosten een vergelijking moet worden gemaakt met de tot het normale bestedingspatroon behorende vervoerskosten van personen die niet ziek of invalide zijn doch overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft in een gelijke positie verkeren als belanghebbende. Het betoog van de Inspecteur dat vergeleken moet worden met een gezin dat beschikt over drie auto’s en een scooter is niet in overeenstemming met de vaste jurisprudentie en wijst het Hof af.

4.14.

Nu partijen verdeeld houdt de vraag op grond van welke gegevens (NIBUD of CBS) de tot het normale bestedingspatroon van niet zieke personen behorende vervoerskosten dienen te worden bepaald, is het eerst aan belanghebbende aannemelijk te maken dat het door hem voorgestane gebruik van de NIBUD-tabel de voorkeur verdient boven de gebruikmaking van de CBS-gegevens.

Het Hof stelt in dit verband vast dat de NIBUD-tabel een overzicht geeft van de gemiddelde bestedingen aan vervoer per maand behorende bij een specifiek netto besteedbaar inkomen per maand en een specifieke gezinssamenstelling. Op zichzelf acht het Hof de gegevens van de NIBUD-tabel bruikbaar ter bepaling van de vervoersuitgaven van het maatgezin.

Het door de Inspecteur ingebrachte CBS-overzicht geeft van alle huishoudens, verdeeld naar (acht) inkomensdecielen, het bedrag van de totale bestedingen per inkomensdeciel met een uitsplitsing in procenten naar zes bestedingsposten, waaronder de post verkeer en vervoer, en een gemiddeld totaal besteed bedrag met die uitsplitsing in bedragen. Het 10e inkomensdeciel van dit CBS-overzicht geeft aan totale bestedingen een bedrag van € 56.251 en bepaalt de post verkeer en vervoer op 17,1% van het totale bestedingsbedrag. Blijkens zijn berekening heeft de Inspecteur zijn vergelijking met de gemiddelde vervoersuitgaven van niet zieke personen gebaseerd op de gegevens van het 10e inkomensdeciel. Belanghebbende heeft desgevraagd ter zitting verklaard niet te sparen en alle jaarontvangsten te besteden.

4.15.

Het Hof stelt vast dat het CBS-overzicht in tegenstelling tot de NIBUD-tabel geen gegevens bevat van vervoersuitgaven naar gezinsomstandigheden, zoals gezinsgrootte. Verder geeft het CBS-overzicht wel een opgaaf van de vervoersuitgaven bij een totaalbedrag aan bestedingen in het 10e inkomensdeciel, maar hiermee is niet duidelijk geworden dat sprake is van met belanghebbende voor wat betreft het inkomen vergelijkbare personen. Het Hof leidt uit de omstandigheid dat sprake is van het (laatste) 10e inkomensdeciel af dat daarin gegevens van personen met een (veel) hoger inkomen dan belanghebbende zijn begrepen.

Het Hof verwerpt het betoog van de Inspecteur dat de gegevens van het CBS-overzicht beter geschikt zijn voor het maken van de hier bedoelde vergelijking. Dit brengt het Hof tot het oordeel dat belanghebbende terecht gebruik heeft gemaakt van de NIBUD-tabel.

4.16.

Partijen zijn verder verdeeld over de vraag hoe het voor de vergelijking in aanmerking te nemen inkomen dient te worden berekend. Het Hof stelt voorop dat hierbij de NIBUD-tabel zal worden gehanteerd. Hieruit volgt dat het inkomen dient te worden vastgesteld in overeenstemming met de uitgangspunten van de NIBUD-tabel teneinde een deugdelijke vergelijking met de in de NIBUD-tabel opgenomen gegevens te kunnen maken. Als inkomen hanteert de NIBUD-tabel het totale netto besteedbaar inkomen per maand.

Belanghebbende heeft verklaard dat hij het netto-inkomen heeft berekend op het nettosalaris volgens zijn loonstroken, de netto-uitkering van zijn echtgenote, de belastingteruggaven van 2011 ter zake van de hypotheekrenteaftrek en de netto-equivalent ter zake van de leaseauto.

Belanghebbende heeft de andere in 2011 ontvangen belastingteruggaven niet meegeteld om een betere vergelijking wat betreft het inkomen te realiseren en heeft dat als volgt toegelicht. Deze teruggaven houden verband met de aftrek van zorgkosten in eerdere jaren en met hem vergelijkbare personen die niet ziek zijn hebben die teruggaven niet ontvangen. Het Hof is van oordeel dat deze, onvoldoende door de Inspecteur weersproken, stelling van belanghebbende gevolgd kan worden. Het betoog van de Inspecteur dat de (zeer geringe) inkomsten en tegemoetkomingen van beide kinderen moeten worden bijgeteld, wijst het Hof eveneens af. Het Hof overweegt in dit verband dat de kinderen meerderjarig zijn en het niet gebruikelijk is dat meerderjarige kinderen bijdragen aan het totale netto besteedbaar inkomen van belanghebbende en zijn echtgenote, evenmin is van een dergelijk bijdragen gebleken.

4.17.

Het Hof volgt de berekening van belanghebbende (zie 2.3) echter niet volledig, omdat daarin naar het oordeel van het Hof een vergissing inzake de netto-salariscomponent van de leaseauto is begrepen. Belanghebbende heeft deze component gesteld op het bedrag van de over de bijtelling voor privégebruik van de leaseauto verschuldigde loonheffing in plaats van het bedrag van die bijtelling te verminderen met het bedrag aan loonheffing. Verder wijzigt het Hof de berekening van belanghebbende ter zake van de gezinssamenstelling, vanwege de uitschrijving van de zoon uit de gemeentelijke basisadministratie op 21 april 2011, en bepaalt deze op 4 personen voor 4 maanden en op 3 personen voor 8 maanden.

Dit leidt het Hof tot de volgende berekening:

Belanghebbende

Netto salaris per jaar (volgens de loonstroken) € 29.471

Netto salaris in verband met de leaseauto

(bijtelling € 10.785 -/- loonheffing € 5.268 =) € 5.517 +

Teruggaaf inkomstenbelasting over 2011 € 6.068 +

De echtgenote van belanghebbende

Netto uitkering per jaar (niet in geschil) € 10.001

Teruggaaf inkomstenbelasting over 2011 € 1.987 +

Totaal netto-inkomen p/m € 52.990 : 12 = € 4.416 p/m

Vervoerskosten vergelijkbaar gezin van 4 personen volgens de NIBUD-tabel

(bestedingen vervoer € 394 p/m : € 4.500 tabel-inkomen p/m) x € 4.416 x 4 = € 1.547

Vervoerskosten vergelijkbaar gezin van 3 personen volgens de NIBUD-tabel

(bestedingen vervoer € 545 p/m : € 4.500 tabel-inkomen p/m) x € 4.416 x 8 = € 4.279 +

Vervoerskosten vergelijkbaar gezin volgens de NIBUD-tabel 2011 € 5.826.

4.18.

De nog te verlenen aftrek van de extra vervoerskosten berekent het Hof als volgt:

Totaal extra vervoerskosten (zie 4.9) € 17.402

Vervoerskosten vergelijkbaar gezin (zie 4.17) € 5.826

Aftrek extra vervoerskosten € 11.576

Bij de aanslagregeling reeds in aftrek toegelaten (zie 2.4.1) € 2.910 -

Alsnog aftrek te verlenen voor € 8.666.

4.19.

Gezien al het vorenoverwogene berekent het Hof het belastbaar inkomen uit werk en woning als volgt:

Eerder vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning € 40.191

Alsnog aftrek te verlenen voor € 8.666

Vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning € 31.525.

Slotsom

4.20.

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd. Het Hof zal het beroep gegrond verklaren, de uitspraak van de Inspecteur vernietigen, de aanslag verminderen tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.525 en de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderen.

Ten aanzien van het griffierecht

4.21.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden betaalde griffierecht ten bedrage van € 45 respectievelijk € 124, tezamen € 169, te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.22.

Aangezien het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, zijn er termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.23.

Deze tegemoetkoming wordt, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit), als volgt vastgesteld:

- voor het hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 2 (punten wegens proceshandelingen) x € 512 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.024, en

- voor het hoger beroep bij het Hof op 1,5 (punten wegens proceshandelingen) x € 512 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 768, tezamen € 1.792.

4.24.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

  • -

    vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.525 en de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;

  • -

    gelast dat de Inspecteur vergoedt het door belanghebbende betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van het beroep en van het hoger beroep van, tezamen, € 169; en

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.792.

Aldus gedaan op: 21 juni 2019 door A.J. Kromhout, voorzitter, P.A.M. Pijnenburg en V.M. van Daalen-Mannaerts, leden, in tegenwoordigheid van M.J.G. Letschert, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.