Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:2248

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-06-2019
Datum publicatie
23-10-2019
Zaaknummer
18/00115
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:495, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft voor het op 30 juni 2017 in de gemeente Tilburg parkeren online gebruik gemaakt van een parkeerapp. De kaart in de parkeerapp gaf een foute grens aan tussen tariefzone 1 en tariefzone 2. Het Hof stelt voorop dat een fout in een parkeerapp, waardoor een parkeerrecht onjuist wordt geregistreerd, in beginsel voor risico van de Heffingsambtenaar komt.

De vraag is vervolgens hoe dit zich verhoudt tot de op de belanghebbende rustende onderzoeksplicht. Het Hof oordeelt dat belanghebbende de digitale informatie had dienen te controleren met de feitelijke situatie en dat niet kan worden volstaan met raadpleging van de parkeerapp.

Tenslotte is de vraag aan de orde op welke informatie een parkeerder moet afgaan als deze informatie niet met elkaar overeenstemt. Het Hof oordeelt dat in dat geval op de informatie op de borden dient te worden afgegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 23-10-2019
V-N Vandaag 2019/2334
FutD 2019-2811
NTFR 2019/2868 met annotatie van mr. P.L. Cheung
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 18/00115

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van
24 januari 2018, nummer BRE 17/5067, in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg,

hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende na te noemen naheffingsaanslag parkeerbelasting.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is met dagtekening 30 juni 2017 onder aanslagnummer [aanslagnummer] , een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 75,30, welke aanslag, na daartegen op 4 juli 2017 ontvangen bezwaar, bij uitspraak van de Heffingsambtenaar van 12 juli 2017 is gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46. Bij op 30 januari 2018 verzonden uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 126.

De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 21 maart 2019 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en [echtgenote] , echtgenote van belanghebbende, alsmede, namens de Heffingsambtenaar, [A] .

1.6.

Belanghebbende en de Heffingsambtenaar hebben op deze zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Belanghebbende heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij de pleitnota van de Heffingsambtenaar behorende bijlagen.

1.7.

De Heffingsambtenaar heeft ter zitting, zonder bezwaar van de wederpartij, een kopie overgelegd van de Overeenkomst dienstverlening SHPV.

1.8.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.9.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Aan belanghebbende is met dagtekening 30 juni 2017 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 75,30 bestaande uit € 14,30 parkeerbelasting en € 61 kosten naheffing. De naheffingsaanslag is opgelegd ter zake van het op 30 juni 2017 omstreeks 19:34 uur parkeren op een parkeerplaats aan de Utrechtsestraat in Tilburg met het voertuig van het merk [B] , kleur blauw, met het kenteken [kenteken] .

2.2.

Belanghebbende heeft voor het onder 2.1 genoemde parkeren online gebruik gemaakt van de parkeerapp van Park-line. De parkeer app gaf voor het aldaar parkeren de mogelijkheid aan dat gedurende maximaal één uur geparkeerd kon worden tegen een tarief van € 2,20, waarop belanghebbende vervolgens met de app de parkeerbelasting tot dat bedrag heeft voldaan.

2.3.

De parkeerplaatsen aan de Utrechtsestraat zijn in de Verordening parkeerbelastingen 2017 van de gemeente Tilburg (hierna: de Verordening) aangewezen als parkeerplaatsen voor betaald parkeren waarbij alleen geparkeerd mag worden met een geldige parkeervergunning of met een dagticket. Omdat te weinig parkeerbelasting was voldaan, is de naheffingsaanslag (het dagtickettarief minus de voldane parkeerbelasting vermeerderd met de kosten van de naheffing) aan belanghebbende opgelegd.

2.4.

De gemeente Tilburg Parkeer- en Havenbedrijf (hierna: de Gebiedsbeheerder) heeft op 19 december 2013 een overeenkomst gesloten met de coöperatie Servicehuis Parkeer- en Verblijfsrechten U.A. (SHPV) met als ingangsdatum 16 januari 2014.

In deze overeenkomst staat onder meer het volgende:

“Overwegende dat:

  1. SHPV aan Gebiedsbeheerders een neutrale coöperatieve administratieve voorziening biedt ten behoeve van het vastleggen en ontsluiten van parkeer- en verblijfsrechten (…)

  2. SHPV het transactieverkeer vereenvoudigt, hetgeen gemakt oplevert voor zowel Gebiedsbeheerders als providers

 voor Gebiedsbeheerders omdat SHPV de afstemming met meer Providers regelt;

 voor Providers omdat SHPV de afstemming met de Gebiedsbeheerders regelt;

 (…)

Artikel 2 - Dienstverlening RDW

(...)

2.2.

SHPV levert ten behoeve van het vastleggen en ontsluiten parkeer- en verblijfsrechten het volgende (...)

(…)

Actuele verzameling van gebieden, gebiedscoderingen en voor elk van de gebieden beschikbare parkeerrechten en verblijfsrechten (productsoorten/kaartsoorten)

en tarieven;

(…)

2.7.

De Gebiedsbeheerder garandeert dat:

  1. (…)

  2. hij SHPV tijdig op de hoogte brengt van relevante wijzigingen van de parkeerverordeningen van de Gebiedsbeheerder en overige relevante verordeningen, inclusief bijbehorende gebiedsindelingen en tariefstructuren. (…)

Artikel 9 - Mandaat

Gebiedsbeheerder verleent hierbij aan SHPV mandaat om de volgende handelingen in zijn naam namens de Gebiedsbeheerder te verrichten:

  • -

    Het registreren van de parkeerrechten en verblijfsrechten;

  • -

    (…)

  • -

    (…)

  • -

    De verschuldigde vergoedingen en betalingskortingen te berekenen en te (laten) verrekenen.”

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de Heffingsambtenaar de naheffingsaanslag terecht heeft opgelegd.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend. De Heffingsambtenaar is de tegengestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak op bezwaar en van de naheffingsaanslag.

De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Op grond van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, dat op grond van artikel 236, lid 1, van de Gemeentewet van toepassing is, kan indien de belasting die op aangifte behoort te worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald, de te weinig geheven belasting worden nageheven.

4.2.

Op grond van artikel 5, lid 1, van de Verordening wordt de parkeerbelasting geheven bij wege van voldoening op aangifte. Als voldoening op aangifte wordt aangemerkt het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college van burgemeester en wethouders gestelde voorschriften.

4.3.

Volgens artikel 1, aanhef en onder d, in samenhang met artikel 1, aanhef en onder e, van de Verordening wordt onder parkeerapparatuur onder meer verstaan de centrale computer, te weten de computer van het bedrijf waarmee de gemeente Tilburg een overeenkomst heeft gesloten, bestemd voor de registratie van parkeerbewegingen in het kader van het verlenen van diensten op het gebied van betaald parkeren met gebruik van een telefoon.

4.4.

Ingevolge artikel 4 van de Verordening zijn de maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak vermeld in de bij deze Verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel.

4.5.

Uit Hoofdstuk 1 Parkeerappartuur (Hof: parkeerapparatuur) plaatsen onder 1.1. van de Tarieventabel volgt dat de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van deze Verordening voor het parkeren op parkeerapparatuur plaatsen in Tariefzone 1 € 16,50 dagticket bedraagt en voor Tariefzone 2 € 2,20 per uur of een dagticket € 16,50.

4.6.

Uit de jurisprudentie volgt dat de verplichting om parkeerbelasting te betalen voor het op een bepaalde plaats en een bepaalde tijd en gedurende een maximale tijdsduur parkeren van een voertuig kenbaar dient te zijn gemaakt op zo een wijze, dat omtrent de verschuldigdheid van parkeerbelasting voor dat parkeren redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan. Van een weggebruiker mag worden verwacht dat hij zich op de hoogte stelt van de geldende regels met betrekking tot verschuldigdheid van parkeerbelasting in het gebied waar hij wenst te parkeren. Het zich niet voldoende op de hoogte stellen en het (als gevolg daarvan) niet naleven van die voorschriften komt voor rekening en risico van de parkeerder.

4.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat de kaart in de door belanghebbende gebruikte parkeerapp een foute grens tussen tariefzone 1 en tariefzone 2 aangaf. Met betrekking tot het parkeervak waar belanghebbende op 30 juni 2017 heeft geparkeerd betekent dit dat ten onrechte tariefzone 2 is aangegeven in de parkeerapp, terwijl dit parkeervak is gelegen in tariefzone 1.

4.8.

Belanghebbende heeft – anders dan in het geschil bij de Rechtbank - gesteld dat voor de beoordeling van het geschil ervan kan worden uitgegaan dat het zonebord betaald parkeren en het onderbord met de tekst “alleen dagticket” wel zichtbaar is geweest. Belanghebbende heeft verder gesteld dat nu de gemeente Tilburg via haar website de parkeerapp van Park-Line faciliteert en laatstgenoemde onjuiste en/of onvolledige informatie ‘online’ heeft verstrekt met betrekking tot het parkeren, die onjuiste informatie op de parkeerapp voor rekening en risico van de gemeente Tilburg dient te komen. Volgens belanghebbende is een belangrijk element van het betalen via een app nu juist dat de parkeerder niet alsnog op zoek hoeft te gaan naar parkeerapparatuur. De parkeerapp van Parkline gaf het uurtarief aan en vermeldde niet dat gecontroleerd moest worden of de parkeergegevens kloppen. Hij mocht op de informatie in de parkeerapp vertrouwen en van hem kan niet worden verwacht dat hij deze informatie verifiëert aan de hand van informatie op de borden (off-line).

4.9.

De Heffingsambtenaar heeft gesteld dat in de Utrechtsestraat eenrichtingsverkeer is ingesteld en dat deze straat alleen via de Spoorlaan is te bereiken. Bij het inrijden van de Utrechtsestraat staat een bord waarop is aangegeven dat het een parkeerzone betreft voor betaald parkeren met daaronder een apart bord met de tekst ‘alleen dagticket’. Met dat onderbord wordt duidelijk gemaakt dat er in de Utrechtsestraat alleen met een dagticket kan worden geparkeerd, aldus de Heffingsambtenaar. Voor belanghebbende geldt een onderzoeksplicht bij het parkeren van de auto en belanghebbende had moeten opmerken dat de melding op de parkeerapp (uurtarief) niet overeenstemde met de tekst op het onderbord (alleen dagticket). Belanghebbende had naar een parkeerautomaat moeten lopen om te controleren welk bedrag hij moest betalen.

4.10.

Het Hof stelt voorop dat een fout in een parkeerapp, waardoor een parkeerrecht onjuist wordt geregistreerd, gelet op artikel 9 van de Overeenkomst met SHPV, in beginsel voor risico van de Heffingsambtenaar komt.

4.11.

De vraag is vervolgens hoe dit zich verhoudt tot de op de belanghebbende rustende onderzoeksplicht. Kan bij gebruikmaking van een parkeerapp volstaan worden met raadpleging van deze parkeerapp en mag volledig worden vertrouwd op de informatie in de parkeerapp, of dient ook de informatie op de borden (off-line informatie) te worden geraadpleegd? Vervolgens is de vraag aan de orde op welke informatie een parkeerder moet afgaan als deze informatie niet met elkaar overeenstemt.

4.12.

Het Hof is van oordeel dat, gelet op het vermelde in 4.6., zowel bij betaling via een parkeerapp als fysiek bij de parkeerapparatuur op de parkeerder een feitelijke onderzoeksplicht rust welk parkeertarief verschuldigd is voor de door hem gekozen parkeerlocatie. Door uit te gaan van de parkeerapp van Parkline, die een uurtarief aangaf, en voorbij te gaan aan de informatie op de borden ter plaatse waarop is aangeven dat alleen met een dagticket kan worden geparkeerd, is belanghebbende tekort geschoten in het nakomen van de op hem rustende onderzoeksplicht. Hij had de digitale informatie verkregen vanuit de app dienen te controleren met de feitelijke situatie. Er kan dus niet worden volstaan met raadpleging van de parkeerapp. Nalaten van een controle met de feitelijke situatie komt dan voor zijn rekening en risico. Dit zou eerst anders zijn indien geen bebording aanwezig was, dan wel de situatie ter plaatse ondanks bebording onduidelijk was. Dit doet zich hier echter niet voor. De Heffingsambtenaar heeft voldoende aannemelijk gemaakt, gelet op de door hem overgelegde foto's van de situatie ter plaatse en de door hem gegeven toelichting, dat voor een ieder duidelijk kon zijn dat alleen met een dagticket in de Utrechtsestraat kan worden geparkeerd. Hieruit volgt dat indien de informatie in de feitelijke situatie niet overeenstemt met de informatie in de parkeerapp, op de informatie op de borden dient te worden afgegaan.

Dat de door belanghebbende gebruikte parkeerapp van Parkline, anders dan de door de Heffingsambtenaar genoemde parkeerapp van een andere provider, destijds geen waarschuwing en of disclaimer bevatte, maakt dit niet anders.

Het Hof heeft in aanmerking genomen dat een parkeerder niet verplicht is gebruik te maken van een parkeerapp om parkeergeld te betalen. Hij kan ook nog steeds betalen bij de parkeerautomaat. Voor zover belanghebbende heeft gesteld dat hij geen nadelen mag ondervinden van gebruik van techniek door de overheid, slaagt dit betoog dan ook niet, omdat het hier een situatie betreft waarin hij er zelf voor heeft gekozen om een techniek, in dit geval de parkeerapp, te gebruiken.

4.13.

Uit het vorenstaande volgt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

Slotsom

4.14.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.15.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.16.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 21 juni 2019
door L.B.M. Klein Tank, voorzitter, A.J. Kromhout en T.A. Gladpootjes, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s‑Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.