Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:2161

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-06-2019
Datum publicatie
17-06-2019
Zaaknummer
20-000068-18
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:6709, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof, met de rechtbank, veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest voor een poging doodslag en een bedreiging met zware mishandeling. Het beroep op noodweer(exces) wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000068-18

Uitspraak : 17 juni 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 22 december 2017 in de strafzaak met parketnummer 01-845551-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans verblijvende in [detentieplaats]

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is verdachte ter zake van de onder 1 primair ten laste gelegde poging doodslag en de onder 2 ten laste gelegde bedreiging met zware mishandeling veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest.

Voorts is bij vonnis waarvan beroep ter zake van feit 1 beslist op de vordering van de benadeelde partij [aangever] , waarbij een bedrag van € 16.105,54 is toegewezen ter zake van materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voorts is de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Ter zake van feit 2 is een personenauto merk Toyota Starlet verbeurd verklaard.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen, met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel betreffende de immateriële schade en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de vordering van de benadeelde partij betreffende de immateriële schade zal toewijzen tot een bedrag van € 10.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit van het onder 1 primair ten laste gelegde, nu - aldus de verdediging - niet kan worden gesteld dat er een aanmerkelijke kans was dat aangever zou overlijden noch dat verdachte die kans bewust heeft aanvaard.

Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat verdachte ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging op grond van noodweerexces.

Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat de verklaringen van aangever en [getuige] onbetrouwbaar zijn.

Voorts heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de verdediging primair bepleit dat het deel van de vordering dat betrekking heeft op de kosten die, ware verdachte verzekerd geweest, door de zorgverzekering vergoed zouden zijn, wordt afgewezen, primair omdat verdachte niet heeft voldaan aan zijn verzekeringsplicht en zijn schadebeperkingsplicht en subsidiair omdat niet duidelijk is of aangever de gevorderde bedragen heeft betaald.

Voorts heeft de verdediging bepleit dat:

- de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard voor wat betreft de schade aangaande de telefoon;

  • -

    het deel van de vordering dat betrekking heeft op de kleding wordt afgewezen;

  • -

    het deel van de vordering dat betrekking heeft op psychische schade onvoldoende is onderbouwd.

Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de gehele vordering, omdat deze een onevenredige belasting van het strafproces oplevert.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met verbetering en aanvulling van de gronden waarop het berust.

Bewijs

Het hof neemt de bewijsmiddelen van de rechtbank over:

  • -

    met uitzondering van de op pagina 2, laatste alinea, in de verklaring van aangever na ‘uit zijn auto stapte’ opgenomen zinsnede ‘en een mes vast had’;

  • -

    met verbetering van de op pagina 3, 2e alinea opgenomen weergave van de geneeskundige verklaring d.d. 14 september 2017, in die zin dat de tweede regel als volgt komt te luiden: ‘een steekopening van ongeveer 4 cm links achter in de borstkas’ en

  • -

    met aanvulling van die weergave van de geneeskundige verklaring d.d. 14 september 2017, in die zin dat tevens wordt opgenomen de zinsnede ‘tijdens de opname toch veel bloedverlies in de borstkas’;

  • -

    met aanvulling van de eveneens op pagina 3, 2e alinea opgenomen weergave van de geneeskundige verklaring d.d. 20 september 2017, in die zin dat in regel 3 achter ‘echter later bloeding/bloed’ wordt opgenomen ‘+ klaplong’ en

  • -

    met opneming van de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 3 juni 2019, zoals hierna weergegeven in de overweging met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaring van aangever.

De in het vonnis onder het kopje “Bewijs” opgenomen overwegingen vult het hof als volgt aan.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep het verweer gevoerd dat de aangever en [getuige] een onbetrouwbare verklaring hebben afgelegd. De verdediging stelt dat aangever en [getuige] hoogstwaarschijnlijk met elkaar hebben overlegd over wat zij zouden verklaren.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt, op grond van de bewijsmiddelen, het volgende vast.

Verdachte is naar de woning van [getuige] gegaan. [getuige] kwam naar buiten en vertelde hem dat aangever daar aanwezig was en dat [getuige] geen problemen wilde in de woning. Verdachte heeft toen gezegd dat, als er problemen waren, deze moesten worden opgelost en dat aangever naar buiten moest komen. Verdachte is vervolgens in zijn auto gaan wachten.1 Het hof heeft op de camerabeelden waargenomen dat verdachte uit zijn auto stapt op het moment dat aangever aan komt fietsen. Hij loopt in de richting van aangever. Aangever gooit zijn fiets in de richting van verdachte. Verdachte pakt hierop een mes uit zijn kleding en loopt, met het mes in de rechterhand, naar aangever toe. Aangever gaat met de armen gespreid staan. Verdachte pakt aangever vervolgens met de linkerhand bij zijn shirt vast, waarop aangever een slaande beweging in de richting van het hoofd van verdachte maakt. Deze waarneming komt overeen met hetgeen de verbalisant bij het uitkijken van de camerabeelden heeft waargenomen, zoals gerelateerd in het proces-verbaal van bevindingen uitkijken camerabeelden.2 Uit de verklaringen van aangever3 en verdachte4 volgt dat aangever verdachte ook daadwerkelijk geslagen heeft. Hierop haalt verdachte uit met zijn rechterhand waarin hij nog steeds het mes vast heeft en steekt aangever, naar eigen zeggen, met kracht met het mes in de linkerzij/borstkas.5

Het hof heeft geen reden om aan de verklaring van [aangever] , voor zover gebruikt voor het bewijs, te twijfelen. Hetgeen hij heeft verklaard wordt bevestigd door de camerabeelden. Het hof acht de verklaring betrouwbaar. Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Het hof gebruikt de verklaring van [getuige] niet voor het bewijs zodat het verweer betreffende de betrouwbaarheid van diens verklaring geen bespreking behoeft.

De verdediging heeft voorts, net als in eerste aanleg, het verweer gevoerd dat er geen aanmerkelijke kans was dat het slachtoffer aan de verwondingen zou komen te overlijden en dat, zo er al een aanmerkelijke kans was op de dood van het slachtoffer, verdachte die kans niet heeft aanvaard. Het hof is van oordeel dat de rechtbank het verweer op goede gronden heeft verworpen. Dat medische zorg snel kon worden ingeroepen staat hier niet aan in de weg.

De verdediging heeft in hoger beroep aan voorgaand verweer het voorwaardelijke verzoek verbonden om, indien het hof van oordeel zou zijn dat er wel sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer, de getuige-deskundige mevrouw Wilma Duijst te horen dan wel door haar een rapportage te doen opmaken. Zij kan vaststellen of er daadwerkelijk een aanmerkelijke kans was dat aangever zou overlijden en zo ja, hoe groot die kans was, aldus de raadsvrouw.

Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen omtrent de verwerping van het verweer door de rechtbank, acht het hof het niet noodzakelijk om hierover een getuige-deskundige te horen dan wel een rapportage te doen opmaken. Het hof acht zich met hetgeen uit het onderzoek naar voren is gekomen voldoende voorgelicht. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.

De strafbaarheid van verdachte

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep het verweer gevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweerexces. Op zich mocht verdachte zich verweren, nu aangever de primaire agressor was, aangever cliënt heeft uitgelokt door met de armen gespreid te gaan staan en ‘kom maar’ te roepen en aangever de verdachte heeft geslagen. Hoewel de reactie van verdachte niet proportioneel was dient hij op grond van noodweerexces te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu hij ten tijde van het handelen verkeerde in een zeer heftige emotionele gemoedstoestand.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt:

Voor noodweerexces geldt dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien:

a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was, dan wel indien

b. op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

Het verweer van de verdediging faalt reeds, omdat naar het oordeel van het hof geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte waartegen noodzakelijke verdediging geboden was en derhalve geen sprake was van een noodweersituatie.

Weliswaar heeft aangever eerst zijn fiets in de richting van verdachte gegooid, doch verdachte is vervolgens, in plaats van zich aan een confrontatie te onttrekken, met een mes in zijn hand op aangever afgelopen. Daarmee is verdachte zelf, voorzien van een mes, de confrontatie met aangever aangegaan. Hij is, met het mes in zijn hand, op aangever afgelopen en heeft hem toen bij diens shirt vastgepakt. Uit de verklaring van aangever volgt dat hij heeft gezien dat verdachte een mes vasthad en dat hij, aangever, zich wilde verweren (verklaring [aangever] , pg 36). Het hof heeft geen reden om aan deze verklaring van aangever te twijfelen. Verdachte heeft vervolgens aangever in zijn borstkas gestoken. Deze handelingen van verdachte kunnen naar het oordeel van het hof niet anders worden gezien dan als gericht op een confrontatie met aangever en derhalve niet als verdediging.

Nu geen sprake was van een noodweersituatie, wordt het beroep op noodweerexces verworpen.

Strafoplegging

Hetgeen door de verdediging in hoger beroep is aangevoerd met betrekking tot de op te leggen straf brengt het hof niet tot een ander oordeel.

De vordering van de benadeelde partij [aangever]

Het hof vult hetgeen is overwogen met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij als volgt aan.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van de gevorderde schade betrekking hebbend op de ziektekosten - kort gezegd- aangevoerd dat het slachtoffer, door het niet afsluiten van een zorgverzekering, niet heeft voldaan aan zijn verzekeringsplicht en aan zijn schadebeperkingsplicht. Die omstandigheid is niet aan verdachte te wijten. Het is aan het slachtoffer zelf om de gevolgen hiervan te dragen, aldus de raadsvrouw.

Het hof overweegt als volgt.

Door het afsluiten van een zorgverzekering wordt niet de schade beperkt, maar wordt het risico verlegd. Het schadebedrag zou niet anders zijn als wel een zorgverzekering zou zijn afgesloten. De schade is door verdachte veroorzaakt en derhalve dient verdachte de kosten hiervoor te vergoeden. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Voorts heeft de raadsvrouw ten aanzien van de ziektekosten aangevoerd dat het maar de vraag is of het slachtoffer die schade daadwerkelijk heeft geleden, nu niet blijkt dat hij de rekeningen van het ziekenhuis daadwerkelijk heeft betaald of voornemens is dat te doen. Van geen enkele van de grote bedragen is een betalingsbevestiging overgelegd. Nu niet duidelijk is of het slachtoffer de bedragen heeft betaald, kunnen deze niet als schade worden toegewezen, aldus de raadsvrouw.

Het hof overweegt als volgt.

Door overlegging van de betreffende rekeningen acht het hof voldoende onderbouwd dat de gestelde schade daadwerkelijk is geleden. Het al dan niet reeds betaald zijn van de rekeningen door het slachtoffer doet daar niet aan af.

Ook dit verweer wordt daarom verworpen.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de schade niet is onderbouwd, nu er geen bewijzen zijn dat aangever hulp heeft gezocht van een praktijkondersteuner. Voorts is onbekend in hoeverre aangevers’ verslavingen (afkickverschijnselen) en eigen problematiek een rol spelen.

Het hof overweegt als volgt.

De rechtbank heeft de immateriële schade naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid begroot op € 4.000,00 en de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Het hof ziet in hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van de beslissing van de rechtbank inzake de immateriële schadevergoeding. Het hof neemt hierbij in aanmerking de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de ter terechtzitting in hoger beroep door de advocaat van de benadeelde partij gegeven toelichting op dit deel van de vordering.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het voorgaande.

Aldus gewezen door:

mr. Y.G.M. Baaijens- van Geloven, voorzitter,

mr. K.J. van Dijk en mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.E.M. de Ridder, griffier,

en op 17 juni 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 3 juni 2019

2 Proces-verbaal bevindingen (uitkijken camerabeelden) proces-verbaal pag. 52-53

3 Verklaring van [aangever] d.d. 14 september 2017, proces-verbaal pag. 76-77

4 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 3 juni 2019

5 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 3 juni 2019