Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:2133

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-06-2019
Datum publicatie
18-10-2019
Zaaknummer
18/00202
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:883
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 52a AWR. Informatiebeschikking. Tot de bezittingen van belanghebbende behoren verhuurde onroerende zaken, niet zijnde woningen. In verband met de beoordeling van de juistheid van de ingediende aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2011 heeft de Inspecteur verzocht om met betrekking tot de onroerende zaken kopieën van alle huurcontracten te overleggen. Na het uitblijven van een reactie van belanghebbende is de in geschil zijnde informatiebeschikking gegeven.

In 2000 heeft bij belanghebbende een boekenonderzoek plaatsgevonden. Daarbij zijn ook de in de informatiebeschikking genoemde onroerende zaken onderwerp van onderzoek geweest. In hoger is de rechtmatigheid van de informatiebeschikking in geschil.

Bevoegdheid Hof

Een informatiebeschikking is een ingevolge de belastingwet genomen besluit in de zin van artikel 26, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Dat betekent dat in hoger beroep het Hof bij uitsluiting bevoegd is kennis te nemen van het geschil.

Rechtmatigheid informatiebeschikking

Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de huurcontracten van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat partijen van mening verschillen over de vraag hoe de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaken in 2011 moet worden vastgesteld, dat de methode van waardevaststelling nog open ligt en dus ook niet op voorhand vaststaat of wel of niet een huurwaardekapitalisatiemethode wordt gebruikt.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel slaagt niet. Ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel verwijst het Hof naar r.o. 4.6.2 van zijn uitspraak van 20 januari 2017 ECLI:NL:GHSHE:2017:191 en wat betreft het vertrouwensbeginsel is het Hof van oordeel dat in het rapport van het boekenonderzoek geen afspraak is opgenomen voor de jaren vanaf 2001.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 52a
Algemene wet inzake rijksbelastingen 26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 22-10-2019
V-N Vandaag 2019/2321
FutD 2019-2778
NTFR 2019/2711
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 18/00202

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West‑Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 9 april 2018, nummer BRE 16/10319 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna te vermelden informatiebeschikking.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Met dagtekening 18 december 2015 is aan belanghebbende een informatiebeschikking zoals bedoeld in artikel 52a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) gegeven over het jaar 2011. Deze beschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur met dagtekening 17 november 2016 gedeeltelijk gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De griffier van de Rechtbank heeft een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. De griffier heeft een griffierecht geheven van € 126. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur heeft schriftelijk gedupliceerd.

1.5.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht hebben beide partijen vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.

In zijn nader stuk van 10 april 2019 heeft belanghebbende om verwijzing van zijn zaak naar een ander gerechtshof verzocht. Indien het Hof daartoe niet zou overgegaan, is in dat nader stuk een verzoek tot wraking van mrs. Pieterse en Gladpootjes gedaan. Het door belanghebbende gedane verzoek is afgewezen en de voorzitter heeft de zaak vervolgens in handen gesteld van de wrakingskamer die het wrakingsverzoek op 17 april 2019 niet‑ontvankelijk heeft verklaard.

1.7.

Het onderzoek op de zitting heeft diezelfde dag plaatsgehad te ’s‑Hertogenbosch. Daar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, bijgestaan door [A] , en namens de Inspecteur [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.8.

Belanghebbende heeft tijdens deze zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.9.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.10.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Tot de bezittingen van belanghebbende behoren verhuurde onroerende zaken, niet zijnde woningen, gelegen aan de [adres 1] en [adres 2] te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaken).

2.2.

In verband met de beoordeling van de juistheid van de ingediende aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2011 heeft de Inspecteur bij brief van 18 november 2015 belanghebbende (onder meer) verzocht om met betrekking tot de onroerende zaken kopieën van alle huurcontracten te overleggen.

2.3.

Na het uitblijven van een reactie van belanghebbende, is met dagtekening 18 december 2015 de in geschil zijnde informatiebeschikking gegeven, aangezien belanghebbende volgens de Inspecteur niet alle verzochte informatie heeft overgelegd. Belanghebbende is daarbij gewezen op de gevolgen van het niet voldoen aan deze informatiebeschikking.

2.4.

In 2000 heeft bij belanghebbende een boekenonderzoek plaatsgevonden. Daarbij zijn ook de in de informatiebeschikking genoemde onroerende zaken onderwerp van onderzoek geweest. In het rapport van 10 september 2001 dat naar aanleiding van dit onderzoek is opgesteld, is onder meer het volgende opgenomen:

“1 Reikwijdte van het onderzoek

Onderzocht en in dit rapport opgenomen is de aanvaardbaarheid van de aangiften:

- Inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 1997 en 1998

- Premie Waz 1998

- Vermogensbelasting 1998 en 1999

(…)

5 Vermogensbelasting

5.1

Overige onroerende zaken

Belastingplichtige en/of zijn echtgenote bezitten naast de eigen woning nog meer onroerende zaken. Het betreft drie verhuurde woonhuizen, 21 verhuurde garageboxen en een bedrijfspand (…).

Voor de vermogensbelasting geldt als waarderingsmaatstaf voor de overige onroerende zaken de waarde in het economische verkeer. Mijn uitgangspunt was om de waarde van deze onroerende zaken tenminste te stellen op de WOZ‑waarde. Belastingplichtige was het hier absoluut niet mee eens en wilde uitgaan van een vast percentage (60 a 70%) van de WOZ‑waarde. Ik heb vervolgens opdracht gegeven aan onze afdeling waardebepaling om de waarde in het economische verkeer van deze onroerende zaken vast te stellen. Deze heeft tot tweemaal toe contact opgenomen met belastingplichtige, waarbij geen concrete datum voor deze taxatie vastgesteld is. Daarom heb ik met belastingplichtige afgesproken (…) om bij het vaststellen van de aanslag uit te gaan van de WOZ-waardes.

(…)

7 Slotopmerkingen

(…)

Belastingplichtige gaat akkoord met de correcties, met uitzondering van de correctie onder punt 5.1 van dit rapport. (…) Inmiddels is de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1999/vermogensbelasting 2000 ingediend. De conclusies uit dit boekenonderzoek zullen ook gevolgen hebben voor die aangifte.

7.1

Afspraak

Met belastingplichtige is afgesproken om bij het vaststellen van de aanslag vermogensbelasting voor de waarde van het overig onroerend goed uit te gaan van de WOZ‑waarde. Ik ben bereid om ambtshalve deze waardes te verminderen tot door onze afdeling waardebepaling vastgestelde waardes. Belastingplichtige dient daartoe wel tijdig (binnen 6 weken) na datering van de aanslag bezwaar te maken.”

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft de rechtmatigheid van de informatiebeschikking. Meer specifiek is in geschil het antwoord op de vragen of (i) het Hof bevoegd is kennis te nemen van het geschil en, zo dat het geval is, of (ii) de huurcontracten van belang kunnen zijn voor de belastingheffing ten aanzien van belanghebbende.

Belanghebbende is van mening dat deze vragen ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor dat wat hieraan tijdens de zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces‑verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert dat het Hof niet bevoegd is, en, voor zover het Hof dat wel is, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak op bezwaar en van de informatiebeschikking. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Bevoegdheid Hof

4.1.

Een informatiebeschikking is een ingevolge de belastingwet genomen besluit in de zin van artikel 26, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Dat betekent dat in hoger beroep het Hof bij uitsluiting bevoegd is kennis te nemen van het geschil. Dat om dat geschil te kunnen beslechten een civielrechtelijke overeenkomst moet worden uitgelegd en geduid, maakt dit niet anders, omdat datgene wat door belanghebbende wordt betwist een informatiebeschikking betreft.

Rechtmatigheid informatiebeschikking

4.2.

Belanghebbende heeft zich – heel kort gezegd – op het standpunt gesteld dat de door de Inspecteur opgevraagde informatie niet nodig is om de aanslag vast te stellen. Tussen partijen bestaat overeenstemming over de juistheid van de door de Inspecteur over eerdere jaren gehanteerde indexatie-methode die diende om de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaken vast te stellen. Voor toepassing van deze methode zijn de opgevraagde huurcontracten niet relevant, aldus nog steeds belanghebbende. Daarnaast doet belanghebbende een beroep op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (waaronder het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel), aangezien naar zijn mening in het rapport van het boekenonderzoek – zie onder 2.4 hiervoor – een afspraak is gemaakt over de waardering van de onroerende zaken voor de jaren vanaf 2001. De Inspecteur bestrijdt de stellingen van belanghebbende.

4.3.

Het Hof stelt voorop dat in deze zaak over de rechtmatigheid van een informatiebeschikking geen oordeel kan worden gegeven over wat de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaken in het kader van artikel 5.19 van de Wet IB 2001 dient te zijn. Het huidige geschil beperkt zich uitsluitend tot de rechtmatigheid van de afgegeven informatiebeschikking.

4.4.

Voor de beantwoording van de vraag of voor belanghebbende de verplichting bestaat om aan de Inspecteur kopieën van de huurcontracten beschikbaar te stellen, is voldoende dat de Inspecteur, gelet op de hem ter beschikking staande gegevens zich in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de huurcontracten van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende (vergelijk Hoge Raad 18 december 2015, nr. 15/00040, ECLI:NL:HR:2015:3603, r.o. 2.4.3).

4.5.

Het Hof is van oordeel dat, in overweging nemend dat partijen van mening verschillen over de vraag hoe de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaken in 2011 moet worden vastgesteld, en dat de methode van waardevaststelling nog open ligt en dus ook niet op voorhand vaststaat of wel of niet een huurwaardekapitalisatiemethode wordt gebruikt, de Inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de huurcontracten van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende.

4.6.

Belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft betrekking op de afdoening van zaken van andere belastingplichtigen. Het Hof ziet ten aanzien van dit beroep geen reden om anders te oordelen dan is gedaan in zijn uitspraak van 20 januari 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:191, r.o. 4.6.2), waarin is overwogen dat deze belastingplichtigen bereid waren tot een compromissoire oplossing ten aanzien van de waardering van onroerend goed, terwijl belanghebbende dat niet was.

4.7.

Belanghebbende heeft ook een beroep op het vertrouwensbeginsel gedaan, aangezien naar zijn mening in het rapport van het boekenonderzoek – zie onder 2.4 hiervoor – een afspraak is gemaakt over de waardering van de onroerende zaken voor de jaren vanaf 2001. Naar het oordeel van het Hof bestaat een dergelijke afspraak niet. De reikwijdte van het boekenonderzoek is de aanvaardbaarheid van de aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 1997 en 1998, premie Waz 1998 en vermogensbelasting 1998 en 1999. In onderdeel 7 van het rapport is opgemerkt dat de conclusies uit dit boekenonderzoek ook gevolgen zullen hebben voor de – op dat moment inmiddels gedane – aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1999 en vermogensbelasting 2000. Er is dus niets afgesproken over de jaren vanaf 2001. Dat het rapport van het boekenonderzoek op 10 september 2001 is opgemaakt, maakt niet dat het ook ziet op de jaren vanaf 2001. De bewoordingen van de reikwijdte en de slotopmerkingen kunnen de door belanghebbende gewenste gevolgtrekking niet dragen.

Slotsom

4.8

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

4.9.

Belanghebbende wordt in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog aan het informatieverzoek te voldoen, dat wil zeggen kopieën van de huurcontracten te verstrekken.

Ten aanzien van het griffierecht

4.10.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.11.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, en

  • -

    verstaat dat de termijn van twee weken om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken aanvangt op de eerste dag na de dag van verzending van deze uitspraak.

Aldus gedaan op 7 juni 2019 door M.J.C. Pieterse, voorzitter, T.A. Gladpootjes en A.M.F. Geerling, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s‑Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.