Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:2119

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-06-2019
Datum publicatie
17-06-2019
Zaaknummer
200.222.910_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:4191
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroepsfout advocaat (7:401 BW). Niet is gebleken dat de advocaat zijn cliënte erover heeft geïnformeerd dat zij met haar stellingname in de echtscheidingsprocedure dat zij genoegen nam met de helft van het eigen vermogen van de onderneming van de voormalige echtelieden (de boekwaarde), afstand zou doen van de stille reserves in de onderneming.

Verwijzing naar schadestaatprocedure.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 401
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2019/77
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer gerechtshof 200.222.910/01

(zaaknummer rechtbank Oost-Brabant,

zittingsplaats Eindhoven: C/01/308005/HA ZA 16-347)

arrest van 11 juni 2019

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. A.M. Rottier te 's-Hertogenbosch,

tegen:

[geïntimeerde] ,

zaakdoende te [kantoorplaats] onder de naam [advocatenkantoor] Advocatenkantoor,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. D. Liem te Waalre.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het tussenvonnis van 7 september 2016, het eindvonnis van 24 mei 2017 en het herstelvonnis van 12 juli 2017, tussen partijen gewezen door de rechtbank Oost-Brabant, Team Civiel Recht, zittingsplaats Eindhoven.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 de dagvaarding in hoger beroep;

 de memorie van grieven met een productie;

 de memorie van antwoord;

 de akte met productie van [appellante] ;

 de antwoordakte van [geïntimeerde] .

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

In de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.14 heeft de rechtbank de feiten vastgesteld. Voor zover tegen die vaststelling geen grieven zijn gericht of anderszins bezwaar is gemaakt, vormen die feiten ook voor het hof het uitgangspunt. Het gaat in dit geding om het volgende.

3.1.

[appellante] is op 2 maart 2002 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [ex echtgenoot] (hierna: [ex echtgenoot] ).

3.2.

Toen het huwelijk werd gesloten dreef [ex echtgenoot] een onderneming als eenmanszaak. [appellante] en [ex echtgenoot] zijn op 1 augustus 2002 de vennootschap onder firma [de V.O.F.] (hierna: de VOF) aangegaan.

3.3.

Vanaf maart 2007 zijn [appellante] en [ex echtgenoot] feitelijk gescheiden gaan leven.

3.4.

De VOF is per 1 januari 2008 ontbonden. De onderneming is door [ex echtgenoot] voortgezet als eenmanszaak.

3.5.

In het kader van de fiscale afwikkeling van de ontbinding van de VOF hebben [appellante] en [ex echtgenoot] afgesproken dat er sprake zal zijn van een 'geruisloze doorschuiving' van de onderneming naar de eenmanszaak van [ex echtgenoot] , zodat met de fiscus niet afgerekend hoefde te worden over de aanwezige stille reserves. In dat kader zijn zij overeengekomen dat [appellante] uit de VOF zal treden met verrekening van het eigen vermogen per 31 december 2007. Dit eigen vermogen bedroeg € 26.200,-.

Bij brief van 15 februari 2008 (bijlage 6 bij het als productie 1 bij inleidende dagvaarding in het geding gebrachte verzoekschrift tot echtscheiding) deelt de boekhouder van de VOF, [de boekhouder van de V.O.F.] , aan de Belastingdienst mee:

"(…) dat vanaf 1 januari 2008 de V.O.F. is ontbonden en door de heer [ex echtgenoot] wordt voortgezet in de vorm van een eenmanszaak.

Wij verzoeken u beleefd een geruisloze overdracht per 1-1-2008 toe te staan en de afrekening met Mw. [appellante] op nihil te stellen.

Mw. [appellante] zal uittreden met verrekening van het Eigen Vermogen per 31 december 2007. (...).

3.6.

In 2012 heeft [appellante] aan [geïntimeerde] opdracht gegeven haar als advocaat bij te staan in de echtscheidingsprocedure. [geïntimeerde] heeft namens [appellante] op 29 mei 2012 een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend bij (thans) de rechtbank Oost-Brabant (productie 1 bij inleidende dagvaarding). In het verzoekschrift wordt tevens verzocht de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen.

3.7.

In de beschikking van 6 maart 2013 waarbij de echtscheiding is uitgesproken en de verdeling is vastgesteld (zaaknummer C01/247897/FA RK 12-2751, productie 11 bij inleidende dagvaarding) heeft de rechtbank (onder meer) geoordeeld dat aan [appellante] een bedrag van € 13.100,- toekomt wegens afrekening van het eigen vermogen tegen boekwaarde van de onderneming per 31 december 2007 (de peildatum). Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat aan [appellante] een bedrag toekomt van € 116.118,50, zijnde de helft van de totale overwaarde van de aan [ex echtgenoot] toebedeelde onroerende zaken (de woning en bedrijfsgebouwen).

3.8.

[geïntimeerde] heeft namens [appellante] op 5 juni 2013 hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank. Bij beschikking van 26 september 2013 (zaaknummer HV 200.127.976/01, productie 13 bij inleidende dagvaarding) heeft dit hof [appellante] op de voet van artikel 282a lid 2 jo. 362 Rv niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep omdat het verschuldigde griffierecht niet tijdig was betaald.

3.9.

Ook [ex echtgenoot] heeft bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank. In deze zaak heeft [geïntimeerde] namens [appellante] in het verweerschrift tevens incidenteel appel ingesteld.

Bij beschikking van 6 maart 2014 (zaaknummer HV 200.128.134/01, productie 18 bij inleidende dagvaarding) heeft het hof [appellante] niet-ontvankelijk verklaard in haar incidenteel appel.

Ten aanzien van het principaal appel van [ex echtgenoot] is het hof tot het oordeel gekomen dat de rechtbank terecht heeft beslist dat aan [appellante] een bedrag van € 13.100,- toekomt als afrekening van het eigen vermogen tegen de boekwaarde van de VOF per 31 december 2007. Voorts overwoog het hof (rechtsoverweging 3.6.3):

"Er bestaat geen rechtsgrond om de vrouw aan de betaling van die schulden [hof: de schulden van de onderneming] en een eventuele belastingclaim nog een bijdrage te laten leveren. Dit temeer omdat zij in het kader van de verdeling van de vof [de V.O.F.] genoegen heeft genomen met de helft van het eigen vermogen op de balans en daarmee de stille reserves in de onderneming bij de man heeft gelaten."

Voorts overwoog het hof in rechtsoverweging 3.7.3 van de beschikking van 6 maart 2014:

"Daar de verdeling van de vof [de V.O.F.] reeds tussen partijen heeft plaatsgevonden, zoals het hof hiervoor in rov. 3.6.3 heeft overwogen, dienen de waarde van de bedrijfshallen met ondergrond alsmede de daaraan gekoppelde hypothecaire geldleningen niet (nogmaals) bij de verdeling van de echtelijke woning betrokken te worden."

Het hof heeft de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de overwaarde van de onroerende zaken vernietigd en ter zake daarvan aan [appellante] alsnog een bedrag toegekend van € 90.572,00. Dit bedrag heeft uitsluitend betrekking op de woning.

3.11.

[appellante] heeft [geïntimeerde] bij brief van 4 februari 2014 aansprakelijk gesteld voor het niet tijdig (door)betalen van het griffierecht. In de daarop volgende brief van 4 september 2014 (productie 21 bij inleidende dagvaarding) heeft zij [geïntimeerde] tevens aansprakelijk gesteld voor het innemen van een onjuist dan wel juridisch onhoudbaar standpunt.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1.

[appellante] vordert veroordeling van [geïntimeerde] tot vergoeding van haar schade bestaande uit

 primair: € 183.279,- (de helft van de stille reserves in de VOF ten bedrage van € 168.675,-), € 498,- aan taxatiekosten en € 14.106,- ter zake van tot 1 mei gespecificeerde wettelijke rente), althans

 subsidiair: € 165.001,- (90% van de helft van de stille reserves, € 498,- aan taxatiekosten en € 12.695,- ter zake van tot 1 mei gespecificeerde wettelijke rente),

steeds te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 1 mei 2016 en met buitengerechtelijke incassokosten.

[appellante] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] voorafgaand aan en tijdens haar echtscheidingsprocedure niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mocht worden verwacht, dat [geïntimeerde] aldus toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht en dat [geïntimeerde] daarom gehouden is de schade die daarvan het gevolg is te vergoeden.

Volgens [appellante] heeft [geïntimeerde] , kort gezegd, in de echtscheidingsprocedure namens haar ten onrechte het standpunt ingenomen dat [appellante] genoegen nam met de helft van de boekwaarde van de onderneming (het eigen vermogen). [appellante] heeft zich niet gerealiseerd dat zij als gevolg van dat standpunt haar aandeel in de stille reserves van de onderneming, waaronder met name haar aandeel in de bedrijfsgebouwen, prijsgaf. [geïntimeerde] is tekortgeschoten [appellante] over dat ongewenste gevolg van het door [geïntimeerde] in de echtscheidingsprocedure namens haar ingenomen standpunt te informeren.

Voorts is [geïntimeerde] toerekenbaar tekort geschoten door in het namens [appellante] ingestelde hoger beroep tegen de echtscheidingsbeschikking het griffierecht niet (tijdig) te betalen, met niet-ontvankelijkverklaring als gevolg, aldus [appellante] .

4.2.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering.

4.3.

Bij het bestreden eindvonnis van 14 juni 2017 heeft de rechtbank de vordering afgewezen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1.

[appellante] , die in hoger beroep zeven grieven heeft aangevoerd, concludeert tot vernietiging van het eindvonnis van 14 juni 2017 en tot het alsnog toewijzen van haar vordering.

[geïntimeerde] concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.

In het hiernavolgende zal het hof de grieven gezamenlijk bespreken.

5.2.

Zoals de rechtbank heeft overwogen staat voorop dat een opdrachtnemer op grond van artikel 7:401 BW bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht moet nemen. Een advocaat moet als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Wanneer een advocaat een cliënt adviseert in het kader van een door de cliënt te nemen beslissing over een bepaalde kwestie, brengt die zorgvuldigheid mee dat de advocaat de cliënt in staat stelt goed geïnformeerd te beslissen (HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1406). Het voorgaande geldt te meer in het geval de cliënt afstand doet van enig recht, welke afstand ondubbelzinnig, uitdrukkelijk en zonder voorbehoud dient te worden gedaan. Tegen de achtergrond van dat uitgangspunt overweegt het hof als volgt.

5.3.

[appellante] heeft ter comparitie van partijen in eerste aanleg verklaard, zoals blijkt uit het van de zitting opgemaakte proces-verbaal van 17 maart 2017, dat zij bij [geïntimeerde] is gekomen met de opdracht aan hem om eruit te halen wat erin zat, namelijk de helft van de huwelijksgoederengemeenschap, met dien verstande dat zij op de vraag van [geïntimeerde] met welk bedrag zij er (in het kader van een regeling) vanaf wilde zijn heeft geantwoord: € 225.000,-. Voorts heeft [appellante] ter comparitie in eerste aanleg verklaard (bladzijde 2, zesde alinea van het proces-verbaal): "Alle fiscale verplichtingen in verband met het voortzetten van het bedrijf zouden voor rekening van mijn ex-man komen omdat hij ook de voordelen zou genieten. Er zijn geen andere afspraken gemaakt, dan dat mijn ex-man het bedrijf zou voortzetten. Het bedrijf was in mijn ogen de spullen, zodat je het bedrijf feitelijk kunt voeren. Daarnaast was er het geheel aan onroerend goed dat verkocht moest worden. Voor enkel de spullen kreeg ik die € 13.100,00."

[geïntimeerde] heeft de juistheid van die verklaringen niet althans onvoldoende gemotiveerd betwist.

Hiermee in overeenstemming is het uitgangspunt dat [geïntimeerde] in het verzoekschrift van 21 mei 2012 heeft gekozen: in het verzoekschrift tot echtscheiding en verdeling wordt namens [appellante] aanspraak gemaakt op de helft van de overwaarde van de tot de gemeenschap behorende onroerende zaak (woning en bedrijfsgebouwen), alsmede op de helft van het eigen vermogen van de onderneming.

5.4.

Zoals uit de uitspraak van het hof van 6 maart 2014 volgt, is dit uitgangspunt voor [appellante] nadelig geweest. Omdat [appellante] het heeft gelaten bij een aanspraak op de helft van het eigen vermogen van de onderneming (de helft van de boekwaarde), kan [appellante] niet daarnaast ook nog aanspraak maken op de helft van de overwaarde van de tot de onderneming behorende bedrijfsgebouwen. De bedrijfsgebouwen behoren immers tot de onderneming. Het hof heeft [appellante] in die beslissing alleen de helft van de overwaarde van de (niet tot de onderneming behorende) woning toegekend (afgezien van andere beslissingen die in de onderhavige procedure niet van belang zijn).

5.5.

Uit niets blijkt dat [geïntimeerde] [appellante] er op enig moment over heeft geïnformeerd dat zij met de stellingname dat zij genoegen nam met de helft van het eigen vermogen, afstand zou doen van de stille reserves van de onderneming (met name van de stille reserves ten aanzien van bedrijfsgebouwen), laat staan dat met [appellante] is besproken om welk bedrag het zou gaan. In ieder geval is er daaromtrent niets schriftelijk vastgelegd of bevestigd, zodat niet aangenomen kan worden dat [appellante] een weloverwogen, goed geïnformeerde, keuze heeft kunnen maken. Daarop toe te zien behoort tot het professionele domein van de redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat. Daarom faalt ook de stelling van [geïntimeerde] dat [appellante] zich  desondanks  steeds goed heeft gerealiseerd dat zij afstand deed van de stille reserves. In ieder geval volgt dat, anders dan [geïntimeerde] heeft aangevoerd, niet uit de door [appellante] en [ex echtgenoot] gemaakte afspraak dat de onderneming van de VOF per 1 januari 2008 geruisloos zou worden doorgeschoven naar de eenmanszaak van [ex echtgenoot] . De vraag welk fiscale regime bij een overdracht van een onderneming wordt toegepast, is immers een andere dan de vraag op welke wijze de waarde van een onderneming na beëindiging van de gemeenschap tussen de deelgenoten wordt verdeeld. Niet is gesteld dat [geïntimeerde] [appellante] daarover heeft ingelicht.

De stelling van [geïntimeerde] (punt 2.3 memorie van antwoord) dat [appellante] met de afspraak omtrent de geruisloze doorschuiving 'eigenlijk' al afstand heeft gedaan van haar aanspraak op de stille reserves en dat hij daarop in het verzoekschrift slechts heeft voortgeborduurd, moet, gelet op het voorgaande, dan ook worden verworpen. Het was de taak van [geïntimeerde] om als redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat [appellante] erop te wijzen dat de in het kader van een fiscale doorschuiving gehanteerde boekwaarde doorgaans aanmerkelijk lager is dan de in het kader van een verdeling in beginsel te hanteren economische waarde en dat zij daarom bij een op de boekwaarde gebaseerde verdeling van de onderneming er naar verwachting geld bij zou inschieten.

5.6.

Als het zo is dat [appellante] wel degelijk wist dat er een verschil was tussen de boekwaarde en de commerciële waarde van de onderneming en dat er bovendien taxaties waren waaruit [appellante] dat had kunnen afleiden, zoals [geïntimeerde] heeft aangevoerd (punt 2.6 memorie van antwoord), ontslaat dat [geïntimeerde] als redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat naar het oordeel van het hof niet uit zijn verplichting om [appellante] in staat te stellen goed geïnformeerd te beslissen. Dit geldt temeer nu [appellante] ter comparitie in eerste aanleg  onbestreden  heeft aangevoerd dat zij niet hooggeschoold is, het begrip stille reserves niet kende en niet wist voor welk bedrag de bedrijfsgebouwen in de boekhouding van de onderneming stonden. Hoe dan ook is het hof niet gebleken dat [geïntimeerde] [appellante] ervoor heeft gewaarschuwd dat  en tot welk beloop  zij met de door hem gekozen insteek de in de bedrijfsgebouwen aanwezige stille reserves zou prijsgeven.

5.7.

Dat [appellante] geen, althans niet geheel afstand heeft willen doen van de stille reserves, blijkt overigens uit de omstandigheid dat zij, naar vaststaat, aan [geïntimeerde] te kennen heeft gegeven dat zij in ieder geval de helft van de overwaarde van de onroerende zaak wilde (zowel de woning als de bedrijfsgebouwen). Het hof verwerpt daarom het standpunt van [geïntimeerde] (punt 2.8 memorie van antwoord) dat hij niet heeft kunnen begrijpen dat [appellante] geen genoegen nam met slechts € 13.100,- (de helft van het eigen vermogen van de onderneming) maar op méér aanspraak wilde maken.

Ook het in het verzoekschrift gekozen uitgangspunt  dat, gelet op de uitspraak van het hof van 6 maart 2014, onhoudbaar is gebleken  pleit niet voor het standpunt van [geïntimeerde] . In het verzoekschrift maakt [geïntimeerde] namens [appellante] niet alleen aanspraak op € 13.100,-, maar ook op de helft van de overwaarde van de onroerende zaak (woning en bedrijfsgebouwen). Ook hieruit blijkt dat [appellante] het niet heeft willen laten bij een bedrag van € 13.100,- ter zake van de onderneming.

De verklaring van [appellante] tijdens de mondelinge behandeling van de rekestprocedure bij de rechtbank: "Het enige wat ik vraag is de helft van € 26.000,00." (bladzijde 4 van het proces-verbaal van 23 oktober 2012) heeft naar het oordeel van het hof dan ook kennelijk betrekking gehad op de tot de onderneming behorende roerende zaken (in de woorden van [appellante] : 'de spullen', zie het hiervoor in rechtsoverweging 5.3 gedeeltelijk geciteerde proces-verbaal van 17 maart 2017) en niet op de eveneens tot de onderneming behorende onroerende zaak.

Kennelijk heeft [geïntimeerde] nagelaten [appellante] erover te informeren dat de bedrijfsgebouwen, net als 'de spullen', tot de onderneming moeten worden gerekend en zijn de keuzes van [appellante] ten aanzien van de procedure tot stand gekomen op grond van die gebrekkige informatievoorziening. Het verweer van [geïntimeerde] dat hij de procedure heeft ingestoken en gevoerd conform de wensen van [appellante] , faalt derhalve.

Bij het voorgaande neemt het hof in aanmerking dat [geïntimeerde] niet heeft betwist, zoals door [appellante] op bladzijde 32 van de memorie van grieven gesteld, dat [geïntimeerde] in het bezit was van de balans van de onderneming per 31 december 2007 en dat daarop de bedrijfsgebouwen stonden vermeld met ondergrond. [geïntimeerde] had derhalve, zich realiserend dat bij de verdeling van het ondernemingsvermogen ook de bedrijfsgebouwen moesten worden betrokken, [appellante] daarover behoren in te lichten.

5.8.

Het verweer van [geïntimeerde] dat [appellante] steeds heeft ingestemd met de aan haar in concept toegezonden processtukken en dat zij hem niet heeft gevraagd om in hoger beroep grieven te formuleren tegen de vaststelling door de rechtbank in de beschikking van 6 maart 2013 dat [appellante] slechts aanspraak maakt op de helft van het eigen vermogen van de onderneming, kan hem evenmin baten. Ook ten aanzien van deze beslissingen van [appellante] heeft het immers aan een, aan de opstelling van deze processtukken voorafgaande, adequate informatievoorziening door [geïntimeerde] ontbroken, zo volgt uit het voorgaande. Het hof komt derhalve, anders dan de rechtbank, tot de slotsom dat [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht en dat [geïntimeerde] in deze niet heeft gehandeld als een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat. Aannemelijk is dat [appellante] als gevolg daarvan schade heeft geleden. In zoverre slagen de grieven van [appellante] .

5.9.

Het hof acht zich evenwel onvoldoende in staat om het beloop van de schade in deze procedure te begroten. Zoals ook uit het door [geïntimeerde] als productie 1 bij conclusie van antwoord in het geding gebrachte schadememorandum kan worden afgeleid, dient, indien de stakende vennoot (i.c. [appellante] ) een commerciële waarde krijgt voor het aandeel dat wordt overgedragen aan de voorzettende vennoot (i.c. [ex echtgenoot] ) de commerciële waarde (wellicht) te worden gecorrigeerd met (onder meer) de toekomstige belastingclaim. . Ook dient er een inschatting van te worden gemaakt hoe de rekestprocedure zou zijn verlopen en wat daarvan de uitkomst zou zijn geweest in de hypothetische situatie waarin de beroepsfout niet zou zijn gemaakt. Omtrent  onder meer  deze kwesties heeft in deze procedure geen (voldoende) voldragen debat plaatsgevonden. Het hof ziet daarin aanleiding de zaak te verwijzen naar de schadestaatprocedure. Het hof geeft partijen bij deze stand van zaken overigens in overweging bij elkaar te rade te gaan tot het treffen van een minnelijke regeling teneinde te voorkomen dat een tijdrovende, en kostbare, schadestaat procedure moet worden gevoerd.

6 De slotsom

6.1.

De grieven slagen, zodat het bestreden vonnis zal worden vernietigd. Het hof zal [geïntimeerde] veroordelen tot betaling van schadevergoeding aan [appellante] , op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

6.2.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellante] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 102,10

- griffierecht € 1.548,00

- salaris advocaat € 2.842,00 (2 punten x tarief V)

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellante] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 105,25

- griffierecht € 1.628,00

- salaris advocaat € 4.742,00 (1,5 puntten x tarief V)

6.3.

Als niet afzonderlijk weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 24 mei 2017;

opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] tot vergoeding van de schade die [appellante] heeft geleden als gevolg van de door [geïntimeerde] gemaakte, hiervoor in de rechtsoverwegingen 5.7 en 5.8 vastgestelde beroepsfout, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellante] wat betreft de eerste aanleg begroot op € 102,10 voor explootkosten, € 1.548,- voor griffierecht en € 2.842, voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 105,25 voor explootkosten, € 1.628,- voor griffierecht en € 4.742,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief,

deze bedragen te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf bedoelde termijn tot de voldoening.

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, R.A. van der Pol en C.B.M. Scholten van Aschat, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2019.

griffier rolraadsheer