Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:2102

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-06-2019
Datum publicatie
11-06-2019
Zaaknummer
20-001584-17
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:2851, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Fiscale fraudezaak. De fiscale fraudekamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeelt de verdachte ter zake van het feitelijk leidinggeven aan het door zijn transportonderneming valselijk opmaken van de bedrijfsadministratie, het opzettelijk gebruik maken van valse suppleties voor de omzetbelasting, het onjuist doen van aangiften omzetbelasting en het voorhanden hebben van onveraccijnsde diesel tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest.

Het doen van een onjuiste suppletie voor de omzetbelasting kan niet het strafbare feit opleveren van het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte, zoals strafbaar is gesteld bij artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Bewijsoverwegingen over het valselijk opmaken van de bedrijfsadministratie, het opzettelijk gebruik maken van valse suppleties, het opzettelijk indienen van onjuiste aangiften omzetbelasting, het opzettelijk voorhanden hebben van onveraccijnsde diesel en het feitelijk leidinggeven aan de verboden gedragingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 11-06-2019
V-N Vandaag 2019/1344
FutD 2019-1614
NLF 2019/1608 met annotatie van Lisa van Esdonk-Bongaarts
V-N 2019/44.15 met annotatie van Redactie
NJFS 2019/255
NTFR 2019/1599
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Parketnummer : 20-001584-17

Uitspraak : 4 juni 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 15 mei 2017 in de strafzaak met parketnummer 02/996011-12 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum in het jaar] 1972,

wonende te [woonadres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het onder feit 1, feit 2 primair, feit 3 en feit 4 ten laste gelegde bewezen verklaard, dat gekwalificeerd als:
- ‘medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging’ (feit 1);
- ‘medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd’ (feit 2 primair);

- ‘medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en/of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd’ (feit 3) en
- ‘medeplegen van opzettelijk een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod overtreden, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd’ (feit 4),
de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.


Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder feit 1, feit 2 primair, feit 3 en feit 4 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest.

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 1, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde. Met betrekking tot hetgeen onder feit 4 aan de verdachte ten laste is gelegd heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het gerechtshof. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
[Transportonderneming verdachte] B.V., verder te noemen 'de B.V.', op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf de maand maart 2007 tot en met de maand december 2010 in de gemeente(n) Roosendaal en/of Steenbergen, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een deel van) de (bedrijfs-)administratie van de B.V., zijnde (dat deel van) die (bedrijfs-)administratie voornoemd (telkens) (een) (samenstel van) geschrift(en) die/dat bestemd waren/was om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers hebben/heeft de B.V. en/of (een of meer van) haar medeverdachte(n) toen daar (telkens) opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven – in (dat deel van) die (bedrijfs-)administratie voornoemd, opgenomen en/of verwerkt, althans doen of laten opnemen en/of verwerken:
- 12, in elk geval een of meer inkoopfactu(u)r(en), volgens factuuropdruk (telkens) afkomstig van [EC] B.V., (telkens) gericht aan de B.V. (D-012a) en/of
- 14, in elk geval een of meer inkoopfactu(u)r(en), volgens factuuropdruk (telkens) afkomstig van [ISS] B.V., (telkens) gericht aan de B.V. (D-013a) en/of
- 22, in elk geval een of meer inkoopfactu(u)r(en), volgens factuuropdruk (telkens) afkomstig van [YBS] , (telkens) gericht aan de B.V. (D-014a en D-132) en/of
- 5, in elk geval een of meer inkoopfactu(u)r(en), volgens factuuropdruk (telkens) afkomstig van [T&TSR] , (telkens) gericht aan de B.V. (D-015),
(telkens) ter zake de inkoop door de B.V. en/of de levering aan de B.V. van de op die factu(u)r(en) voornoemd vermelde goederen tegen de op die factu(u)r(en) vermelde prijzen/prijs, zulks terwijl in werkelijkheid (telkens) geen levering(en) aan de B.V. hebben/heeft plaatsgevonden door de/het op die factu(ur(en) vermelde bedrijven/bedrijf en/of tegen de op die factu(u)r(en) vermelde prijzen/prijs, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat (samenstel van) geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende hij, verdachte (telkens) opdracht gegeven tot die/dat strafbare feit(en) en/of feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging(en);

2.
[Transportonderneming verdachte] B.V., verder te noemen 'de B.V.', op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van de maand maart 2008 tot en met de maand november 2010 in de gemeente(n) Roosendaal en/of Steenbergen, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) (suppletie)aangifte(n) voor de omzetbelasting over het/de jaar/jaren 2007 en/of 2008 en/of 2009 (D-124, D-125, D-126 en AH-055, par. 1.2, 2.2 en 3.2) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers hebben/heeft de B.V. en/of (een of meer van) haar medeverdachte(n) (telkens) opzettelijk op de/het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst ingeleverde (suppletie)aangiftebiljet(ten) omzetbelasting over genoemd(e) jaar/jaren (telkens) een te laag, althans onjuist bedrag aan omzetbelasting opgegeven, terwijl die/dat feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


[Transportonderneming verdachte] B.V., verder te noemen 'de B.V.', op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van de maand maart 2008 tot en met 3 juni 2012 in de gemeente(n) Roosendaal en/of Steenbergen, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
* (telkens) opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt van (een) vals(e) of vervalst(e) (suppletie)aangiftebiljet(ten) voor de omzetbelasting over het/de jaar/jaren 2007 en/of 2008 en/of 2009 (D-124, D-125, D-126 en AH-055, par. 1.2, 2.2 en 3.2) – zijnde (telkens) (een) geschrift(en) die/dat bestemd waren/was om tot bewijs van enig feit te dienen – als ware(n) die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken (telkens) hierin dat de B.V. en/of (een of meer van) haar medeverdachte(n) die/dat (suppletie)aangiftebiljet(ten) voornoemd (telkens) heeft/hebben ingezonden, althans ingediend bij de (bevoegde Inspecteur van) de Belastingdienst en/of
* (telkens) opzettelijk (een) (afschrift(en) van) voornoemd(e) vals(e) of vervalst(e) (suppletie)aangiftebiljet(ten) voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl de B.V. en/of haar medeverdachte(n) (telkens) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die/dat geschrift(en) (telkens) bestemd was/waren voor gebruik, als ware(n) die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst, bestaande die valsheid of vervalsing (telkens) hierin dat op die/dat (suppletie)aangiftebiljet(ten) voor de omzetbelasting en/of op die/dat afschrift(en) van die/dat (suppletie)aangiftebiljet(en) voor de omzetbelasting over genoemd(e) jaar/jaren (telkens) een te laag, althans onjuist bedrag aan belasting werd vermeld, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

3.
[Transportonderneming verdachte] B.V., verder te noemen 'de B.V.', op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf de maand juni 2007 tot en met de maand juli 2010 in de gemeente(n) Roosendaal en/of Steenbergen en/of Apeldoorn, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (onder meer) (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting over het/de aangiftetijdvak(ken) 2e kwartaal 2007 (D-018) en/of 4e kwartaal 2007 (D-020) en/of mei 2008 (D-023) en/of oktober 2008 (D-028) en/of maart 2009 (D-033) en/of 3e kwartaal 2009 (D-037) en/of 2e kwartaal 2010 (D-040), onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan, immers heeft/hebben de B.V. en/of (een of meer van) haar medeverdachte(n) (telkens) opzettelijk op de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst ingeleverde aangifte(n) omzetbelasting over genoemd(e) aangiftetijdvak(ken) (telkens) een te laag, althans een onjuist, bedrag aan omzetbelasting opgegeven, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

4.
[Transportonderneming verdachte] B.V., verder te noemen 'de B.V.', op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 januari 2008 tot en met 12 maart 2012 in de gemeente Roosendaal en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk een accijnsgoed, te weten (telkens) een of meer hoeveelheid/hoeveelheden diesel brandstof tot een totaal van ongeveer 635.457,70 liter, in elk geval een of meer hoeveelheid/hoeveelheden diesel brandstof (D-145), voorhanden heeft/hebben gehad, dat/die (telkens) niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing was/waren betrokken, hebbende hij, verdachte, (telkens) opdracht gegeven tot dat/die strafbare feit(en) en/of (telkens) feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging(en).

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het onder feit 2 primair ten laste gelegde

De verdachte staat ingevolge hetgeen onder feit 2 primair aan hem ten laste is gelegd terecht ter zake van het feitelijk leidinggeven aan het door [Transportonderneming verdachte] B.V. al dan niet in vereniging opzettelijk doen van onjuiste ‘suppletieaangiften’ over de jaren 2007, 2008 en 2009.

Het hof stelt dienaangaande vast dat een suppletie voor de omzetbelasting geen aangifte is in de zin der wet. In dat verband heeft het hof acht geslagen op de parlementaire geschiedenis bij de invoering van enkele belastingwetten en enige andere wetten (overige fiscale maatregelen 2012), waarin het volgende is opgenomen:

“De suppletie is juridisch gezien geen aangifte en ontbeert elke wettelijke grondslag. De Belastingdienst merkt deze suppleties aan als een verzoek om het opleggen van een naheffingsaanslag of als een (meestal te laat) bezwaar tegen de eigen aangifte.” 1

Uit de brief van de staatssecretaris van Financiën van 23 april 2007 komt eenzelfde beeld naar voren.2 In deze brief is namelijk, voor zover te dezen van belang, het volgende vermeld:

“(...) Hoe dient een belastingplichtige te handelen, indien hij na de voldoening of afdracht van belasting op aangifte constateert dat hij daarbij te weinig belasting heeft betaald? Dient hij het te weinig betaalde dan uit eigen beweging alsnog te betalen? Zo ja, moet daarbij dan niet een (aangifte) worden gedaan, gegeven het feit dat de belastingwet hem verplicht om de verschuldigde belasting "op aangifte" te betalen?

Kernpunt daarbij is dat een suppletieaangifte geen aangifte is in juridische zin, maar dat – zonder dat daarbij strijd ontstaat met het door de wetgever in de AWR gekozen stelsel – sprake is van hetzij een verzoek om een naheffingsaanslag (bij te weinig betaalde belasting), hetzij een bezwaar tegen de eigen aangifte (bij te veel betaalde belasting). Ingeval een belastingplichtige te weinig belasting heeft betaald, is hij in verzuim en kan hij op grond van de AWR niet opnieuw een gewone aangifte doen. Alleen een naheffingsaanslag biedt dan de mogelijkheid om de juiste belasting te betalen, waarbij deze aanslag alleen wordt opgelegd zonder verzuimboete indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan. (...).” 3

Een suppletie is ook niet gebaseerd op een uitnodiging tot het doen van aangifte als bedoeld in artikel 6 en 8 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.4


Gelet op het voorgaande kan het doen van een onjuiste suppletie derhalve niet het strafbare feit opleveren van het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte, zoals strafbaar is gesteld bij artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Mitsdien kan evenmin wettig en overtuigend worden bewezen dat [Transportonderneming verdachte] B.V. onjuiste aangiften heeft gedaan, aan welke verboden gedragingen de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven, zodat de verdachte zal worden vrijgesproken van hetgeen onder feit 2 primair aan hem ten laste is gelegd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1, feit 2 subsidiair, feit 3 en feit 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
[Transportonderneming verdachte] B.V., verder te noemen 'de B.V.', in de periode vanaf de maand maart 2007 tot en met de maand december 2010 in de gemeente(n) Roosendaal en/of Steenbergen, opzettelijk (een deel van) de bedrijfsadministratie van de B.V., zijnde dat deel van die bedrijfsadministratie voornoemd een samenstel van geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft de B.V. toen daar opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid in (dat deel van) die bedrijfsadministratie voornoemd, doen of laten opnemen en/of verwerken:
- 12 inkoopfacturen, volgens factuuropdruk afkomstig van [EC] B.V., gericht aan de B.V. en
- 14 inkoopfacturen, volgens factuuropdruk afkomstig van [ISS] B.V., gericht aan de B.V. en
- 22 inkoopfacturen, volgens factuuropdruk afkomstig van [YBS] , gericht aan de B.V. en
- 5 inkoopfacturen, volgens factuuropdruk afkomstig van [T&TSR] , gericht aan de B.V.,
telkens ter zake de inkoop door de B.V. en de levering aan de B.V. van de op die facturen voornoemd vermelde goederen tegen de op die facturen vermelde prijzen, zulks terwijl in werkelijkheid telkens geen levering aan de B.V. heeft plaatsgevonden door de op die facturen vermelde bedrijven en tegen de op die facturen vermelde prijzen,
zulks met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende hij, verdachte feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging;

2.
[Transportonderneming verdachte] B.V., verder te noemen 'de B.V.', op tijdstippen in de periode van de maand maart 2008 tot en met 3 juni 2012 in de gemeente(n) Roosendaal en/of Steenbergen, althans in Nederland, telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse suppletie voor de omzetbelasting over het jaar 2007 en 2008 en 2009 – zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat de B.V. die suppletie voornoemd telkens heeft ingezonden, althans ingediend bij de bevoegde Inspecteur van de Belastingdienst,
bestaande die valsheid telkens hierin dat op die suppletie voor de omzetbelasting over genoemde jaren een onjuist bedrag aan belasting werd vermeld, aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven;

3.
[Transportonderneming verdachte] B.V., verder te noemen 'de B.V.', op tijdstippen in de periode vanaf de maand juni 2007 tot en met de maand juli 2010 in de gemeente(n) Roosendaal en/of Steenbergen en/of Apeldoorn, althans in Nederland, telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de omzetbelasting over de aangiftetijdvakken 2e kwartaal 2007 en 4e kwartaal 2007 en mei 2008 en oktober 2008 en maart 2009 en 3e kwartaal 2009 en 2e kwartaal 2010 onjuist heeft gedaan, immers heeft de B.V. telkens opzettelijk op de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst ingeleverde aangiften omzetbelasting over genoemde aangiftetijdvakken een onjuist bedrag aan omzetbelasting opgegeven, terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven;

4.
[Transportonderneming verdachte] B.V., verder te noemen 'de B.V.', op tijdstippen in de periode van 19 januari 2008 tot en met 12 maart 2012 in de gemeente Roosendaal en/of elders in Nederland, telkens opzettelijk een accijnsgoed, te weten hoeveelheden diesel voorhanden heeft gehad, die telkens niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken, hebbende hij, verdachte, telkens feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedragingen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

A.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern het volgende aangevoerd.

De verdachte hield zich in de praktijk met name bezig met de uitvoerende zaken binnen [Transportonderneming verdachte] B.V. Hij bestuurde en repareerde vrachtwagens, zorgde soms voor het tanken van diesel, maar heeft geen actieve bemoeienis gehad met de administratie en belastingaangiften van het bedrijf. In dit verband heeft de raadsman gewezen op de getuigenverklaring van [administratief medewerkster] , voormalig administratief medewerkster bij [Transportonderneming verdachte] B.V., waaruit hetzelfde beeld naar voren komt. Verdachte is verder een tijdje uit de roulatie geweest, toen hij in detentie zat.

Medeverdachte [medeverdachte 1] (na echtscheiding van de verdachte thans genaamd: [medeverdachte 1] ), medeverdachte (en boekhouder van de B.V.) [boekhouder/medeverdachte 2] , alsmede [medewerker] , medewerker van [Transportonderneming verdachte] B.V., hebben jegens de verdachte belastend verklaard. In de visie van de verdediging kan aan die verklaringen echter geen geloof worden gehecht, omdat [medeverdachte 1] en [medewerker] enerzijds hun eigen rol in de onderhavige strafbare feiten trachten te bagatelliseren en anderzijds omdat zij de onderneming van [Transportonderneming verdachte] B.V. hebben voortgezet in de onderneming [nieuwe transportonderneming medeverdachten] B.V. Zij zijn degenen die fout bezig zijn geweest en de schuld vervolgens bij verdachte neerleggen, aldus de verdediging.

B.

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn de volgende feiten en omstandigheden naar voren gekomen.

B.1 Valselijk opmaken van de bedrijfsadministratie (feit 1)

[Transportonderneming verdachte] B.V. is op 31 oktober 2003 opgericht en de onderneming was gevestigd te Roosendaal. De onderneming hield zich bezig met (internationaal) transport op de weg. Bestuurder en enig aandeelhouder van [Transportonderneming verdachte] B.V. is verdachte. Op 2 oktober 2012 is [Transportonderneming verdachte] B.V. failliet verklaard.

Op 15 maart 2011 is door de Belastingdienst een boekenonderzoek ingesteld bij [Transportonderneming verdachte] B.V. Ten aanzien van de inkoopfacturen die afkomstig zouden zijn van [EC] B.V., [ISS] B.V., [YBS] en [T&TSR] zijn diverse ongerijmdheden geconstateerd. Deze facturen waren verwerkt in de administratie van [Transportonderneming verdachte] B.V. over de jaren 2007 tot en met 2010. Er is geen enkele aangifte omzetbelasting over de jaren 2007 tot en met 2010 gedaan die aansluit bij de financiële administratie. Ook na eliminatie van de omzetbelasting die op de facturen was vermeld kon de fiscus geen aansluiting maken.

Vertegenwoordigers van [EC] B.V., [ISS] B.V., [YBS] en [T&TSR] zijn door de FIOD gehoord. Kort gezegd hebben zij allen verklaard de desbetreffende beweerdelijk van hun bedrijf afkomstige inkoopfacturen niet te kennen. De facturen zijn niet door deze bedrijven opgemaakt, de leveringen hebben niet plaatsgevonden en [Transportonderneming verdachte] B.V. of de naam van de verdachte zijn hen niet bekend.

Bij gelegenheid van haar verhoor door de FIOD heeft medeverdachte [medeverdachte 1] met betrekking tot de onder feit 1 in de tenlastelegging genoemde inkoopfacturen verklaard dat zij wist dat die facturen onjuist waren en dat de verdachte deze is gaan zoeken om zijn administratie ‘schoon’ te houden. Voorts verklaarde zij dat de goederen genoemd op de facturen niet zijn betaald omdat de facturen vals zijn. De verdachte heeft volgens haar mensen geregeld die deze facturen hebben opgemaakt voor [Transportonderneming verdachte] B.V.

Getuige [getuige 1] heeft ten overstaan van de rechter-commissaris soortgelijk verklaard, in die zin dat door [Transportonderneming verdachte] B.V. de omzetbelasting werd teruggevraagd middels valse facturen en dat de verdachte hem zelf over die valse facturen heeft verteld. Die valse facturen werden volgens [getuige 1] bij derden door de verdachte ingekocht.

Boekhouder [boekhouder/medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij de facturen van de verdachte heeft gekregen. Dat was pas veel later dan de vermelde factuurdatum. De verdachte stond erop dat [boekhouder/medeverdachte 2] deze facturen in de administratie zou verwerken, hetgeen [boekhouder/medeverdachte 2] heeft gedaan.

Het hof is gelet op het voorgaande, in combinatie met de overige gebezigde bewijsmiddelen, met de rechtbank van oordeel dat de op naam van [EC] B.V., [ISS] B.V., [YBS] en [T&TSR] gestelde inkoopfacturen vals zijn, omdat in tegenstelling tot hetgeen de factuur doet vermoeden in werkelijkheid geen levering aan [Transportonderneming verdachte] B.V. heeft plaatsgevonden. Door deze valse inkoopfacturen vervolgens in de administratie te doen opnemen en/of verwerken, heeft [Transportonderneming verdachte] B.V. valselijk haar bedrijfsadministratie opgemaakt.


B.2 Opzettelijk gebruik maken van valse suppleties (feit 2)

Uit de verklaring van boekhouder [boekhouder/medeverdachte 2] volgt dat voornoemde inkoopfacturen zijn verwerkt in de suppleties voor de omzetbelasting over de jaren 2007, 2008 en 2009. De suppleties zijn daarmee onjuist, aangezien de daaraan ten grondslag liggende inkoopfacturen vals zijn. Doordat deze suppleties vervolgens – nadat deze door [boekhouder/medeverdachte 2] waren besproken met en goedgekeurd waren door de verdachte en/of [medeverdachte 1] – zijn ingediend bij de Belastingdienst, heeft [Transportonderneming verdachte] B.V. daarvan opzettelijk gebruik gemaakt.

B.3 Opzettelijk indienen van onjuiste aangiften omzetbelasting (feit 3)
De gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder de bevindingen van de Belastingdienst met betrekking tot de ingediende aangiften over de aangiftetijdvakken 2e kwartaal 2007, 4e kwartaal 2007, mei 2008, oktober 2008, maart 2009, 3e kwartaal 2009 en 2e kwartaal 2010 alsmede de verklaring van boekhouder [boekhouder/medeverdachte 2] , leiden het hof tot het oordeel dat deze aangiften voor de omzetbelasting door [Transportonderneming verdachte] B.V. opzettelijk onjuist zijn gedaan. In dit verband heeft boekhouder [boekhouder/medeverdachte 2] verklaard dat hij de kosten van [Transportonderneming verdachte] B.V., waaronder de brandstofkosten, bij gebreke van inkoopfacturen heeft geschat. Hij heeft daarnaast verklaard dat de bedrijfsresultaten van [Transportonderneming verdachte] B.V. niet goed waren en dat hij daarom de voorbelasting en verschuldigde omzetbelasting aan elkaar gelijk heeft gesteld. Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat de aangiften omzetbelasting werden besproken met de verdachte en dat [boekhouder/medeverdachte 2] van hem de opdracht kreeg om deze aangiften in te dienen. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij en haar (hof: toenmalige) man contante opnames deden ten behoeve van de betaling van brandstof, de lonen, onderdelen, reparaties, alsmede voor privé-uitgaven. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat er wekelijks € 20.000,00 tot € 30.000,00 werd opgenomen voor betalingen.

Doordat de verantwoording van de (contant gedane) uitgaven toentertijd ontbrak, konden de aangiften omzetbelasting ten tijde van het indienen daarvan redelijkerwijs niet juist zijn. Door aldus te handelen hebben [boekhouder/medeverdachte 2] en de verdachte naar het oordeel van het hof derhalve minstgenomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze aangiften onjuist werden gedaan.

B.4 Opzettelijk voorhanden hebben van onveraccijnsde diesel (feit 4)
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bekend dat hijzelf, dan wel een medewerker in zijn opdracht, namens [Transportonderneming verdachte] B.V. in de periode van 19 januari 2008 tot en met 12 maart 2012 in Essen (België) en Moerdijk onveraccijnsde diesel heeft gekocht ten behoeve van de vrachtwagens en een koelinstallatie. Deze aankopen geschiedden contant, zonder dat daarover BTW werd betaald.

Het hof stelt vast dat door de FIOD niet is onderzocht of de verkoper van de diesel in Moerdijk al dan niet accijns over die verkochte diesel heeft voldaan. Daarover is althans niets gerelateerd in het procesdossier en zulks is ook anderszins niet uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen. Bij gebreke van de vaststelling dat sprake was van onveraccijnsde diesel kan het ten laste gelegde mitsdien, voor zover dat betrekking heeft op de in Nederland afgenomen dieselhoeveelheden, in zoverre niet worden bewezen. De enkele verklaring van verdachte dienaangaande is onvoldoende om te concluderen tot bewezenverklaring. Hetzelfde geldt voor de overige hoeveelheden diesel, waarvan niet is kunnen worden vastgesteld van wie die zijn betrokken.5

Met betrekking tot de in Essen (België) gekochte diesel stelt het hof vast dat [Transportonderneming verdachte] B.V., ook al is door de verkoper in België accijns voldaan over de diesel, ingevolge artikel 2b juncto artikel 51 van de Wet op de accijns (tekst tot 1 april 2010) respectievelijk artikel 2e juncto artikel 51, eerste lid, sub h van de Wet op de accijns (tekst met ingang van 1 april 2010) toch in Nederland accijns verschuldigd is, omdat sprake is van het voorhanden hebben van accijnsgoederen door anderen dan particulieren (namelijk een onderneming, te weten [Transportonderneming verdachte] B.V.). Een uitzondering geldt voor de gevallen waarin de diesel in de tank van de vrachtwagens is getankt.6 Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat [Transportonderneming verdachte] B.V. in België zowel rechtstreeks in de tank van de vrachtwagens diesel heeft afgenomen, alsook dat aldaar losse containers (IBC’s) zijn volgetankt met diesel, welke containers vervolgens naar het bedrijf van [Transportonderneming verdachte] B.V. in Roosendaal werden getransporteerd. Over de in die losse containers getankte diesel was aldus, ingevolge voornoemde wettelijke bepalingen, in Nederland wel accijns verschuldigd.

Op grond van het bestemmingslandbeginsel dient het verbruik in Nederland te worden belast en dient de in België geheven accijns te worden teruggegeven. In zoverre kan het onder feit 4 ten laste gelegde derhalve wettig en overtuigend worden bewezen.

Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat het procesdossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om te kunnen oordelen tot welke specifieke hoeveelheid [Transportonderneming verdachte] B.V. onveraccijnsde diesel in de containers voorhanden heeft gehad, aangezien niet is komen vast te staan hoeveel liters diesel rechtstreeks zijn getankt in de tank van de vrachtwagen en hoeveel liters in de losse containers zijn afgenomen. Zoals reeds hiervoor is overwogen biedt het procesdossier evenmin voldoende aanknopingspunten om te kunnen vaststellen dat de in Nederland gekochte diesel onveraccijnsd was. Ten aanzien van de diesel waarvan onbekend is bij wie die is betrokken biedt het procesdossier ook onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen vaststellen dat die diesel in Nederland onveraccijnsd was.7 Aldus schiet het bewijs tekort om een totaal van ongeveer 635.457,70 liter diesel, zoals ten laste is gelegd, te kunnen bewijzen.

Het voorgaande leidt het hof tot de conclusie dat [Transportonderneming verdachte] B.V. hoeveelheden onveraccijnsde diesel voorhanden heeft gehad, aan welke verboden gedraging de verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven.


C.

Met betrekking tot het feitelijk leidinggeven aan de verboden gedragingen, die aan de rechtspersoon [Transportonderneming verdachte] B.V. kunnen worden toegerekend, overweegt het hof als volgt.

De verdachte was sinds 9 november 2006 directeur en aandeelhouder van [Transportonderneming verdachte] B.V. Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat het de verdachte is geweest die de (uiteindelijk) beslissingsbevoegde binnen [Transportonderneming verdachte] B.V. was. In dat kader wijst het hof in het bijzonder op de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1] en boekhouder [boekhouder/medeverdachte 2] , alsmede op de getuigenverklaringen van [getuige 1] , chauffeurs [getuige 2] en [getuige 3] , dieselverkoper [getuige 4] , [getuige 5] en accountant [getuige 6] .

Het hof stelt, mede op grond van hetgeen hiervoor onder B.1, B.2 en B.3 is overwogen, vast dat de verdachte zelf valse inkoopfacturen heeft gekocht of geregeld, deze aan boekhouder [boekhouder/medeverdachte 2] heeft gegeven ter verwerking in de administratie, dat de suppleties en aangiften omzetbelasting met de verdachte zijn besproken en dat de verdachte opdracht heeft gegeven om deze in te dienen bij de Belastingdienst. Aldus heeft de verdachte actief en effectief gedrag vertoond dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip feitelijk leidinggeven valt, welke bijdrage bovendien zodanig is dat deze heeft geleid tot de verboden gedragingen. Van de verdachte is immers een zodanig initiatief uitgegaan om de valse facturen in de bedrijfsadministratie op te nemen en om de aangiften omzetbelasting en suppleties onjuist te doen, dat hij geacht moet worden aan die verboden gedragingen feitelijke leiding te hebben gegeven. De verdachte had tevens in zijn hoedanigheid van directeur en aandeelhouder zeggenschap over die verboden gedragingen.

Aangezien de verantwoording voor de contante uitgaven in de administratie aanvankelijk ontbrak, de verdachte dat wist en hij daarnaast nadien zelf valse inkoopfacturen heeft gekocht c.q. geregeld om gaten in de administratie te dichten, kan de conclusie voorts geen andere zijn dan dat de verdachte wetenschap had van de valsheid van de bedrijfsadministratie en de onjuistheid van de suppleties en aangiften omzetbelasting.

Dat de verdachte geen actieve bemoeienis heeft gehad met de administratie en belastingaangiften van [Transportonderneming verdachte] B.V. en dat de wetenschap van de strafbare gedragingen bij hem ontbrak, zoals de verdediging ten verwere heeft aangevoerd, vindt zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen. De omstandigheid dat getuige [administratief medewerkster] anders heeft verklaard over de rol van de verdachte bij de administratie (namelijk dat [medeverdachte 1] stukken weggooide en [administratief medewerkster] dat niet tegen verdachte mocht zeggen) doet daar niet aan af, reeds omdat zij slechts drie à vier maanden heeft gewerkt voor de (onderneming van de) verdachte en dat uit haar verklaring bovendien blijkt dat de verdachte informeerde hoe het er voor stond met de administratie en hij geregeld met facturen bij haar kwam.8

Het hof is overigens van oordeel dat de verdachte ook gedurende de tijd dat hij vanaf 27 juni 2008 tot 22 augustus 2009 in België gedetineerd is geweest als feitelijk leidinggever aan de verboden gedragingen kan worden aangemerkt. Uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] komt immers naar voren dat als er tijdens de detentie van de verdachte beslissingen moesten worden genomen, dat zij dan naar de gevangenis ging, de verdachte de beslissingen nam en zei wat zij moest doen. De verdachte voerde aldus toentertijd de regie over het bedrijf vanuit de gevangenis. Ook boekhouder [boekhouder/medeverdachte 2] heeft in dit verband verklaard dat de verdachte vanuit de gevangenis instructies gaf aan [medeverdachte 1] . [boekhouder/medeverdachte 2] heeft voorts verklaard dat de verdachte eind 2009/begin 2010 met een stapel facturen bij hem kwam om deze facturen in te laten boeken. [boekhouder/medeverdachte 2] heeft dat met enige tegenzin voor de verdachte gedaan. Het hof leidt uit laatstgenoemde verklaring af dat de verdachte aldus heeft bewerkstelligd dat de lacune in de administratie tijdens (een deel van) zijn detentieperiode werd gedekt.

Anders dan de verdediging acht het hof de verklaringen van [medeverdachte 1] , [boekhouder/medeverdachte 2] en [medewerker] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Deze voor de verdachte belastende gedetailleerde verklaringen vinden immers op essentiële punten steun in elkaar, met name waar het de verklaringen van [medeverdachte 1] en [boekhouder/medeverdachte 2] betreft. Niet valt in te zien, met name niet voor wat betreft de verklaring van [boekhouder/medeverdachte 2] (die geen eigen financieel belang heeft bij de tenlastegelegde handelingen), waarom deze personen een onwaarachtige verklaring zouden hebben afgelegd. Hetgeen de raadsman diengaande naar voren heeft gebracht, maakt dit oordeel niet anders. Dat deze personen de ondernemingsactiviteiten van [Transportonderneming verdachte] B.V. hebben voortgezet in een andere onderneming en dat [medeverdachte 1] en [boekhouder/medeverdachte 2] als medeverdachten zijn aangemerkt, maakt immers nog niet dat hun verklaringen als ongeloofwaardig terzijde behoren te worden gesteld.

Ten slotte is van een beweerdelijk complot tussen [medeverdachte 1] , [boekhouder/medeverdachte 2] en [medewerker] tegen de verdachte omwille van geld, zoals de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht, naar het oordeel van het hof niet gebleken. Een dergelijk scenario vindt op geen enkele wijze steun in het procesdossier en is ook overigens niet aannemelijk geworden.

D.

Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.

Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat [Transportonderneming verdachte] B.V. het onder feit 1, feit 2 subsidiair, feit 3 en feit 4 ten laste gelegde heeft begaan, aan welke verboden gedragingen de verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde van het onder feit 1 ten laste gelegde wordt als volgt gekwalificeerd:

valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Het bewezen verklaarde van het onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde wordt als volgt gekwalificeerd:

opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Het bewezen verklaarde van het onder feit 3 ten laste gelegde wordt als volgt gekwalificeerd:

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Het bewezen verklaarde van het onder feit 4 ten laste gelegde wordt als volgt gekwalificeerd:

opzettelijk een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod overtreden, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich als feitelijk leidinggever schuldig heeft gemaakt aan het door zijn transportonderneming valselijk opmaken van de bedrijfsadministratie, het opzettelijk gebruik maken van valse suppleties voor de omzetbelasting, het onjuist doen van aangiften omzetbelasting en het voorhanden hebben van onveraccijnsde diesel. Op deze wijze hebben de Staat der Nederlanden en de Europese Unie voor de omzetbelasting een belastingnadeel van € 383.120,44 geleden. Bij gebreke van het kunnen vaststellen van de exacte hoeveelheid in België gekochte diesel in losse containers (IBC’s), zoals hiervoor onder B.4 is overwogen, is het belastingnadeel voor wat betreft de in Nederland misgelopen accijns niet exact vast te stellen. Evenmin kan worden vastgesteld of de diesel waarvan onbekend is bij wie die is gekocht onveraccijnsd was.9 Gelet op de omvang van de aan de orde zijnde accijnsgoederen, stelt het hof evenwel vast dat het nadeel voor de Staat der Nederlanden aanzienlijk is.

Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. Bij belastingheffing zijn immers in het algemeen gewichtige gemeenschapsbelangen betrokken. Met belastingheffing wordt beoogd de Staat der Nederlanden en de Europese Unie geldmiddelen te verschaffen die voor hun instandhouding en taakvervulling noodzakelijk zijn. De verdachte heeft door zijn handelwijze deze gemeenschapsbelangen geschonden. Dergelijk strafbaar gedrag leidt er uiteindelijk toe dat bonafide belastingplichtigen meer belasting moeten betalen.

Voorts is het voor een goede werking van het systeem voor de heffing van omzetbelasting essentieel dat uitgegaan kan worden van de betrouwbaarheid, juistheid en volledigheid van de aangiften. Het systeem van de omzetbelasting is immers mede gebaseerd op het vertrouwen dat de ondernemer een juiste aangifte en suppletie doet en dat de Belastingdienst op basis daarvan de verschuldigde omzetbelasting of teruggave daarvan vaststelt. De verdachte heeft hiervan grof misbruik gemaakt. Door aangiften en suppleties te doen die niet stroken met de werkelijkheid, wordt het systeem van de heffing van omzetbelasting ondergraven.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 14 maart 2019, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder in Nederland onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij gescheiden is van zijn echtgenote, samen met haar een dochter heeft die hij niet ziet, een bijstandsuitkering geniet, woonachtig is in een huurhuis en te kampen heeft een privéschuldenlast. Met betrekking tot zijn gezondheidssituatie is aangevoerd dat de verdachte last heeft van depressieklachten en dat de tijd in uitleveringsdetentie in Georgië een zware wissel op hem heeft getrokken.

Het hof is van oordeel dat, ondanks de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezen verklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Alles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Daarbij heeft het hof tevens de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als indicatie voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid ten aanzien van fraude, in aanmerking genomen.

Al hetgeen overigens door de verdediging omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte naar voren is gebracht, leidt het hof niet tot een andersluidend, matigend oordeel met betrekking tot de op te leggen straf. Nu het hof zich, mede op grond van de daaromtrent door de raadsman overgelegde stukken ter terechtzitting in hoger beroep, voldoende voorgelicht acht over het psychisch toestandsbeeld van de verdachte, behoeft het bij repliek gedane voorwaardelijke verzoek tot het laten opstellen van een dubbelrapportage Pro Justitia geen bespreking meer.

Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak het volgende. Het hof stelt vast dat de verdachte voor het eerst op 4 november 2013 door de FIOD als verdachte is gehoord. Nadat hij was gedagvaard voor de rechtbank en de zaak in eerste aanleg was behandeld, heeft de rechtbank op 15 mei 2017 vonnis gewezen. Vervolgens is namens de verdachte op 22 mei 2017 hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van heden – 4 juni 2019 – einduitspraak. Het tijdsverloop tussen het aanvangsmoment van de ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het wijzen van vonnis door de rechtbank bedraagt derhalve 3 jaren en ruim 6 maanden. Het tijdsverloop tussen het instellen van hoger beroep en het wijzen van eindarrest bedraagt op basis van het voormelde iets meer dan 2 jaren. Voorts behelst de totale procesduur in eerste aanleg en hoger beroep meer dan 4 jaren.

Bij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden kunnen bijzondere omstandigheden een rol spelen, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Hoewel de onderhavige zaak complex van aard is en de verdediging diverse (door de rechtbank en het hof gehonoreerde) onderzoekswensen heeft ingediend, is het hof van oordeel dat die redenen niet het gehele tijdsverloop verklaren.

Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat de redelijke termijn in totaliteit met ongeveer 1 jaar en ruim 6 maanden is overschreden. Het hof zal deze overschrijding ten faveure van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat de op te leggen gevangenisstraf zal worden gematigd met 2 maanden.


Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte, evenals de rechtbank en zoals is gevorderd door de advocaat-generaal, zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in (Nederlands) voorarrest heeft doorgebracht, alsmede op grond van artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht de tijd gedurende welke de verdachte in uitleveringsdetentie in Georgië heeft gezeten, zijnde in totaal ruim 15 maanden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 51, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, alsmede de artikelen 5 en 97 van de Wet op de accijns, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder feit 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1, feit 2 subsidiair, feit 3 en feit 4 ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. drs. P. Fortuin, voorzitter,

mr. J. Platschorre en mr. P.J. Hödl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.N. van Veen, griffier,

en op 4 juni 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. P.J. Hödl is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Kamerstukken II 2011/12, 33 004, nr. 3 (MvT), p. 60.

2 Brief van de staatssecretaris van Financiën van 23 april 2007, nr. DGB2007-1221, Kamerstukken II 2006/2007, aanhangsel 1325, onder meer gepubliceerd in V-N 2007/21.4 naar aanleiding van kamervragen over een uitspraak van dit hof van 11 augustus 2006, nr. 03/01205, ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ8216.

3 Zie het gelijkluidende antwoord van de staatssecretaris van Financiën, van 25 augustus 2008, nr. DGB 2008-03325, op vragen van kamerleden over – onder meer – het standpunt van de staatssecretaris naar aanleiding van de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 21 november 2007, nr. 06/00325, ECLI:NL:GHSHE:2007:BC3164 in V–N 2008/25.7. Zie voorts de toelichting in dezelfde zin in NTFR 2009/185 van de staatssecretaris van Financiën om geen beroep in cassatie in te stellen tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 10 oktober 2008, nr. 07/00257.

4 Vgl. HR 23 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL6161.

5 Overzicht aangekochte gasolie, D-145, dossierpagina 1471 e.v.

6 Vide artikel 2b van de Wet op de accijns (tekst tot 1 april 2010), artikel 2e, zesde lid, van de Wet op de accijns (tekst vanaf 1 april 2010) en artikel 24, eerste lid, van de Richtlijn 2003/96 (Energierichtlijn). Zie ook Hof van Justitie van de Europese Unie 10 september 2014, nr. C-152/13, Holger Forstmann Transporte GmbH & Co. KG vs. Hauptzollamt Münster, ECLI:EU:C:2014:2184.

7 HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AT3045.

8 Proces-verbaal van verhoor van getuige [administratief medewerkster] ten overstaan van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda, d.d. 17 september 2014.

9 Overzicht aangekochte gasolie, D-145, dossierpagina 1471 e.v.