Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:203

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-01-2019
Datum publicatie
25-01-2019
Zaaknummer
20-002991-16
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:5916, Meerdere afhandelingswijzen
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:4
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Moord te Waalwijk. Ontvankelijkheid hoger beroep en inhoudelijke behandeling na te late ‘intrekking’. Hof licht de beslissing om de zaak op grond van art. 416 lid 2 Sv toch inhoudelijk te behandelen toe aan de hand van de Memorie van Toelichting op de wet en de bestaande jurisprudentie. Daarnaast vult het hof de overwegingen aan met betrekking tot de maatregel van terbeschikkingstelling en de vorderingen van de benadeelde partijen ter zake van de affectieschade en erkent het hof – onder verwijzing naar de ontwikkeling in de wetgeving ter zake van de omvang van de toepasselijke rechten van slachtoffers en de jurisprudentie van het Europese Hof inzake de positieve verplichtingen die voortvloeien uit met name artikel 2 EVRM – de verzoeker als slachtoffer in de zin van art. 51b Sv en verleent het hof hem toestemming tot kennisneming van de processtukken.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 289
Wetboek van Strafvordering 416
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 2
Wetboek van Strafvordering 51b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0119
NJFS 2019/57
SR-Updates.nl 2019-0099
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002991-16

Uitspraak : 25 januari 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 27 september 2016 in de strafzaak met parketnummer

02-821102-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans verblijvende [op adres] .

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld op 5 oktober 2016. De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft een aanvang genomen op 22 november 2016. Op 2 januari 2019 kwam ter griffie van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, een akte rechtsmiddel binnen namens verdachte, strekkende tot intrekking van het ingestelde hoger beroep tegen voormeld vonnis. Ter terechtzitting in hoger beroep van 11 januari 2019 is door de verdediging als preliminair verweer gevoerd dat toepassing dient te worden gegeven aan artikel 416 lid 2 Sv, in die zin dat verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het ingestelde hoger beroep. Als redenen zijn daartoe aangevoerd dat a) zijdens de verdachte de eerder opgegeven grieven tegen het vonnis van de rechtbank niet langer bestaan, b) er van de zijde van het openbaar ministerie geen hoger beroep is ingesteld, en c) er geen rechtens te respecteren belang of strafvorderlijk belang resteert op grond waarvan het onderzoek ter terechtzitting doorgang zou moeten vinden.

Het hof overweegt hierover het volgende.

In het wettelijke systeem van strafvordering bestaat uiterlijk tot de aanvang van de behandeling van het hoger beroep de mogelijkheid het hoger beroep geheel of gedeeltelijk in te trekken op de wijze die in de artikelen 453 en 454 Sv is voorzien. In dit opzicht komt noch aan de schriftuur houdende grieven, noch aan hetgeen de verdachte en het openbaar ministerie ter terechtzitting in hoger beroep daaromtrent verklaren, betekenis toe. Op grond van artikel 270 Sv, dat blijkens artikel 415 lid 1 Sv ook in hoger beroep van toepassing is, begint het onderzoek door het doen uitroepen van de zaak, waarmee de behandeling van het hoger beroep dus een aanvang neemt. De behandeling van het beroep in de zin van artikel 453 Sv, is in de onderhavige zaak aangevangen toen de voorzitter de zaak in hoger beroep voor het eerst deed uitroepen, hetgeen is gebeurd op 22 november 2016. Nu de verdediging eerst nadien, op 2 januari 2019, kenbaar heeft gemaakt het appel te willen intrekken, doet zich niet het geval voor dat in artikel 453 Sv is voorzien. Het gehele in eerste aanleg gewezen vonnis is derhalve aan het oordeel van de rechter in hoger beroep onderworpen. Het hoger beroep van verdachte is derhalve in beginsel ontvankelijk.

De rechter kan de behandeling in hoger beroep wel concentreren op de door de procespartijen ingebrachte bezwaren en bestaat voor hem de in artikel 415 lid 2 Sv geschapen mogelijkheid de afdoening daarop toe te snijden. In de onderhavige zaak echter, is door de verdachte kenbaar gemaakt dat – onder andere – de eerder opgegeven grieven tegen het vonnis van de rechtbank niet langer bestaan en dat toepassing dient te worden gegeven aan artikel 416 lid 2 Sv, in die zin dat verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het ingestelde hoger beroep. Het openbaar ministerie heeft kenbaar gemaakt dat, ondanks dat van de zijde van het openbaar ministerie geen hoger beroep is ingesteld, de zaak inhoudelijk behandeld dient te worden.

Artikel 415 lid 2 Sv stelt dienaangaande dat het gerechtshof het onderzoek ter terechtzitting richt op de bezwaren die door de verdachte en het openbaar ministerie worden ingebracht tegen het vonnis, in eerste aanleg gewezen, en op hetgeen overigens nodig is. Artikel 416 lid 2 Sv stelt dat indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend, noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

In de door de wetgever voorgestane invulling van het hoger beroep – omschreven als ‘voortbouwend appèl’ – neemt de rechter in hoger beroep het vonnis inclusief de daaraan ten grondslag liggende behandeling als vertrekpunt, maar feitelijk kan het rechtsgeding zich toespitsen op onderdelen van het vonnis. De rechter houdt echter ambtshalve de mogelijkheid onbestreden onderdelen aan de orde te stellen. De Memorie van Toelichting stelt dienaangaande: ‘Voorop staat ook dat het hoger beroep een zelfstandige feitelijke rechtsgang is, hetgeen betekent dat de appèlrechter een eigen verantwoordelijkheid heeft een eindoordeel te geven omtrent alle vragen van de artikelen 348 en 350 Sv, dezelfde vragen die ook in eerste aanleg beantwoording behoeven. (…) Hier wordt voorgesteld de rechter meer ruimte te geven het hoger beroep voornamelijk te richten op datgene wat partijen aan de orde willen stellen. Als verdachte en openbaar ministerie tevreden zijn over bepaalde onderdelen van het vonnis in eerste aanleg, behoeft de rechter in hoger beroep aan onomstreden onderdelen in beginsel geen aandacht te besteden. Dat ligt pas anders als de beroepsrechter vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid voor een rechtvaardige uitkomst bepaalde vragen aan de orde wil stellen. (…) Onderdeel N. Artikel 416 Sv: (…) Het voorgestelde tweede lid bepaalt, dat indien van de zijde van de appellerende verdachte geen bezwaren worden ingebracht, waaronder begrepen kan worden de omstandigheid dat wel ingebrachte bezwaren niet worden gehandhaafd, het ingestelde hoger beroep zonder verder onderzoek niet ontvankelijk verklaard kan worden. De keuze voor de mogelijkheid, in plaats van een verplichte conclusie daartoe, vloeit voort uit de wens om aan de rechter ambtshalve ruimte te laten om, indien zulks noodzakelijk wordt geacht, ondanks intrekking van bezwaren toch onderzoek te verrichten.’ Zie Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 320, nr. 3, p. 7-9 en 11 en 51.

Ook blijkens de bestaande jurisprudentie van de Hoge Raad is op dit punt beslist dat de toepassing van art. 416 Sv in hoge mate afhankelijk is van de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval. Dat betekent dat de feitenrechter een grote vrijheid heeft in zijn beslissing ter zake en dat aan de motivering van de afwijzing van een verzoek tot toepassing van art. 416 Sv geen zware eisen kunnen worden gesteld. Vgl. o.a. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0019, NJ 2010/536; HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2709 en HR 27 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR1148.

Het hof acht in de onderhavige zaak voldoende redenen en rechtens te respecteren belangen aanwezig om het hoger beroep inhoudelijk te behandelen. Daarbij heeft het hof acht geslagen op de ernst en zwaarte van de voorliggende zaak in samenhang met de bij het hof nog bestaande vragen aangaande de voorliggende feiten, op de door verdachte en openbaar ministerie aangevoerde argumenten, op de door benadeelde partijen/nabestaanden aangevoerde argumenten aangaande de ingestelde en in hoger beroep gehandhaafde vorderingen en op de kenbaar gemaakte wensen tot het gebruikmaken van het spreekrecht door de nabestaanden. Op grond van het voorgaande heeft het hof besloten de onderhavige strafzaak tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep inhoudelijk te behandelen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde sancties en met uitzondering van de beslissing op de vordering van [benadeelde partij 4 (het zoontje van het slachtoffer)] .

Ter zake van de op te leggen sancties heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest en dat het hof aan verdachte tevens de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal opleggen.

Ter zake van de vordering van [benadeelde partij 4 (het zoontje van het slachtoffer)] heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot vernietiging van de beslissing van de rechtbank hieromtrent en, in zoverre opnieuw rechtdoende, deze vordering voor wat betreft de kosten van levensonderhoud toe te wijzen tot een bedrag van € 20.000,-, voor dit bedrag de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk te verklaren.

De verdediging heeft bepleit dat er geen sprake is geweest van voorbedachte rade. Daarnaast is een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de benadeelde partijen is bepleit te beslissen conform de rechtbank.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, met uitzondering van de opgelegde gevangenisstraf, de strafoverweging en de beslissing op de vordering van [benadeelde partij 4 (het zoontje van het slachtoffer)] .

Daarnaast vult het hof de overwegingen aan met betrekking tot de maatregel van terbeschikkingstelling en de vorderingen van [benadeelde partij 1 (de vader van het slachtoffer)] , [benadeelde partij 2 (de zus van het slachtoffer)] en [benadeelde partij 3 (de broer van het slachtoffer)] ter zake van de affectieschade en neemt het hof een beslissing op het verzoek van [de voormalig partner van het slachtoffer] tot kennisneming van de processtukken.

Strafbaarheid van de verdachte

Het hof heeft bij de beoordeling van de strafbaarheid van verdachte acht geslagen op de inhoud van de in de onderhavige zaak uitgebrachte deskundigenrapporten, in het bijzonder het op 18 juli 2018 ten behoeve van de behandeling van de zaak in hoger beroep uitgebrachte Pro Justitia-rapport van de deskundigen F.R. Kruisdijk (psychiater) en A.J. de Groot (klinisch psycholoog). Zij komen op basis van het in het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) verrichte onderzoek naar de geestvermogens van verdachte tot de volgende analyse.

Er is bij betrokkene sprake van een gebrekkige ontwikkeling in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis met narcistische, borderline en antisociale trekken. Naast deze persoonlijkheidsstoornis is drugsgebruik opgetreden in de vorm van vooral

cannabis, cocaïne en in het gebruik van anabole steroïden. In aanloop naar het ten laste gelegde is dit problematisch gebruik geworden van cannabis en cocaïne. De rapporteurs stellen een stoornis in het gebruik van cannabis vast (matig) en een stoornis in het gebruik van cocaïne (matig). De beschreven pathologie bestond ten tijde van het ten laste gelegde.

De gedragingen van betrokkene, samenhangend met zijn persoonlijkheidspathologie, hebben volgens de rapporteurs een relatie gehad met het ten laste gelegde. De eventuele invloed van het problematische cannabis- en cocaïnegebruik valt niet te objectiveren door afgenomen urine of bloedanalyse, zodat de invloed hiervan op het ten laste gelegde moeilijk is vast te stellen. In aanloop naar het ten laste gelegde verkeerde betrokkene volgens de rapporteurs in een acuut ontregeld psychiatrisch toestandsbeeld, te kenmerken als een aanpassingsstoornis in emoties en gedrag. De basis hiervoor ligt in zijn persoonlijkheidsorganisatie die onder druk stond. Als externe stressoren waren er de door betrokkene veronderstelde door [het slachtoffer] gemobiliseerde groepering van (ex)-vriendinnen en de vermeende bedreiging door een knokploeg, al dan niet een motorclub of ‘Antillianen’, zoals blijkt uit de ‘total recall’ opnames. Daarnaast was er de stress van de hypotheek die niet meer betaald kon worden en betrokkenes – naar zijn zeggen door [het slachtoffer] veroorzaakte – mislukte sollicitatie. Als interne stressoren, inwerkend op zijn persoonlijkheidsorganisatie, was er de recent door [het slachtoffer] verbroken relatie en de dreiging zijn [zoon] niet meer te kunnen opvoeden. De laatste twee appelleerden aan het verlies van liefdesfiguren en betrokkenes verstoorde hechting aan de primaire opvoeder: moeder. Uit de stukken en de communicatie blijkt dat dit dusdanig op betrokkene heeft ingewerkt dat vroegere verlatingsreacties naast woede werden opgewekt, samenhangend met zijn borderline organisatie en pre-verbale ervaringen als peuter in de relatie met moeder. Ondanks zijn eigen aandeel, door vreemd te gaan met meerdere vrouwen, beleefde betrokkene het verbreken van de relatie door [het slachtoffer] als een krenkende verlating. Het verbreken van de relatie met [het slachtoffer] induceerde sterk wisselende emoties: van verguizing van haar persoon tot idealiserend en trachtend de relatie te herstellen. Zelfdestructieve, theatraal appellerend gecommuniceerde suïcidaliteit hielp niet om de verbroken relatie te herstellen. Op het moment van dreigend verlies van [zijn zoon] , vlak voor het ten laste gelegde, lijkt er iets te zijn geknapt bij betrokkene: zijn laatste strohalm voor zijn identiteit als vader, maar ook voor hem als persoon, dreigde weg te vallen. Een onzeker gat van verlating dreigde, waarbij hij alles zou kwijtraken.

De rapporteurs adviseren het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen aan verdachte. Ofschoon wordt ingeschat dat de keuze- en handelingsvrijheid in substantiële mate werd ingeperkt als gevolg van de doorwerking van de persoonlijkheidsstoornis en de decompensatie van zijn narcistisch gecontroleerde psychologische afweer (met een mix van diepe woede, verlatingsangst en zelfhaat overeenkomend met een aanpassingsstoornis in emoties en gedrag), kan niet worden onderbouwd dat de keuze- en handelingsvrijheid uitputtend werd ingeperkt. Immers, er zijn ook duidelijke voorbereidende en planmatige handelingen uitgevoerd, overigens ten tijde van dit PBC-onderzoek met wisselende verklaringen ter zake van het vuurwapenbezit. Daarbij valt betrokkenes verklaring over een overdosis cocaïne voorafgaand aan het ten laste gelegde niet te objectiveren. Mocht hij daadwerkelijk een overdosis cocaïne hebben ingenomen, dan kan hieraan een eventuele gedachtenvernauwing in combinatie met optredende, vergrote impulsiviteit worden toegeschreven. De rapporteurs menen dat eventueel cocaïnegebruik geen cruciale invloed heeft gehad op het beloop van het ten laste gelegde. Betrokkene vertoonde na het ten laste gelegde, ondanks zijn eigen beschrijvingen van zijn mentale toestand, dusdanig georganiseerd gedrag dat hij kon auto rijden en een vriendin opzocht.

Tijdens de laatste periode van emotionele ontregeling, voorafgaand aan het ten laste gelegde, is geen adequaat hulpzoekend gedrag opgetreden. Er was in klinisch opzicht kennelijk geen doorslaggevende overtuiging op de geboden hulpverlening in te gaan, getuige de verscheurde depressielijst. Betrokkene heeft een matig inzicht in het risico op gewelddadig gedrag, alhoewel hij spijt betuigt. Vooral zijn veranderde stellingname tegen een eventuele TBS-behandeling bij de nabespreking in de PI Middelburg, ten opzichte van zijn meer accepterende houding tijdens de PBC-observatie, toont hoe ambivalent en beïnvloedbaar betrokkene is. Zijn inzicht in de noodzaak van een behandeling lijkt inmiddels beperkt te zijn tot overzichtelijke vormen zoals EMDR. Er is, zo valt af te leiden uit de medische gegevens van de PI Dordrecht, wel een voldoende mate van behandeltrouw in gesprekken met een psycholoog. De behandeleffecten hiervan op betrokkene vallen echter niet te beoordelen wegens ontbrekende verslaglegging. Betrokkene toont verder bij ontregeling een vergaande effectieve en gedragsmatige instabiliteit, waarbij ook zijn cognitieve organisatie onder druk komt te staan.

Voor detentie was er al langdurig geen sprake van werk, er traden financiële problemen op en de vrijetijdsbesteding, in de vorm van sporten, leek geen voldoende structuur meer te bieden. Betrokkene blijkt wisselend gemotiveerd voor de intensiteit van de benodigde behandeling van zijn persoonlijkheidsstoornis. Ten opzichte van autoriteit stelt hij zich op dit moment correct op, maar als hij het niet eens is met een advies kan hij zich strijdbaar verzetten. Op dit moment is het verder niet geheel duidelijk wat betrokkenes levensdoelen zijn op de langere termijn. Het geheel overziend komen de rapporteurs tot de conclusie dat er bij betrokkene op (middel)lange termijn, een matig-hoog recidiverisico bestaat op een soortgelijk feit als thans ten laste is gelegd, indien betrokkene onbehandeld weer uit detentie in de maatschappij zou komen.

De kern van betrokkenes problematiek ligt zo diep verankerd in zijn vroege persoonlijkheidsontwikkeling dat een langdurige en intensieve behandeling noodzakelijk wordt geacht ter voorkoming van toekomstige recidive van geweld naar een vrouw. Naar de mening van de rapporteurs kan dit, gezien de ernst van het huidige ten laste gelegde en de schatting van het recidivegevaar, alleen plaatsvinden binnen een daartoe geoutilleerde en beveiligde omgeving. Zij adviseren daarom om de maatregel van de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen. De rapporteurs menen dat een intensieve langdurige en beveiligde behandeling noodzakelijk is. Gezien de gelaagdheid van de persoonlijkheidsstoornis, onder de narcistische façade is een instabiele borderline organisatie te verwachten en mede door de aanwezige psychopathische trekken, is een langdurige behandeling te verwachten. Het gevaar op een uiterlijke schijnaanpassing is, gezien betrokkenes soepele sociale presentatie, een potentieel risico binnen de behandeling. Een ‘lichtere’ vorm van (TBS-)behandeling (zoals bijvoorbeeld TBS met voorwaarden), om het recidivegevaar binnen acceptabele grenzen terug te brengen, volstaat volgens de rapporteurs dan ook niet.

Het hof neemt voormelde bevindingen en conclusies van de psychiater en de psycholoog over. Zij acht deze bevindingen en conclusies voldoende onderbouwd.

Op te leggen sancties

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Het hof heeft daarbij gelet op de volgende omstandigheden.

Verdachte heeft zijn ex-vriendin [slachtoffer] met voorbedachten rade om het leven gebracht. Hij is op 10 augustus 2015 met een geladen pistool met geluiddemper naar het ziekenhuis in Waalwijk gereden alwaar [het slachtoffer] werkte en heeft, nadat [het slachtoffer] na afloop van haar werkdag in haar auto was gestapt, vanaf de zijkant van de auto drie kogels op haar hoofd en nek afgevuurd, ten gevolge waarvan [het slachtoffer] is overleden. [Het slachtoffer] is hiermee op een afschuwelijke wijze van haar leven beroofd. Door zijn handelen heeft verdachte niet alleen [het slachtoffer] haar meest kostbare bezit, haar leven, ontnomen. Hij ontnam [slachtoffer] 's zoontje [naam] zijn moeder, [slachtoffer] 's vader zijn dochter en [slachtoffer] 's zus en broer hun zus. Verdachte heeft door zijn handelen deze nabestaanden onherstelbaar leed toegebracht waarmee zij de rest van hun leven geconfronteerd zullen blijven. Uit de ter terechtzitting in hoger beroep door de vader, broer en zus van [het slachtoffer] voorgelezen slachtofferverklaringen, alsmede de namens [het zoontje van het slachtoffer] afgelegde slachtofferverklaring ter terechtzitting in eerste aanleg, blijkt dat de moord op [het slachtoffer] een enorme impact op hen heeft. Uit hun verklaringen blijkt de pijn, het diepe verdriet, het onbegrip en de onmacht die zij door dit grote verlies voelen. [Het zoontje van het slachtoffer] is zijn moeder kwijt en zal zijn leven nu zonder zijn liefhebbende moeder moeten opbouwen. Hoe dapper hij zich hier ook doorheen slaat, zijn moeder zal er nooit meer voor hem zijn. Ook in de samenleving is door dit misdrijf grote onrust ontstaan. Het door verdachte begane misdrijf heeft de rechtsorde ernstig geschokt.

Zoals hiervoor is overwogen, is over verdachte op 18 juli 2018 gerapporteerd door rapporteurs van het PBC. Zij hebben geconcludeerd dat vanwege de bij verdachte geconstateerde persoonlijkheidsstoornis in relatie tot het delict, sprake is van verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Daarnaast hebben zij gesteld dat er een matig-hoog recidiverisico bestaat op een soortgelijk feit. Het hof heeft hierboven overwogen voormelde bevindingen en conclusies van de psychiater en de psycholoog over te nemen. De kern van verdachtes problematiek ligt zo diep verankerd in zijn vroege persoonlijkheidsontwikkeling dat een langdurige en intensieve behandeling noodzakelijk wordt geacht, ter voorkoming van toekomstige recidive. Het hof kan zich vinden in de conclusie dat, gezien de ernst van het huidige bewezen verklaarde en de schatting van het recidivegevaar, deze behandeling alleen kan plaatsvinden binnen een daartoe geoutilleerde en beveiligde omgeving en in het advies om verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen.

Het hof is dan ook van oordeel dat terbeschikkingstelling noodzakelijk is. Bij dit oordeel heeft het hof in aanmerking genomen dat, naast de ziekelijke stoornis van de geestvermogens van verdachte ten tijde van het plegen van het feit, ook voldaan wordt aan de overige voorwaarden die de wet stelt aan het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling, namelijk dat op het gepleegde misdrijf een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen die maatregel eist. Het hof acht, gelet op de ernst van de problematiek en het gevaar dat verdachte voor anderen oplevert, verpleging van overheidswege noodzakelijk.

Het hof overweegt voorts dat de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Daarnaast acht het hof het passend en geboden om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen. Bij de bepaling van de duur van die straf heeft het hof rekening gehouden met de mate waarin het feit aan verdachte kan worden toegerekend en de omstandigheid dat tevens de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege wordt opgelegd enerzijds en de ernst van het feit en de impact die dit feit op de samenleving heeft gehad anderzijds.

Het hof heeft tevens acht geslagen op het verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 27 november 2018, waaruit blijkt dat verdachte al verschillende malen eerder onherroepelijk door de strafrechter is veroordeeld, onder meer ter zake van geweldsdelicten.

Voorts heeft het hof heeft zich rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Bij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.

In de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 11 augustus 2015, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft vervolgens op 27 september 2016 vonnis gewezen. Hiertegen is op 5 oktober 2016 hoger beroep ingesteld namens verdachte. Het hof wijst dit arrest op 25 januari 2019. De behandeling in hoger beroep wordt dan ook niet afgerond met een eindarrest binnen twee jaar na het ingestelde hoger beroep, maar bijna vier maanden later. Echter, wanneer het strafproces in zijn totaliteit wordt bezien, dus zowel de eerste aanleg als het hoger beroep en de bovengenoemde omstandigheden van het geval, waarbij op verzoek van de verdachte onder andere een nieuw onderzoek heeft plaatsgevonden in het PBC, is er naar het oordeel van het hof geen sprake van een schending van de redelijke termijn. Gelet hierop ziet het hof dan ook geen aanleiding om aan deze termijnoverschrijding consequenties te verbinden, anders dan de enkele constatering dat de termijn in hoger beroep is geschonden.

Alles overwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Vordering van de [benadeelde partij 4 (het zoontje van het slachtoffer)]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 51.692,00 ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering, maar heeft deze ter terechtzitting op het onderdeel schade voor gederfd levensonderhoud aangepast en verlaagd naar € 29.503,00.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de [benadeelde partij 4 (het zoontje van het slachtoffer)] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag van € 29.503,00 aangaande schade voor gederfd levensonderhoud. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente en met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Het hof is van oordeel dat voor het overige de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, aangezien de precieze grondslag van de berekening aangaande schade kinderopvang extra (bijlage B) onvolledig is. Zo is het hof niet duidelijk geworden wat de arbeidssituatie van [de voormalig partner van het slachtoffer] , de vader en wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde partij, was en is in de gevorderde periode en wat de doorwerking daarvan op de eventuele kinderopvangtoeslag is. De benadeelde partij kan daarom thans in zoverre in die vordering niet worden ontvangen en kan deze slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake tevens de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden. Verdachte is naar burgerlijke recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Beslissing op het verzoek van [de voormalig partner van het slachtoffer]

[De voormalig partner van het slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering als benadeelde partij ingediend. De rechtbank heeft echter ter terechtzitting van 11 februari 2016 geoordeeld dat hij niet als slachtoffer in de zin van artikel 51a Sv kan worden aangemerkt en ook niet als nabestaande in de zin van artikel 51e Sv. Ingevolge artikel 333 Sv is geoordeeld dat hij daarom kennelijk niet-ontvankelijk is in zijn vordering als benadeelde partij.

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 11 juli 2017 heeft [de voormalig partner van het slachtoffer] bij monde van zijn raadsman bepleit dat hij zijn vordering als benadeelde partij handhaaft en als zodanig dient te worden aangemerkt.

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 11 januari 2019 heeft [de voormalig partner van het slachtoffer] bij monde van zijn raadsman bepleit drie maal eerder in het verloop van de procedure in eerste aanleg op grond van artikel 51b Sv, als slachtoffer, te hebben verzocht om toezending en kennisneming van de processtukken, om zijn vordering te kunnen onderbouwen. Op zijn verzoeken is echter door het openbaar ministerie niet of negatief gereageerd. De vordering van [de voormalig partner van het slachtoffer] is dan ook in eerste aanleg en in hoger beroep niet nader onderbouwd en de diverse posten van het betreffende Schadevergoedingsformulier Misdrijven zijn dan ook pro memorie.

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 11 januari 2019 heeft de raadsman bepleit zijn cliënt te erkennen als slachtoffer in de zin van het Wetboek van Strafvordering en verzocht om hem op zijn verzoek toestemming te verlenen om, op grond van artikel 51b lid 1 Sv (tweede volzin), kennis te kunnen nemen van de processtukken die voor het slachtoffer van belang zijn ter onderbouwing van een mogelijke vordering bij de burgerlijk rechter.

Voor wat betreft het verzoek van [de voormalig partner van het slachtoffer] tot erkenning van het zijn van slachtoffer in de zin van het Wetboek van Strafvordering en op zijn verzoek toestemming te verlenen om op grond van artikel 51b lid 1 Sv (tweede volzin) kennis te kunnen nemen van de processtukken, overweegt het hof het volgende.

Het hof stelt vast dat artikel 51b Sv, met diverse andere artikelen van de titel IIIA van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafvordering, sinds de inwerkingtreding per 1 april 2017 van de Wet van 8 maart 2017, Stb. 2017, 90, op grond van artikel 415 lid 3 Sv van overeenkomstige toepassing is op het rechtsgeding voor het gerechtshof. Artikel 51b Sv tweede volzin stelt voor wat betreft de te nemen beslissing (voor zover i.c. van toepassing): ‘Tijdens het onderzoek op de terechtzitting wordt deze toestemming verleend door het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd (…)’. De vraag die voorligt is of [de voormalig partner van het slachtoffer] als slachtoffer in de zin van het Wetboek van Strafvordering kan worden aangemerkt en of aan hem derhalve processtukken mogen worden verstrekt.

Sinds de inwerkingtreding per 1 april 2017 van de Wet van 8 maart 2017, Stb. 2017, 90, geldt in hoger beroep eveneens het bij die wet aangepaste artikel 51a Sv. Onder slachtoffer wordt in dit artikel onder lid 1, onder a., onder 1e en 2e en onder b. – voor zover i.c. van toepassing – sindsdien verstaan:

‘a. Slachtoffer:

1°. degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden. (…);

2°. nabestaande: familieleden van een persoon wiens overlijden rechtstreeks veroorzaakt is door een strafbaar feit.

b. Familieleden: de echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel een andere levensgezel van het slachtoffer, de bloedverwanten in rechte lijn, de bloedverwanten in de zijlijn tot en met de vierde graad en de personen die van het slachtoffer afhankelijk zijn.’

Blijkens deze omschrijving wordt onder slachtoffer niet verstaan de voormalig partner met wie het slachtoffer eerder een relatie had en uit welke relatie een kind is voortgekomen. Ook kan verzoeker blijkens de jurisprudentie niet worden aangemerkt als degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden, of zich dienaangaande als vader van het kind kan beroepen op een ‘afgeleid’ recht. Verzoeker kan op grond van deze bepaling niet worden aangemerkt als iemand die wordt getroffen in een belang dat wordt beschermd door het voorschrift dat is overtreden. Een vergelijk is in dezen te maken met de uitleg ter zake van de voeging van de benadeelde partij op grond van artikel 51f lid 1 Sv: eigen kosten van de wettelijk vertegenwoordiger kunnen niet als ‘rechtstreekse schade’ in de zin van art. 51a, eerste lid, Sv (oud) worden aangemerkt. Vgl. HR 2 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2642 en HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2668. Op grond van deze regeling is verzoeker derhalve niet als slachtoffer aan te merken.

Blijkens de per 1 januari 2019 in werking getreden Wet van 11 april 2018, Stb. 2018, 132 (Wet vergoeding affectieschade) wordt de kring van ‘naasten’ aan wie op grond van artikel 6:108 BW de aansprakelijke voor het overlijden van een persoon mogelijk verplicht is tot vergoeding van een bedrag of bedragen voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, uitgebreid met onder andere lid 4, onder g, zijnde: ‘een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 3 als naaste wordt aangemerkt.’ Artikel 51f lid 2 Sv is dienaangaande eveneens aangepast en luidt sindsdien (voor zover i.c. van toepassing): ‘2. Indien de in het eerste lid genoemde persoon ten gevolge van het strafbare feit is overleden, kunnen zich voegen diens erfgenamen ter zake van hun onder algemene titel verkregen vordering en de personen, bedoeld in artikel 108, eerste tot en met vierde lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ter zake van de daar bedoelde vorderingen. (…)’ Verzoeker zou blijkens deze wijziging wel als benadeelde partij kunnen worden aangemerkt. Echter, het hof merkt op dat de genoemde Wet van 11 april 2018, Stb. 2018, 132 in beginsel ziet op een regeling ter zake van affectieschade en dat deze, gezien het daarbij geldende overgangsrecht (toepassing geldend voor gevallen vanaf 1 januari 2019), niet toepasselijk is in de onderhavige zaak. Desalniettemin maakt de ontwikkeling in de wetgeving volgens het hof duidelijk dat de omvang van de toepasselijke rechten van slachtoffers en de kring van gerechtigden voor vergoeding van schade dienaangaande, in uitbreidende zin evolueert. Tevens kan aan de jurisprudentie van het Europese Hof inzake de positieve verplichtingen die voortvloeien uit het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens met betrekking tot met name artikel 2 EVRM worden ontleend dat de naaste familie van het slachtoffer (de ‘naasten’) in beginsel zodanig over de strafzaak geïnformeerd dient te worden voor zover noodzakelijk om zijn of haar wettelijke rechten te kunnen waarborgen (‘In all cases, the next of kin of the victim must be involved in the procedure to such an extent as is necessary to safeguard his or her legitimate interests’). Vgl. EHRM 4 augustus 2001, McKerr t. Verenigd Koninkrijk, nr. 28883/95, par. 115; EHRM 31 oktober 2014, Aliyeva en Aliyev t. Azerbeidzjan, nr. 35587/08, par. 70; EHRM 13 april 2017, Huseynova t. Azerbeidzjan, nr. 10653/10, par. 106. In deze zin ziet het hof dan ook geen belemmering om verzoeker aan te merken als slachtoffer in de zin van artikel 51b Sv en zal het hof aan verzoeker toestemming verlenen om op grond van artikel 51b lid 1 Sv (tweede volzin) kennis te kunnen nemen van de processtukken die voor hem van belang zijn ter onderbouwing van een mogelijke vordering bij de burgerlijk rechter. Daarbij worden de rapportages die over de verdachte zijn opgemaakt van kennisneming door verzoeker uitgesloten.

Aanvullende overweging ter zake van de gevorderde affectieschade

De [benadeelde partij 1 (de vader van het slachtoffer)] , [benadeelde partij 2 (de zus van het slachtoffer)] en [benadeelde partij 3 (de broer van het slachtoffer)] , hebben in eerste aanleg alle drie een vordering tot schadevergoeding ingediend ten bedrage van € 5.000,- ter zake van smartengeld/affectieschade en deze vordering in hoger beroep gehandhaafd.

Zoals hierboven reeds is overwogen geldt voor een vordering tot schadevergoeding ter zake van affectieschade dat een dergelijke vordering blijkens de per 1 januari 2019 in werking getreden Wet van 11 april 2018, Stb. 2018, 132 (Wet vergoeding affectieschade) voor vergoeding in aanmerking kan komen. Echter, krachtens artikel 68a van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek, gelezen in verband met artikel 69, onder d, van die wet, ontstaat het recht op vergoeding van affectieschade niet door het enkele in werking treden van de wet, indien alle feiten die de wet daarvoor vereist, reeds voordien zijn voltooid. De wet brengt dus slechts gevolgen met zich mee ter zake van gebeurtenissen die plaatsvinden na de inwerkingtreding van voornoemde wet op 1 januari 2019. Voor het onderhavige geval waarin het slachtoffer is overleden in 2015, betekent dit – hoe wrang ook – dat de betreffende vorderingen volgens de wet niet voor schadevergoeding in aanmerking komen. De [benadeelde partij 1 (de vader van het slachtoffer)] , [benadeelde partij 2 (de zus van het slachtoffer)] en [benadeelde partij 3 (de broer van het slachtoffer)] worden dan ook ter zake van de vorderingen die zien op affectieschade niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 37a, 37b en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte ontvankelijk in het hoger beroep.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ter zake van de opgelegde gevangenisstraf en de beslissing op de vordering van de [benadeelde partij 4 (het zoontje van het slachtoffer)] en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde partij 4 (het zoontje van het slachtoffer)] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 29.503,00 (negenentwintigduizend vijfhonderddrie euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2015 tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 29.503,00 (negenentwintigduizend vijfhonderddrie euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 182 (honderdtweeëntachtig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door:

mr. A.R. Hartmann, voorzitter,

mr. A.M.G. Smit en mr. J.T.F.M. van Krieken, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.C.M. van Keulen, griffier,

en op 25 januari 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.