Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:202

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
24-01-2019
Zaaknummer
200.240.935_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding contact- en gebiedsverbod

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.240.935/01

arrest van 22 januari 2019

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. D. Haacke te Venlo,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. A. Hollman te Venlo,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 4 september 2018 in het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer C/03/248635 / KG ZA 18/200 gewezen vonnis in verzet in kort geding van 8 mei 2018.

5 Het verloop van de procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 4 september 2018;

- het H-formulier van mr. Haacke d.d. 17 september 2018 met producties;

- het H-formulier van mr. Holmann d.d. 16 november 2018 met producties;

- het H-formulier van mr. Haacke d.d. 19 november 2018 met producties.

Op 29 november 2018 heeft bij dit hof de bij tussenarrest van 4 september 2018 bevolen inlichtingencomparitie plaatsgevonden.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 Het tussenarrest van 4 september 2018

Bij het genoemde tussenarrest heeft het hof voornoemde comparitie gelast.

7. De beoordeling

In principaal en incidenteel hoger beroep

7.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

7.2.

Partijen zijn (van 26 januari 1995 tot 30 november 2018) met elkaar gehuwd geweest. Uit het huwelijk van partijen zijn drie kinderen geboren. Een kind is reeds meerderjarig, een kind is overleden en een kind is nog minderjarig:

- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2009.

7.3.

Bij het bestreden vonnis (in verzet) van 8 mei 2018 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, samengevat en voor zover thans van belang, het op 14 maart 2018 door de voorzieningenrechter van diezelfde rechtbank bij verstek tussen partijen gewezen vonnis vernietigd ten aanzien van het gebiedsverbod, de veroordeling van de man in de proceskosten, de nakosten en opnieuw beslist. De voorzieningenrechter heeft een contact- en (beperkter) gebiedsverbod (ingaande na betekening van het vonnis) voor de duur van twaalf maanden opgelegd en die beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd. De voorzieningenrechter heeft de vordering om dwangsommen aan het contact- en gebiedsgebod te verbinden afgewezen.

7.4.

Het bestreden vonnis is op 26 november 2018 aan de man betekend.

7.5.

In principaal hoger beroep vordert de vrouw vernietiging van het vonnis van 8 mei 2018 van de voorzieningenrechter ten aanzien van het (beperkte) gebiedsverbod en de afwijzing van de dwangsommen. De vrouw vordert opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een gebiedsverbod te bepalen zoals opgelegd in voornoemd vonnis van 14 maart 2018 en om aan het contact- en gebiedsverbod een dwangsom te verbinden van € 250,- per keer dat de man een of meer van de opgelegde verboden niet nakomt, zulks onder veroordeling van de man in de proceskosten en de nakosten.

De vrouw heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. In haar grieven betoogt de vrouw, kort samengevat, het volgende.

Het in het bestreden vonnis opgelegde gebiedsverbod is te beperkt. Dit verbod omvat niet het winkelcentrum in [plaats] waar de vrouw met [minderjarige] boodschappen doet. Bovendien dienen er dwangsommen aan het contact- en gebiedsverbod te worden verbonden. Dit vanwege de houding van de man. De man heeft in strijd gehandeld met het in voornoemd vonnis van 14 maart 2018 opgelegde gebiedsgebod door een woning te huren in het verboden gebied. Bovendien ontwijkt de man de vrouw en [minderjarige] niet, ondanks dat hij dit tijdens de zitting bij de rechtbank had toegezegd, maar hij doet eerder het tegenovergestelde. De man zoekt vrouw en [minderjarige] op en scheldt hen uit. De man blijft zich misdragen en de vrouw en [minderjarige] zijn bang. De bewegingsvrijheid van de vrouw en [minderjarige] moet zwaarder wegen dan de bewegingsvrijheid van de man. Bovendien is het onjuist dat het hele leven van de man zich in [plaats] zou afspelen. Zou dat wel het geval zijn, kan hij zijn sociale leven ook buiten [plaats] vormgeven.

7.6.

De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

7.7.

In incidenteel hoger beroep vordert de man vernietiging van het vonnis van de voorzieningenrechter van 8 mei 2018, en opnieuw rechtdoende, alsnog alle vorderingen van de vrouw af te wijzen, althans de omvang en duur van het verbod te matigen en de vrouw te veroordelen in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met wettelijke rente als voldoening van de kosten niet tijdig plaatsvindt.

De man heeft in hoger beroep twee grieven aangevoerd. In zijn grieven betoogt de man, kort samengevat, het volgende.

Er is geen grond om een contact- en gebiedsverbod op te leggen. De door de vrouw gestelde feiten zijn niet juist en onvoldoende ernstig om een contact- en gebiedsverbod op te leggen. Bovendien grijpt de vrouw terug naar incidenten uit het verleden. Het is niet zo dat de man de vrouw stelselmatig lastig valt of uitscheldt. Er is geen sprake van een inbreuk in de persoonlijke levenssfeer van de vrouw en [minderjarige] of een reële dreiging van toekomstig onrechtmatig handelen van de man jegens hen. Mocht het hof wel aanleiding zien voor het opleggen van een gebieds- en contactverbod, dan acht de man een verbod voor de duur van twaalf maanden onredelijk en disproportioneel.

7.8.

De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

7.9.

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

7.10.

Het spoedeisend belang is tussen partijen overigens niet in geschil en volgt ook uit de aard van de zaak.

7.11.

Het hof overweegt als volgt. Een straatverbod vormt een inbreuk op het aan een ieder toekomend recht om zich vrijelijk te verplaatsen. Voor het toewijzen van een zo ingrijpende maatregel moet sprake zijn van in hoge mate aannemelijke feiten en omstandigheden die zo'n inbreuk kunnen rechtvaardigen.

Ook voor een contactverbod dient een zwaarwichtige reden aannemelijk te zijn.

7.12.

Het hof constateert aan de hand van de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep dat er ernstige problemen zijn op het gebied van de verwerking van de relatie tussen partijen. De gevolgen van het onverwerkte verloop en het einde van de relatie zijn nog duidelijk aanwezig. Dat heeft negatieve gevolgen voor het ouderschap. Het hof stelt voorts vast dat partijen er nog niet in zijn geslaagd daarin tot op heden verandering teweeg te brengen.

Aan het hof ligt de vraag voor of het contact- en gebiedsverbod noodzakelijk is (geweest) voor de veiligheid van de vrouw en [minderjarige] en zo ja, in welke omvang en voor welke duur. Het hof kan zich gezien de heftigheid van de crisis tussen partijen voorstellen en daarmee tevens onderschrijven dat de voorzieningenrechter de verboden heeft opgelegd om ervoor te zorgen dat er in ieder geval een bepaalde mate van rust kon ontstaan. Het hof stelt vast dat er inmiddels een betrekkelijke rust is ontstaan - ondanks het feit dat het vonnis van 8 mei 2018 pas op 26 november 2018 aan de man was betekend - en dat er geen sprake meer is van (frequente) incidenten. Ter zitting in hoger beroep is bovendien met partijen gesproken over de manier waarop zij zich tot elkaar zouden moeten verhouden. Tegelijkertijd werd ook zichtbaar dat zij het ouderschap op dit moment nog niet goed samen vorm kunnen geven. Ondanks die teleurstelling voor de man heeft hij zich nadrukkelijk bereid verklaard zich respectvol te zullen (blijven) gedragen ten aanzien van de vrouw en [minderjarige] .

De afgelopen periode is naar het oordeel van het hof dan ook niet gebleken van feiten en omstandigheden die op dit moment een zo verregaande maatregel als een gebieds- en contactverbod rechtvaardigen.

7.13.

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof het contact- en gebiedsverbod in duur zal beperken tot heden. De grief ten aanzien van de dwangsommen behoeft geen bespreking meer. De proceskosten in het principaal en incidenteel hoger beroep zullen tussen partijen worden gecompenseerd nu zij ex-echtgenoten zijn.

7.14.

Het hof zal als volgt beslissen.

8 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 8 mei 2018, uitsluitend ten aanzien van de gelding van het contact- en gebiedsverbod met ingang van heden;

wijst met ingang van heden de inleidende vorderingen van de vrouw ten aanzien van het contact- en gebiedsverbod af;

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond van 8 mei 2018 voor het overige;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.A.R.M. van Leuven, L.Th.L.G. Pellis en H.M.A.W. Erven en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 januari 2019.

griffier rolraadsheer