Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:2013

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-05-2019
Datum publicatie
29-05-2019
Zaaknummer
20-003353-16
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:6557, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

OM appel.

Eerste aanleg: Verdachte verkeerde abusievelijk in de veronderstelling dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, te weten een in zijn ogen op handen zijnde overval, waartegen hij zich moest verdedigen. Dat hij vervolgens tegen de politie gebruik heeft gemaakt van vuurwapens die hij schietklaar in zijn slaapkamer had, doet daaraan naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven omstandigheden niet af, hoezeer ook het dragen en gebruiken van vuurwapens op zichzelf laakbaar en strafwaardig is. Volgt veroordeling tot 6 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 voorwaardelijk, voor vuurwapenbezit, maar OVAR voor bedreiging van de agenten ogv putatief noodweer.

In hoger beroep is het beroep op putatief noodweer verworpen. Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is niet gebleken dat de verdachte, toen hij twee vuurwapens ter hand nam nadat hij ‘politie, politie’ had horen roepen en op de personen die zijn woning binnen kwamen af is gelopen met die twee (op die personen gerichte) vuurwapens, zich in een situatie bevond waarin hij niet alleen kon, maar ook redelijkerwijs mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. Het hof is van oordeel dat de verdachte aldus de twee politieambtenaren heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. De bedreiging is van dien aard en onder zodanige omstandigheden geschied dat bij de twee politieambtenaren de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd. De verdachte is strafbaar voor het bewezen verklaarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-003353-16

Uitspraak : 29 mei 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 20 oktober 2016 in de strafzaak met parketnummer
02-800228-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,

wonende te [woonplaats]

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ten aanzien van de onder 1 bewezen verklaarde, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, ontslagen van alle rechtsvervolging en ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde, – kort gezegd – verboden bezit van twee vuurwapens en munitie, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De benadeelde partijen zijn in hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaard.

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

  • -

    de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten bewezen zal verklaren;

  • -

    de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

  • -

    de vordering van de benadeelde partij [dienstnummer 1] geheel zal toewijzen (te weten tot een bedrag van € 300,00), te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht tot datzelfde bedrag en de daarbij behorende vervangende hechtenis;

  • -

    de vordering van de benadeelde partij [dienstnummer 2] zal toewijzen tot een bedrag van
    € 300,00 met wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht tot datzelfde bedrag en de daarbij behorende vervangende hechtenis en voor het overige de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering.

De verdediging heeft:

  • -

    zich ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof;

  • -

    bepleit dat de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij heeft gehandeld in een situatie van putatief noodweer en het hof verzocht het vonnis van de rechtbank op dit punt te bevestigen;

  • -

    zich ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof;

  • -

    met betrekking tot de op te leggen straf bepleit dat het vonnis zal worden bevestigd;

  • -

    ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [dienstnummer 1] en [dienstnummer 2] bepleit dat deze zullen worden afgewezen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 13 april 2016 te Breda personeelslid [dienstnummer 1] en/of personeelslid [dienstnummer 2] , zijnde (een) politieambtena(a)r(en) werkzaam bij de Dienst Speciale Interventies, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend twee, althans één vuurwapen(s) op die politieambtena(a)r(en) gericht, althans meerdere of een vuurwapen(s) heeft getoond;

2.
hij op of omstreeks 13 april 2016 te Breda een of meer wapens van categorie III, te weten een revolver (merk Smith & Wesson, kaliber .38 special) en/of een pistool (merk Star, kaliber 9mm) en/of een patroonmagazijn, zijnde een onderdeel/hulpstuk van een wapen en/of munitie van categorie III, te weten 13 kogelpatronen kaliber 9mm en/of 12 kogelpatronen 9mm en/of 5 kogelpatronen, kaliber .38 voorhanden heeft gehad.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 13 april 2016 te Breda personeelslid [dienstnummer 1] en personeelslid [dienstnummer 2] , zijnde politieambtenaren werkzaam bij de Dienst Speciale Interventies, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend twee vuurwapens op die politieambtenaren gericht;

2.
hij op 13 april 2016 te Breda wapens van categorie III, te weten een revolver (merk Smith & Wesson, kaliber .38 special) en een pistool (merk Star, kaliber 9mm) en een patroonmagazijn, zijnde een onderdeel/hulpstuk van een wapen en munitie van categorie III, te weten 13 kogelpatronen kaliber 9mm en 12 kogelpatronen 9mm en 5 kogelpatronen, kaliber .38 voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

I.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

II.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

III.

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is het volgende gebleken.

Op vrijdag 1 april 2016 heeft de politie van het Team Criminele Inlichtingen (TCI) informatie ontvangen dat “ [roepnaam verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) uit [woonplaats] zich naar aanleiding van een schietincident heeft bewapend”. Voorts is bij de TCI in de maand maart 2016 informatie binnengekomen “dat in de nacht van vrijdag 4 maart 2016 op zaterdag 5 maart 2016 onder bedreiging van een vuurwapen in de omgeving van Terheijden een auto afhandig is gemaakt door twee personen op een scooter. De daders van de diefstal van de auto zijn kort voor dit voorval betrokken geweest bij een poging tot liquidatie op [roepnaam verdachte] in [woonplaats] . [roepnaam verdachte] heeft men in de omgeving van zijn woning opgewacht en beschoten. Men heeft meerdere keren op de auto van [roepnaam verdachte] geschoten op het moment dat hij in de omgeving van zijn woning kwam aanrijden. De poging tot liquidatie heeft te maken met een grote partij cocaïne waarmee iets fout is gegaan. [roepnaam verdachte] wordt hiervoor verantwoordelijk gehouden” (pag. 47 en 48).

Gelet op de inhoud van de TCI-processen verbaal is besloten om verdachte aan te houden in verband met bezit van vuurwapens en om de aanhouding van verdachte te laten uitvoeren door een eenheid van de Dienst Speciale Interventies (DSI) (pag. 5) op 13 april 2016.

Door twee medewerkers van het arrestatieteam, met dienstnummers [dienstnummer 2] en [dienstnummer 1] , is naar aanleiding van de aanhouding van verdachte aangifte gedaan van bedreiging.

In de aangifte van politieambtenaar [dienstnummer 2] (pag. 50 en 51) is verklaard dat het arrestatieteam besloten had om verdachte aan te houden in zijn woning, op het woonwagenkamp aan de [adres] . Omdat er informatie was dat er al gepoogd was om verdachte te liquideren was besloten om ruim van te voren aan te geven dat ze van de politie waren, zodat van te voren, 5 tot 10 meter van de voordeur, al geroepen werd “politie’’.

Politieambtenaar [dienstnummer 2] heeft het volgende verklaard (pag. 51): “ [dienstnummer 1] stapte als eerste naar binnen, ik ging in zijn kielzog naar binnen. Ik zag dat [dienstnummer 1] met iemand contact had. [dienstnummer 1] had een schild voor zich. Ik positioneerde mij links van het schild om te kijken en zag toen een persoon waarvan ik wist dat dit verdachte moest zijn. Ik zag dat hij twee handvuurwapens in zijn handen had. Ik zag dat deze wapens op ons gericht waren. Hij hield deze wapens ook gericht op ons. Ik trok mijn wapen en haalde de trekker over. Ik deed dit omdat ik dacht dat hij op mij en mijn collega’s zou gaan schieten. Ik schoot om de acute dreiging te stoppen.”

Politieambtenaar [dienstnummer 1] heeft verklaard (pag. 53 en 54): “Ik liep met mijn collega’s het erf op en door meerdere collega’s werd geroepen ‘politie’. Ik zelf riep ook ‘politie’ om mij kenbaar te maken. De voordeur was niet afgesloten. Ik was gekleed in uniform waar op mijn mouwen en borst ‘politie’ stond. Ik zag een man die ik herkende als verdachte. Ik zag dat de verdachte twee vuurwapens in elk van zijn hand vast had. Op dat moment was de situatie zodanig bedreigend voor mij dat ik hem aanriep dat hij de vuurwapens moest laten vallen. Ik zag dat beide lopen mijn richting uit wezen. Ik zag dat verdachte de twee vuurwapens ter hoogte van zijn heupen vast hield. Vervolgens zag ik dat verdachte mijn kant op kwam en daarbij zijn armen strekte met in zijn twee handen de twee vuurwapens op mij gericht. Mijn gevoel was dat de verdachte zijn wapens ging leegschieten. Ik voelde mij bedreigd. Ik keek letterlijk in twee lopen en toen besloot ik om te schieten om de dreigende situatie te stoppen. Op het moment dat ik wilde afdrukken hoorde ik schoten van mijn collega. Ik heb een aantal keren geschoten.”

In de slaapkamer van verdachte zijn een revolver Smith en Wesson kaliber .38 geladen met patronen en een pistool merk Star aangetroffen. In de houder van het pistool waren 13 scherpe patronen aangebracht. Op de rand van het bed lag een houder gevuld met patronen (pag. 58 en 59).

Verdachte is gewond geraakt bij zijn aanhouding (pag. 56). Hij bleek vier schotwonden te hebben (in hand, elleboog en gezicht) ten gevolge waarvan hij in het ziekenhuis is opgenomen. Vanwege een verwonding aan de linkerwang heeft verdachte een blijvend litteken in het gezicht opgelopen. Verdachte heeft in hoger beroep verklaard dat hij vanwege een kogel die zijn vinger had getroffen veel last heeft van zijn hand doordat een zenuw beschadigd is geraakt en een vinger scheef staat.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard over een eerder incident waarbij hij in de nacht van 5 op 6 maart 2016 terug kwam bij het kamp met zijn auto en dat er toen twee personen buiten het kamp stonden met een scooter. Dat die personen achter hem aan reden en achter hem stopten toen hij stopte. Nadat ze hem voorbij waren gereden is hij achter ze aan gegaan. Daarna is er een aantal straten verderop op zijn auto geschoten. Het voorval heeft hij niet gemeld aan de politie. Hij heeft toen in de dagen daarna wapens en munitie aangeschaft, omdat hij bang was dat hij overvallen zou gaan worden.

Verdachte heeft voorts verklaard dat toen op woensdagmiddag 13 april 2016 de politie kwam hij wel hoorde dat er ‘politie’ werd geroepen, maar dat hij dacht dat het overvallers waren die zich voordeden als politie. Dat hij de bedoeling had om indringers af te schrikken en het gevaar buiten te houden en daarom zijn wapens had gepakt. Dat toen hij het schild zag wel wist dat het echt politie was maar dat het toen al te laat was en hij beschoten werd. Dat hij niet de bedoeling had om op politie te schieten.

Voor zover door de verdachte ten aanzien van het onder 1. bewezen verklaarde is betoogd dat hij niet de intentie had om met twee vuurwapens politieambtenaren te bedreigen overweegt het hof als volgt.

Door de twee politieambtenaren is, zoals hierboven is weergegeven in de aangifte van [dienstnummer 2] en de aangifte van [dienstnummer 1] , verklaard dat de verdachte twee vuurwapens op hen richtte, waardoor zij zich bedreigd voelden. Verdachte heeft verklaard dat hij wel de bedoeling had indringers af te schrikken.

Het hof is van oordeel dat de verdachte aldus de twee politieambtenaren heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. De bedreiging is van dien aard en onder zodanige omstandigheden geschied dat bij de twee politieambtenaren de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd.

Mitsdien is het onder 1. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman ten aanzien van het onder 1. bewezen verklaarde een beroep gedaan op putatief noodweer. Ter onderbouwing heeft de raadsman gesteld – zakelijk weergegeven – dat de verdachte, toen hij zich in zijn woning bevond en “politie, politie” hoorde roepen en hoorde dat personen zijn woning binnenkwamen, meende en mocht menen dat sprake was van een woningoverval en daarop juist heeft gereageerd door op deze personen af te lopen met twee vuurwapens in handen. De raadsman heeft daarbij begrip gevraagd voor het zich bedreigd voelen door de verdachte, die emotioneel was en niet rationeel nadacht.

Het hof overweegt hieromtrent het navolgende.

Het hof stelt voorop dat voor de beoordeling van het beroep dat is gedaan op putatief noodweer onderzocht moet worden of sprake was van verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte, bijvoorbeeld omdat hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. Daarbij gaat het om hetgeen de gemiddelde persoon in de gegeven omstandigheden zal hebben ervaren, niet om de puur subjectieve beleving van de verdachte ten tijde van het gebeuren. Ook voor derden moet in de gegeven omstandigheden de onmiddellijke dreiging van een aanranding aannemelijk zijn geweest.

Het hof acht de volgende aspecten van belang.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij ten tijde van het bewezen verklaarde legaal werkzaam was als voetbalmakelaar in het betaald- en amateurvoetbal, dat hij geen (zakelijke) geschillen had en dat hij ook nooit signalen heeft ontvangen dat iemand het op hem gemunt zou hebben, ook niet in de periode tussen 5 maart 2016 en de bewezen verklaarde feiten op 13 april 2016. De TCI-informatie met betrekking tot betrokkenheid bij een drugshandel en een poging tot liquidatie is onjuist volgens verdachte en hij bevindt zich niet in een crimineel milieu en heeft niets met criminele zaken te maken. Voorts heeft hij verklaard dat hij in zijn woning geen grote contante geldbedragen of andere waardevolle goederen bewaarde en dat hij niet eerder (in zijn woning) is overvallen. Tot slot heeft de verdachte verklaard dat hij nooit meer iets heeft vernomen van de twee personen op de scooter en dat hij achteraf denkt dat er geschoten is op zijn auto omdat hij zelf achter deze personen is aangegaan, waardoor zij zich bedreigd voelden.

Het hof is van oordeel dat hieruit volgt dat er ten tijde van het ten laste gelegde geen concrete dreiging bestond dat verdachte in zijn woning overvallen zou gaan worden.

Het hof overweegt verder dat de situatie op 13 april 2016 in meerdere opzichten verschilt van het door de verdachte geschetste voorval op (volgens hem) 5/6 maart 2016. Op 5/6 maart 2016 heeft een en ander zich in de nacht afgespeeld terwijl het op 13 april 2016 klaarlichte dag was in de middag. Op 5/6 maart 2016 is er niets ondernomen in (de richting van) de woning van de verdachte. Op 13 april 2016 is er meermalen buiten en binnen “politie” geroepen, niet gebleken is dat de twee personen op de scooter zich op enigerlei wijze in die zin kenbaar hebben gemaakt. Van vergelijkbare situaties was derhalve geen sprake.

De verdachte heeft verklaard dat hij hoorde dat er “politie, politie” werd geroepen.

Alles overziende is het hof van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet is gebleken dat de verdachte, toen hij twee vuurwapens ter hand nam nadat hij ‘politie, politie’ had horen roepen en op de personen die zijn woning binnen kwamen af is gelopen met die twee (op die personen gerichte) vuurwapens, zich in een situatie bevond waarin hij niet alleen kon, maar ook redelijkerwijs mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld.

Bijgevolg wordt het beroep op putatief noodweer verworpen.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verboden vuurwapenbezit en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van twee AOT-leden door een pistool en een revolver op hen te richten. Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof gelet op de mate waarin het bewezen verklaarde heeft geleid tot gevoelens van angst en onveiligheid bij de AOT-leden. Voorts heeft het hof gelet op de omstandigheid dat de verdachte twee vuurwapens van categorie III, met daarbij behorende munitie voorhanden heeft gehad, hetgeen een groot veiligheidsrisico met zich brengt en om die reden een maatschappelijk kwaad vormt dat ernstig dient te worden bestraft.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het uittreksel uit het Justitiële Documentatieregister d.d. 7 maart 2019, waaruit blijkt dat hij niet eerder ter zake van soortgelijke feiten is veroordeeld.

Voorts heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De verdachte is, naar aanleiding van het bewezen verklaarde, door twee leden van het arrestatieteam beschoten. Het is het hof gebleken dat het voorval een grote impact op het leven van de verdachte heeft gehad, zowel mentaal als fysiek. Verdachte heeft niet alleen blijvend letsel aan zijn beide handen en aan zijn gezicht bekomen waardoor hij dagelijks aan het voorval zal worden herinnerd. Ook is de verdachte als gevolg van de beschieting gestopt met zijn werk als voetbalmakelaar en voelt hij zich niet prettig in zijn eigen woning, wat gevolgen heeft voor zijn gezinsleven.

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De verdediging heeft bepleit dat het hof zal volstaan met een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Het hof heeft voor wat betreft de op te leggen strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij enerzijds de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd en anderzijds de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten (LOVS-oriëntatiepunten), dienende als indicatie voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid ten aanzien van bedreiging door middel van het tonen van een vuurwapen en het voorhanden hebben van een pistool of revolver en scherpe munitie. Genoemde oriëntatiepunten geven als indicatie voor de op te leggen straf een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden onvoorwaardelijk (bedreiging) en zes maanden onvoorwaardelijk (twee maal het voorhanden hebben van een wapen, te weten een pistool en een revolver). Voorts heeft het hof acht geslagen op de strafvermeerderende factor dat het bewezenverklaarde werd begaan tegen politieambtenaren (AOT-leden).

Het hof constateert dat na een zeer snelle behandeling van de zaak door de rechtbank de verdachte, nadat de officier van justitie op 3 november 2016 hoger beroep had ingesteld, lang heeft moeten wachten op de behandeling van de zaak in hoger beroep.

Naar het oordeel van het hof kan – gelet op de vorenomschreven ernst van de feiten – niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. In beginsel zou naar het oordeel van het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen maanden een passende en geboden straf zijn geweest. Nu de verdachte echter door zijn eigen handelen is neergeschoten door de twee AOT-leden, met de gevolgen daarvan dagelijks wordt geconfronteerd, van het lichamelijk letsel zijn hele leven hinder zal ondervinden en het tijdsverloop in hoger beroep acht het hof het niet passend dat de verdachte thans zijn vrijheid (opnieuw) zal worden ontnomen.

Het hof zal de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden opleggen, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarop zal de tijd die de verdachte iets meer dan drie maanden in voorarrest heeft doorgebracht in mindering worden gebracht.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Vordering van de benadeelde partij [dienstnummer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 300,00, ter zake van geleden immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft de oorspronkelijke vordering in hoger beroep gehandhaafd, zodat de vordering in het geheel opnieuw aan de orde is hoger beroep.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij geheel zal toewijzen.

De verdediging heeft de vordering betwist en bepleit dat het hof de vordering zal afwijzen.

Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij enkel heeft aangegeven dat hij zich bedreigd heeft gevoeld doch onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van enige vorm van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ zoals bedoeld in artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte waardoor het ontstaan van immateriële schade naar het oordeel van het hof onvoldoende is onderbouwd. Nader onderzoek daarnaar en behandeling van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij [dienstnummer 1] kan daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Vordering van de benadeelde partij [dienstnummer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 500,00 (bestaande uit een bedrag van
€ 300,00 ter zake van immateriële schade als gevolg van de bedreiging en € 200,00 ter zake van immateriële schade als gevolg van gehoorbeschadiging), te vermeerderen met wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft de oorspronkelijke vordering in hoger beroep gehandhaafd, zodat de vordering in het geheel opnieuw aan de orde is hoger beroep.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag van € 300,00. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade van € 200,00 als gevolg van gehoorschade heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het schieten, waardoor de gehoorschade zou zijn veroorzaakt, weliswaar voortkomt uit het gedrag van de verdachte, maar niet een gedraging is geweest van de verdachte. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij (daarom) voor dit gedeelte niet-ontvankelijk zal verklaren.

De verdediging heeft de vordering betwist en bepleit dat het hof de vordering zal afwijzen.

Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde € 300,00 ter zake van immateriële schade als gevolg van de bedreiging onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van enige vorm van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ zoals bedoeld in artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade van € 200,00 als gevolg van gehoorschade schaart het hof zich achter het standpunt van de advocaat-generaal.

Nader onderzoek naar de gevorderde immateriële schade en behandeling van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij [dienstnummer 2] kan daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [dienstnummer 1]

Verklaart de benadeelde partij [dienstnummer 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [dienstnummer 2]

Verklaart de benadeelde partij [dienstnummer 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door:

mr. J.J.M. Gielen-Winkster, voorzitter,

mr. J. Platschorre en mr. A.J.A.M. Nieuwenhuizen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. Y.P. Schleijpen, griffier,

en op 29 mei 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.