Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:2000

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-05-2019
Datum publicatie
29-05-2019
Zaaknummer
200.223.102_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huur. Vertrek uit woning. Hoofdelijke aansprakelijkheid huurder voor periode daarna.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.223.102/01

arrest van 28 mei 2019

in de zaak van

[appellante] (“ [appellante] ”),

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. R. Wouters te Middelburg,

tegen

Stichting Woongoed [vestigingsnaam] (“Woongoed”),

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J. Mikes te Rotterdam,

en

[geintimeerde 2] (“ [geintimeerde 2] ”),

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

niet verschenen,

op het bij exploot van dagvaarding van 14 juni 2017 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (locatie Middelburg) gewezen vonnis van 29 maart 2017 tussen [appellante] en [geintimeerde 2] als gedaagden en Woongoed als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnr. 5578039 CV EXPL 16-7122)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven, met productie;

- de memorie van antwoord van Woongoed.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken het volgende vast.

  1. [appellante] en [geintimeerde 2] hebben van Woongoed gehuurd de woning aan de [adres 1] te [woonplaats] .

  2. De huurprijs bedroeg € 720,92 per maand.

3.2.

[appellante] kan alleen tegen (rechtsopvolgers van) haar wederpartij in eerste aanleg hoger beroep instellen, niet tegen [geintimeerde 2] die haar mede-gedaagde in eerste aanleg was. Het hof zal [appellante] niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep voor zover gericht tegen [geintimeerde 2] en zich hierna beperken tot alleen de rechtsverhouding tussen [appellante] en Woongoed.

3.3.

Woongoed heeft in eerste aanleg gevorderd:

- ontbinding van de huurovereenkomst;

- ontruiming van het gehuurde;

- veroordeling tot betaling van € 3.153,02, te vermeerderen met rente, en € 720,92 per maand vanaf 30 november 2016 zolang in gebreke wordt gebleven het gehuurde te ontruimen en ter beschikking van Woongoed te stellen;

met veroordeling in de kosten van het geding en alles voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Woongoed heeft de huurovereenkomst en een huurachterstand aan haar vorderingen ten grondslag gelegd.

[appellante] heeft verweer gevoerd.

3.4.

De kantonrechter heeft het gevorderde toegewezen in het bestreden vonnis.

3.5.

[appellante] heeft één grief aangevoerd. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot afwijzing van het gevorderde.

Woongoed heeft verweer gevoerd. Zij heeft geconcludeerd tot bekrachtiging.

3.6.

De grief is gericht tegen het oordeel dat [appellante] de vorderingen onvoldoende heeft weersproken en niet heeft aangetoond dat zij niet meer ingeschreven stond in de basisregistratie op het adres [adres 1] en de daaruit voortvloeiende veroordeling tot betaling van een bestaande huurachterstand. [appellante] voert ook aan dat de gehele veroordeling (inclusief ontruiming) ten onrechte is omdat de huurovereenkomst op 8 september 2016 zou zijn beëindigd (grieven, blz. 3 onderaan), maar zij heeft niet uitgelegd dat en waarom deze overeenkomst op die datum zou zijn beëindigd (haar stelling dat zij toen de woning heeft verlaten, is daarvoor onvoldoende). Verder is geen grief gericht tegen de beslissing om de huurovereenkomst te ontbinden en het bevel tot ontruiming. Het hoger beroep beperkt zich dan ook tot de vraag of en, zo ja, in hoeverre [appellante] aansprakelijk is voor de door Woongoed gestelde huurvordering. [appellante] voert dienaangaande samengevat aan dat de relatie tussen haar en [geintimeerde 2] in de zomer van 2016 of september 2016 is geëindigd, dat zij toen ergens anders is gaan wonen, dat zij vanaf 8 september 2016 ingeschreven staat op het adres [adres 2] (dus niet meer in de gehuurde woning), dat zij haar vertrek uit de woning heeft gemeld aan Woongoed en dat Woongoed akkoord was dat [geintimeerde 2] in de woning zou blijven wonen. [appellante] voert verder aan dat zij volgens Woongoed een formulier moest laten tekenen door [geintimeerde 2] en dat [geintimeerde 2] echter alles weigerde. [appellante] wijst op art. 7:267 lid 5 BW over medehuurders die het gehuurde verlaten. Het is volgens [appellante] onaanvaardbaar dat zij hoofdelijk aansprakelijk wordt gehouden voor schulden van [geintimeerde 2] , die kennelijk de huur niet heeft betaald. [appellante] voert aan dat zij er alles aan heeft gedaan om tot beëindiging van de huur te komen.

3.7.

Woongoed heeft bij gebrek aan wetenschap betwist dat [appellante] in (de zomer van) 2016 de woning heeft verlaten. Woongoed heeft verder gesteld dat dit niet ter zake doet: elke huurder is volgens haar op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden hoofdelijk aansprakelijk voor de huur en de huurders mogen niet ieder afzonderlijk de huur opzeggen, zonder instemming van Woongoed (art. 2.3 en 2.4). Woongoed heeft naar zij stelt niet ingestemd met een opzegging door [appellante] alleen.

3.8.

Het hof neemt in aanmerking dat de algemene voorwaarden van Woongoed van toepassing zijn. Volgens artikel 2.4 van de toepasselijke algemene voorwaarden mag [appellante] alleen (niet samen met [geintimeerde 2] ) zonder instemming van Woongoed de huur niet opzeggen, althans niet zonder dat Woongoed schriftelijk heeft ingestemd met een opzegging door [appellante] alleen. [appellante] voert niet aan dat Woongoed de vereiste instemming heeft gegeven: [geintimeerde 2] moest volgens [appellante] een formulier tekenen (waarin enkel [geintimeerde 2] huurder zou worden), maar heeft dat niet gedaan. [appellante] is bij deze stand van zaken volgens de algemene voorwaarden hoofdelijk aansprakelijk gebleven voor de huur, zoals Woongoed stelt. [appellante] heeft zich bij overeenkomst gezamenlijk en hoofdelijk met [geintimeerde 2] verbonden de huur te voldoen. Het bepaalde in art. 7:267 lid 5 BW doet dan ook niet ter zake, want deze bepaling ziet op “personen bedoeld in lid 4” en dat zijn de persoon die de huur is aangegaan en ieder van de personen die op grond van artikel 7:267 BW medehuurder of huurder is. [appellante] is geen (mede)huurder krachtens het bepaalde in artikel 7:267 lid 1 BW. [appellante] heeft de omvang van de gestelde huurschuld en het gevorderde voor het overige niet bestreden. Dit betekent dat [appellante] de huurschuld en de overige gestelde schulden moet betalen, ook indien zij zoals zij aanvoert in de zomer van 2016 de woning heeft verlaten en vanaf 8 september 2016 op een ander adres (haar hoofdverblijf) staat ingeschreven. Anders dan [appellante] aanvoert, is de huurovereenkomst ten aanzien van haar niet geëindigd (op 8 september 2016) bij haar vertrek uit de woning.

3.9.

Dit is in dit geval naar het oordeel van het hof naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar. [appellante] voert aan dat zij er alles aan heeft gedaan om te komen tot beëindiging van de huur, maar [appellante] heeft dit verweer naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd. [appellante] heeft haar vertrek uit de woning geruime tijd (in elk geval tot in december 2016) niet doorgegeven aan Woongoed (antwoord, proces-verbaal van 14 december 2016, III). [appellante] heeft niet uitgelegd wanneer en hoe zij haar vertrek daarna wel heeft doorgegeven aan Woongoed. Uit niets blijkt dat Woongoed onredelijk lang heeft gewacht of onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, rekening houdend met het belang van [appellante] , om te komen tot ontruiming en ontbinding van de huurovereenkomst.

3.10.

De vraag of en wanneer [appellante] de woning heeft verlaten (en haar hoofdverblijf elders had) kan gelet op het voorgaande verder onbesproken blijven.

3.11.

Het bewijsaanbod van [appellante] wordt als niet voldoende gespecificeerd (wanneer en hoe Woongoed is ingelicht over het vertrek uit de woning) dan wel niet ter zake dienend (het tijdstip waarop zij de woning heeft verlaten) gepasseerd.

3.12.

De beoordeling leidt tot de volgende conclusies. [appellante] moet niet-ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep voor zover gericht tegen [geintimeerde 2] . De grief faalt. Het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd voor zover onderworpen aan het oordeel van het hof. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding worden veroordeeld.

4 De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep voor zover gericht tegen [geintimeerde 2] ;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor zover onderworpen aan het oordeel van het hof;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van Woongoed begroot op € 716,00 voor vastrecht en op € 1.074,00 voor salaris advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, R.J.M. Cremers en L.S. Frakes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 mei 2019.

griffier rolraadsheer