Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:200

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
23-01-2019
Zaaknummer
200.199.796_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:3896
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:327
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:1799
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Behandeling koliek paard overeenkomstig redelijk bekwaam en redelijk handelend dierenarts?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.199.796/01

arrest van 22 januari 2019

in de zaak van

[de Société] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] , Frankrijk,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als Société,

advocaat: mr. L.M. Schelstraete te Oisterwijk,

tegen

[VCS] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als VCS,,

advocaat: mr. A.H. Blok te Veenendaal,

op het bij exploot van dagvaarding van 31 augustus 2017 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 23 april 2014, 4 maart 2015, 8 juli 2015, 29 juli 2015 en 13 juli 2016 door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen Société als eiseres en VCS als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/274999/HAZA 14-32)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het arrest in het incident tot zekerheidstelling van 25 april 2017;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende door de rechtbank vastgestelde feiten.

3.1.1.

Société is een Franse vennootschap met als bestuurder de heer [de bestuurder van de Société] (hierna: [de bestuurder van de Société] ). Société was eigenaar van het springpaard Calvie, dat ten tijde hier van belang werd getraind en gereden door de internationale springruiter de heer [springruiter] (hierna: [springruiter] ), die destijds een professionele trainingsstal exploiteerde in Duitsland onder de naam [professionele trainingsstal] Horses GmbH (hierna: de GmbH). Hij was hiervan bestuurder en aandeelhouder.

3.1.2.

VCS exploiteert een dierenartspraktijk waartoe onder andere behoort een gespecialiseerde tweedelijns paardenkliniek. Bij VCS zijn onder meer werkzaam als dierenarts de heren [dierenarts 1] en [dierenarts 2] (hierna: [dierenarts 1] en [dierenarts 2] ).

3.1.3.

Op vrijdagmiddag 17 augustus 2012 is het paard Calvie opgenomen bij VCS met symptomen van koliek. Het paard is onderzocht door [dierenarts 1] , die vaststelde dat waarschijnlijk sprake was van een "right dorsal displacement" (RDD) oftewel een verplaatsing van de dikke darm. [dierenarts 1] heeft toen gekozen voor een conservatieve behandeling met pijnstilling. Het paard is dat weekend in de kliniek gebleven en is regelmatig opnieuw onderzocht door [dierenarts 1] , die dat weekend dienst had. Er vond vanuit VCS dagelijks telefonisch contact plaats met [springruiter] . [springruiter] hield de eigenaar van het paard, [de bestuurder van de Société] , op de hoogte.

3.1.4.

Op zaterdag en zondag leek er sprake van enige verbetering, maar in de vroege ochtend van maandag 20 augustus 2012 verslechterde de situatie van het paard: het kreeg meer pijn en liet afwijkende bloedwaarden zien. [dierenarts 2] besloot daarop dat een operatie nodig was. Hij heeft omstreeks 8.30 uur [springruiter] gebeld om te vragen om toestemming. [springruiter] moest daarvoor ruggenspraak houden met de eigenaar van het paard. In een tweede telefoongesprek die ochtend heeft [dierenarts 2] toestemming verkregen voor een operatie. Om 11.25 uur is aan Calvie narcose toegediend, waarna is begonnen met de operatie. Tijdens de operatie is een scheuring van de darmwand opgetreden in verband waarmee het paard direct moest worden geëuthanaseerd.

3.1.5.

[dierenarts 2] heeft diezelfde middag telefonisch bericht gedaan aan [springruiter] van het overlijden van Calvie. Op verzoek van [springruiter] heeft [dierenarts 2] die avond ook telefonisch gesproken met [de bestuurder van de Société] . Op verzoek van [de bestuurder van de Société] heeft [dierenarts 2] de patiëntenkaart van Calvie (productie 1 bij dagvaarding) aan hem toegestuurd.

3.1.6.

In een brief van 11 februari 2013 heeft [de bestuurder van de Société] aan [dierenarts 2] laten weten hem aansprakelijk te houden voor de geleden schade. In een brief van 26 juni 2013 hebben de raadslieden van Société zowel [dierenarts 2] als VCS (nogmaals) aansprakelijk gesteld voor de geleden schade.

3.1.7.

Op aandringen van Société heeft VCS vervolgens in aanvulling op de eerder overgelegde patiëntenkaart ook de overige patiëntgegevens (anesthesieverslag, stalkaarten, en uitslagenlijsten van bloedonderzoeken; productie 7 bij dagvaarding) aan Société ter beschikking gesteld.

3.1.8.

Naar aanleiding van een door Société op 24 december 2013 ingesteld verzoek om een voorlopig deskundigenbericht heeft de rechtbank bij beschikking van 13 mei 2014 tot deskundige benoemd mevrouw prof. dr. M.M. Sloet van Oldruitenborgh-Oosterbaan, specialist inwendige ziekten van het paard in [vestigingsplaats] (hierna: Sloet van Oldruitenborgh). Deze deskundige heeft op 13 oktober 2014 haar rapport uitgebracht.

3.1.9.

Op 6 februari 2014 heeft Société haar dagvaarding uitgebracht.

3.2.

Société heeft in eerste aanleg gevorderd - na vermindering van haar eis - veroordeling van VCS tot betaling van € 2.000.000,-, vermeerderd met wettelijke rente en kosten.

3.2.1

Société heeft hieraan ten grondslag gelegd dat VCS onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door haar bestuurder, de heer [de bestuurder van de Société] , niet op de hoogte te houden van de patiëntenstatus van het paard, hem niet te informeren over behandelmogelijkheden en de mogelijke risico's daarvan, en door niet (tijdig) aan te dringen op een operatie. Subsidiair, voor het geval een contractuele relatie zou bestaan tussen VCS en Société, beroept Société zich er op dat VCS door de bedoelde handelwijze toerekenbaar tekort is geschoten in haar verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht.

3.2.2.

Ter onderbouwing van haar vordering heeft Société het volgende aangevoerd. Gedurende de periode dat Calvie bij VCS was ondergebracht heeft VCS geen contact opgenomen met [de bestuurder van de Société] , terwijl VCS wist of althans kon weten dat hij (of althans Société) eigenaar was van het paard. VCS had slechts contact met [springruiter] en aan [springruiter] werd telkens slechts medegedeeld dat men het paard nog een nacht wilde houden. Over een operatie werd door VCS niet eerder dan op maandag gesproken en toen was er geen keuze meer. VCS had hierover eerder moeten overleggen omdat in een geval als dit de visie van de eigenaar van het paard de doorslag kan geven bij het beslissen over wel of niet opereren. Wanneer [de bestuurder van de Société] tijdig zou zijn geïnformeerd, dan zou hij onmiddellijk hebben besloten tot een operatie. Tijdig operatief ingrijpen had tot volledig herstel van het paard kunnen leiden. Dat VCS de operatie te lang heeft uitgesteld blijkt uit veterinaire rapportages van prof. dr. [expert 1] (Duitsland) en dr. [expert 2] (Frankrijk). Ook de door de rechtbank benoemde deskundige Sloet van Oldruitenborgh komt tot de conclusie dat VCS te lang heeft gewacht met ingrijpen. Door die nalatigheid van VCS is het paard verloren gegaan. Het paard had volgens een taxatie van ing. [taxateur] op 20 augustus 2012 een onderhandse verkoopwaarde van € 2.000.000,-.

Société voert verder aan dat uit het rapport van Sloet van Oldruitenborgh volgt dat VCS ook haar dossierplicht heeft geschonden doordat een aantal belangrijke zaken niet in het medisch dossier van Calvie is vastgelegd. Volgens Société dient dit gevolgen te hebben voor het bewijs. In dit verband stelt Société bovendien dat op VCS een verzwaarde stelplicht rust nu VCS, anders dan Société, over alle gegevens kan beschikken.

3.3.

VCS heeft verweer gevoerd.

3.3.1.

VCS heeft zich beroepen op toepasselijkheid van de Algemene Voorwaarden van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde (hierna: de algemene voorwaarden). VCS stelt dat Société niet heeft voldaan aan de in artikel 7 van de algemene voorwaarden opgenomen verplichting om klachten binnen 30 dagen te melden en ook niet aan de in artikel 6:89 BW omschreven klachtplicht.

3.3.2.

VCS heeft aangevoerd dat zij zich met [springruiter] mocht verstaan omdat [springruiter] zich als vertegenwoordiger van Société presenteerde. VCS hoefde daarom geen contact te zoeken met [de bestuurder van de Société] . VCS betwist dat [springruiter] niet goed op de hoogte zou zijn gehouden en dat niet eerder dan op maandag met hem over een operatie zou zijn gesproken. Volgens VCS bestond bij [springruiter] een grote weerstand tegen opereren.

3.3.3.

VCS heeft verder aangevoerd dat de door Société overgelegde rapporten van [expert 1] en [expert 2] zijn gebaseerd op onvolledige gegevens en ook inhoudelijk onjuist zijn. VCS beroept zich op rapporten van prof. dr. [expert 3] (België), drs. [expert 4] (Nederland) en prof. dr. [expert 5] (Denemarken), waarin wordt geconcludeerd dat de keuze voor conservatief behandelen, en ook de voortzetting daarvan op zondag, gerechtvaardigd was.

3.3.4.

Dat de door de rechtbank benoemde deskundige Sloet van Oldruitenborgh op zondagavond zou hebben geopereerd betekent volgens VCS nog niet dat de beslissing van VCS om op zondag (nog) niet te opereren een beroepsfout oplevert. Zoals vrijwel alle deskundigen erkennen is sprake van een groot grijs gebied. Sloet van Oldruitenborgh geeft bovendien uitdrukkelijk aan dat een oordeel over de handelwijze van VCS pas gegeven kan worden als vast staat wat is besproken met [springruiter] en/of [de bestuurder van de Société] en als vast staat wat tussen zondagavond en maandagochtend het beloop was bij het paard. In dit verband stelt VCS dat het paard tussen zondagavond 23.00 uur en maandagochtend 7.00 uur rustig en stabiel was, en dat de noodzaak tot opereren pas ontstond nadat op maandagochtend vroeg een verdere verschuiving/verdraaiing van het colon plaatsvond (torsie).

3.3.5.

VCS heeft betwist dat causaal verband bestaat tussen het pas op maandag opereren en de fatale ruptuur. Het risico op ruptuur bestond ook al op vrijdagmiddag, toen de dikke darm van Calvie ook al verstopt en overvuld was. VCS beroept zich in dit verband op een rapport van dr. [deskundige] .

3.3.6.

VCS heeft voorts betwist dat zij haar dossierplicht heeft geschonden en stelt dat zij door overlegging van alle patiëntgegevens en van de aanvullende verklaringen van [dierenarts 1] en [dierenarts 2] van 27 augustus 2014 aan haar (verzwaarde) stelplicht heeft voldaan.

3.3.7.

VCS heeft tenslotte de door Société gestelde waarde van het paard betwist met overlegging van een andersluidende (veel lagere) taxatie en beroept zich tot slot op artikel 8 van haar algemene voorwaarden waarin de aansprakelijkheid van de dierenarts is beperkt tot het verzekerde bedrag (€ 300.000,-) en op matiging van een eventuele schadevergoedingsplicht tot dit bedrag (artikel 6:109 BW).

3.4.

In het tussenvonnis van 23 april 2014 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast. Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt.

3.5.

Bij het tussenvonnis van 4 maart 2015 heeft de rechtbank bepaald dat partijen zich kunnen uitlaten over de aangekondigde aanvullende deskundigenrapportage. In het tussenvonnis van 8 juli 2015 is een aanvullend deskundigenonderzoek bevolen, welk vonnis bij vonnis van 29 juli 2015 is verbeterd.

3.6.

In het eindvonnis van 13 juli 2016 heeft de rechtbank de vordering van Société afgewezen en haar in de proceskosten veroordeeld.

3.7.

Société heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd. Société heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beroepen vonnissen en tot het alsnog toewijzen van haar vordering tot betaling van € 2.000.000,- met rente, terugbetaling van hetgeen zij uit hoofde van het eindvonnis van 13 juli 2016 heeft betaald en veroordeling van VCS in de proceskosten.

3.7.1.

De rechtbank heeft terecht haar bevoegdheid gegrond op artikel 2 lid 1 van de Verordening (EG) nr. 44/2001(EEX-Verordening) (tussenvonnis 3 maart 2015, rov. 5.1). Zij heeft voorts geoordeeld dat Nederlands recht van toepassing is (rov. 5.2 tussenvonnis 3 maart 2015). Daartegen is door Societe niet met een grief opgekomen, zodat ook het hof hierna uitgaat van de toepasselijkheid van Nederlands recht.

Niet-ontvankelijkheid.

3.8.

Er zijn geen grieven gericht tegen het vonnis van 23 april 2014, zodat Société in haar beroep tegen dat vonnis niet kan worden ontvangen.

Aansprakelijkheid?

3.9.

Het centrale verwijt dat Société aan VCS maakt is dat het paard veel eerder geopereerd had moeten worden om de koliekaanval te kunnen overleven (inl dgv nr 22) en dat VCS de operatie te lang heeft uitgesteld (inl dgv nr. 25). Het advies van VCS om te opereren is pas maandagochtend 20 augustus 2012 gegeven; volgens Société was dat op dat moment al te laat (mvg 2.43).

3.10.

Het hof stelt als maatstaf voorop dat VCS als professionele opdrachtnemer, althans als behandelend dierenarts als een redelijk bekwaam en redelijk handelend dierenarts haar opdracht, althans haar behandeling diende uit te voeren.

3.10.1.

Op grond van de hoofdregel van de artikelen 149 en 150 Rv dient Société feiten en omstandigheden te stellen en –bij voldoende betwisting daarvan- te bewijzen waaruit volgt dat VCS voormelde norm heeft geschonden. Immers Société verbindt aan haar stellingen rechtsgevolgen, te weten de wettelijke verplichting tot schadevergoeding door VCS. Société heeft onvoldoende gesteld om in afwijking van voormelde hoofdregel de bewijslast bij VCS te leggen.

3.11.

Het hof constateert dat geen grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat uit het rapport van de deskundige volgt dat binnen de beroepsgroep van dierenartsen geen professionele standaard bestaat ter zake van het behandelen van een paard met koliek (rov. 5.22 tussenvonnis van 3 maart 2015). Het hof gaat dus hiervan uit.

3.12.

In haar rapport van 13 oktober 2014 heeft de deskundige het volgende uitgangspunt geformuleerd:

“Om toch een indruk (onderstreping hof) te krijgen omtrent 'wat een redelijk bekwaam en redelijk handelend dierenarts / specialist werkend in een paardenkliniek' zou doen onder deze omstandigheden, heb ik de onderhavige casus voorgelegd aan 4 dierenartsen (allen Europees Diplomate in het College of Equine Internal Medicine) en werkzaam aan de Faculteit Diergeneeskunde te [vestigingsplaats] , zonder dat zij weet hadden van om welk paard het handelde, wie de betrokken eigenaar was en welke kliniek erbij was betrokken. Ook hadden zij geen kennis omtrent de antwoorden van hun collega's. “(blz 6).

De vier dierenartsen kwamen allen, evenals de deskundige tot de conclusie dat op zondagavond operatief ingegrepen had dienen te worden.

3.12.1.

Het hof merkt op dat het volgens de deskundige slechts om een indruk gaat en dat die indruk bovendien is gebaseerd op het oordeel van een beperkt aantal dierenartsen, die bovendien aan dezelfde instelling zijn verbonden.

Bij het voorgaande komt dat de deskundige zelf onderkent dat de scheidslijn over wel/niet sneller chirurgisch ingrijpen een grijs gebied is (blz 9).

Tenslotte haalt de deskundige zelf enige door VCS aangebrachte vakgenoten aan die de casus anders beoordelen. Zij schrijft:

“Prof. [expert 3] schat de wat hogere lactaatconcentratie die niet wil verdwijnen wat minder zorgelijk en de bereikte verbetering van het paard wat positiever in dan ik en hij tilt wat minder zwaar aan het veelvuldig gebruik van een redelijk zware pijnstiller.” (blz 9)

en

“Drs. [expert 4] vindt de kolieksymptomen minder alarmerend dan ik. (…)Drs. [expert 4] schat de wat verhoogde lactaatconcentratie minder ernstig in dan ik.(…) Drs. [expert 4] hecht minder waarde aan het veelvuldig gebruik van pijnstillers over het hele weekend dan ik. Hij schat de bereikte verbetering wat hoger in dan ik. (…) Wij beiden zijn het volledig eens dat de sterk gedaalde leucocytenconcentratie op maandagochtend vroeg een harde indicatie is voor direct chirurgisch ingrijpen. (…)Dat chirurgie niet zonder risico is, vermeldt drs. [expert 4] terecht en hij haalt hierbij terecht een artikel uit onze groep aan. Een paard wat naar mening van de internisten geen chirurgie nodig heeft, heeft een veel hogere overlevingskans dan een paard wat wél chirurgisch ingrijpen nodig heeft. De beslissing wel/niet chirurgisch ingrijpen is en blijft een hele lastige, zeker als dit retrospectief moet gebeuren aan de hand van door anderen gedane waarnemingen en er is dus een flink grijs gebied.” (blz 9)

en

“Ik ben het met dr [expert 5] eens dat 48-72 uur afwachten soms inderdaad zonder problemen mogelijk is (…).”(blz 9).

3.12.2.

Ten aanzien van de door Société ingebrachte verklaringen van deskundigen, schrijft de deskundige in haar rapport dat prof dr. [expert 1] over minder gegevens beschikte dan [expert 3] , [expert 4] en [expert 5] .

Wat dr. [expert 2] betreft merkt de deskundige op dat zijn verklaring alleen algemene informatie over RDD bevat (blz 8).

Gezien het voorgaande zijn de verklaringen van [expert 1] en [expert 2] onvoldoende om te kunnen concluderen dat VCS eerder dan maandagochtend 20 augustus 2012 had behoren te opereren.

3.13.

Voorts acht het hof van belang dat de deskundige in haar rapport vermeldt:

“ 'ruptureren' (scheuren) is een vaker voorkomend probleem bij een RDD die enige tijd min of meer klem heeft gezeten waardoor de colonwand verzwakt kan worden. Dit 'enige tijd zitten' kan ook slechts de laatste 12-24 uur of alleen de laatste nacht (onderstreping hof) zijn geweest als het colon toen verder is verschoven en ook getordeerd.” (blz 6).

Bovendien heeft de deskundige als volgt gerapporteerd:

“Bij dit alles speelt het sluipende verloop bij Calvie echt een complicerende rol: het leek eerst goed te gaan met een medicamenteuze aanpak en toen viel dat toch tegen (mogelijk omdat de darm verder tordeerde of verder verkeerd schoof).” (blz 10).

Ook schrijft de deskundige:

“Ik kan ook aangeven dat in de periode tussen 23:00 uur zondagavond en 11:25 uur de volgende morgen de verslechtering in de laatste zes uur (onderstreping hof) zeker het snelste zal zijn gegaan. Er is echter geenszins aan te geven waar het 'point of no return' lag. Dit is altijd heel lastig, maar zeker onmogelijk als er geen sectie en dus ook geen histologische onderzoek is uitgevoerd.” (blz 23).

3.13.1.

Uit het voorgaande maakt het hof op dat er een reële mogelijkheid bestaat dat pas in de nacht van zondag op maandag de colonwand zodanig werd verzwakt dat de darm scheurde bij manipulatie. Dat brengt mee dat niet met voldoende zekerheid kan worden geconcludeerd dat de beslissing tot chirurgisch ingrijpen op maandagochtend te laat was en dat uiterlijk op zondagavond chirurgisch ingegrepen had dienen te worden.

3.14.

De deskundige heeft in haar rapport verder de volgende, algemene overwegingen meegegeven, welke het hof bij zijn hiervoor vermelde (3.13.1) oordeel van belang acht:

“Niemand kan met zekerheid een prognose geven. Hierbij moet worden aangetekend dat de ene RDD de andere niet is en dat sommige RDD's vanaf het eerste moment een zeer slechte prognose hebben, terwijl andere RDD's zich met vasten en wat afstappen al 'vanzelf' oplossen.” (blz 10).

en:

“Het retrospectief beoordelen van een patiënt is nooit met 100% zekerheid mogelijk en blijft altijd subjectief. Er zijn slecht weinig harde parameters en veel subjectieve waarnemingen. Daarom kunnen ervaren en gerespecteerde collega's toch ieder een net iets andere visie op dezelfde casus hebben. Immers, wij hebben geen van allen de casus in levende lijve kunnen onderzoeken.” (blz 12).

en:

“In Nederland is het goed gebruik om zo lang als mogelijk en verantwoord te wachten met chirurgie om zo de kans op onnodig chirurgisch ingrijpen zo laag mogelijk te houden.” (blz 18).

3.14.1.

Het bovenstaande leidt het hof tot het oordeel dat ingeval van RDD een prognose lastig is te geven, dat zo lang mogelijk als verantwoord behoort te worden gewacht met opereren en dat een beoordeling achteraf verschillende visies kan opleveren.

3.15.

Het oordeel van de deskundige, dat te laat advies is gegeven door VCS om chirurgisch in te grijpen, althans het paard zondagavond en zondagnacht uitgebreider onderzocht had moeten worden (blz 8) acht het hof niet voldoende gedragen door hetgeen de deskundige overigens in haar rapport van 13 oktober 2014 heeft vermeld, zoals naar het oordeel van het hof blijkt uit de hiervoor door het hof aangehaalde overwegingen in dat rapport. Bovendien heeft de deskundige haar oordeel gerelativeerd door daarbij op te merken dat mogelijk wel sprake is van een verder verkeerd schuiven van het colon (dikke darm).

3.16.

Onder ogen moet nog worden gezien of VCS niet als redelijk handelend en redelijk bekwaam dierenarts heeft gehandeld omdat VCS niet tijdig en niet volledig de eigenaar van het paard (Société) of haar vertegenwoordigers ( [de bestuurder van de Société] en [springruiter] ) heeft geconsulteerd en geadviseerd ten aanzien van conservatieve therapie of chirurgisch ingrijpen.

De deskundige heeft in haar rapport opgenomen hoe zij het gesprek met de eigenaar of vertegenwoordiger zou hebben gevoerd:

“’Graag wil ik van u weten of een operatie zo nodig zou mogen (dan kunnen we dit namelijk ook uitvoeren als u om wat voor reden dan ook onbereikbaar zou zijn) en hoe u tegenover opereren staat.’ Dan komt er vanzelf een discussie op gang en weten we hoe de betreffende cliënt tegenover opereren staat. Naast wat wij wetenschappelijk en op ervaring adviseren is er namelijk ook altijd de ervaring van de cliënt (onderstreping hof). Immers, mensen die al eerder een of meer paarden aan een koliekoperatie hebben verloren of met complicaties geconfronteerd zijn, zullen langer conservatief willen behandelen, terwijl mensen met goede ervaringen juist sneller voor operatie kiezen. Dit geeft vaak de doorslag in het grijze gebied van paarden die niet opknappen met conservatieve therapie zoals bij Calvie het geval was.” (blz 10).

3.16.1.

Echter Société stelt zelf dat ten onrechte is verondersteld dat [de bestuurder van de Société] en [springruiter] ervaring zouden hebben gehad met paarden met koliek (mvg 2.44). Sociéte had, anders dan waar de deskundige van uitging, in deze casus dus geen relevante bijdrage aan de wijze van behandeling kunnen leveren uit hoofde van eigen ervaring.

Het hof wijst er verder op dat [springruiter] in zijn schriftelijke verklaring van 30 juni 2014, zoals aangehaald in het deskundigenrapport, schrijft:

“Mr. [de bestuurder van de Société] and I relied completely upon their professional judgment to advise us of the horse's condition and any treatments they believed to be necessary. “ (blz 14). Hieruit maakt het hof op dat, in het hypothetische geval dat tijdige consultatie zou hebben plaatsgevonden, Société elk advies van VCS, of het nu operatieve of conservatieve behandeling zou betreffen, zou hebben opgevolgd.

Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat volledige en tijdige advisering of consultatie van Société door VCS aangaande conservatieve behandeling of chirurgisch ingrijpen op enig eerder moment dan maandagochtend 20 augustus 2012, niet tot een andere behandeling door VCS zou hebben geleid. Immers niet is gesteld of gebleken dat VCS bij eerdere advisering/consultatie van Société anders zou hebben geadviseerd en gehandeld dan zij heeft gedaan, terwijl Sociéte op geen enkele ervaring met koliek kon bogen en Société zich helemaal op het advies van VCS tot conservatieve behandeling zou hebben verlaten.

3.17.

Gelet op hetgeen in 3.11 tot en met 3.16. is overwogen, kan reeds op grond van het rapport van de deskundige van 13 oktober 2014 -zoals VCS ook al heeft betoogd in haar akte uitlaten deskundigenbericht van 20 januari 2015 (4.2.4)- niet geconcludeerd worden dat VCS niet heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend dierenarts had behoren te doen.

3.18.

Het nader deskundigenrapport van 4 februari 2016 behoeft, gezien het voorgaande, geen bespreking.

Immers indien veronderstellenderwijs aangenomen wordt dat de stelling van Société, dat de door de rechtbank aan de deskundige voor haar aanvullend rapport meegegeven feiten waar het betreft de houding van Société ( [de bestuurder van de Société] / [springruiter] ) ten aanzien van de behandeling van het paard en de inhoud van de behandeling van zondagavond tot maandagochtend (dictum vonnis 8 juli 2015 en blz 2 rapport 4 februari 2016) onjuist zijn, juist is, kan dit haar niet baten, omdat reeds op grond van het eerste rapport niet tot de gevolgtrekking kan worden gekomen dat VCS niet als redelijk bekwaam en redelijk handelend dierenarts heeft gehandeld. Deze stelling van Sociéte kan dus in het midden worden gelaten.

Bewijsaanbod.

3.19.

Het bewijsaanbod van Société wordt gepasseerd omdat het, gezien hetgeen hiervoor is overwogen, geen voldoende concrete feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die, indien bewezen, aan het voorgaande kunnen afdoen.

Slotsom.

3.20.

Op het voorgaande stuiten alle grieven af. De vonnissen waarvan beroep zullen dus worden bekrachtigd. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep behoeft geen behandeling omdat de daaraan verbonden voorwaarde niet intreedt.

Proceskosten.

3.21.

Société zal als de in het ongelijk gestelde de proceskosten van VCS moeten dragen. Die bestaan uit € 5.270,- griffierecht en € 5.501,- salaris advocaat (tarief VIII in hoger beroep=€ 5.501,-x memorie van antwoord=1 punt), te vermeerderen met rente en nakosten. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep behoefde geen behandeling en daarom worden de kosten daarvan op nihil begroot.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal hoger beroep

verklaart Société niet ontvankelijk in haar beroep tegen het vonnis van 23 april 2014;

bekrachtigt de overige vonnissen waarvan beroep;

veroordeelt Société in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van VCS op € 5.270,- aan griffierecht en op € 5.501,- aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening en voor wat betreft de nakosten op € 131,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 168,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart voormelde veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

op het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep

verstaat dat dit geen behandeling behoeft;

begroot de kosten hiervan op nihil.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, R.A. van der Pol en P.P.M. Rousseau en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 januari 2019.

griffier rolraadsheer