Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1928

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-05-2019
Datum publicatie
01-05-2020
Zaaknummer
20-002981-16
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:782
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met het ingestelde cassatieberoep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002981-16

Uitspraak : 15 mei 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 20 september 2016 in de strafzaak met parketnummer

03-720577-13 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis, waarvan beroep, is verdachte ter zake van:

 diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd (feit 1 primair),

 oplichting (feit 2),

 medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd (feit 3) en

 medeplegen van oplichting (feit 4),

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen tot een bedrag van € 52.051,11, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige (te weten: € 1.000) is de vordering afgewezen.

Namens verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan verdachte onder 1 primair, 2, 3 en 4 is ten laste gelegd en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het hof deze zal toewijzen tot een bedrag van € 47.051,11, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, en dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering (te weten: € 6.000) niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De verdediging heeft:

 een verzoek gedaan tot het horen van 9 getuigen;

 integrale vrijspraak bepleit van de onder 1 (primair en subsidiair), 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten;

 in geval van een veroordeling verzocht om de strafoplegging te beperken tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarvan de duur van het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht;

 verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot schadevergoeding dan wel om die vordering af te wijzen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust (inclusief de verbeterde lezing van de tenlastelegging), met aanvulling van de bewijs-motivering van feit 1 en die van de feiten 3 en 4, met uitzondering van één zinsnede in de bewijsmotivering van feit 2 en met aanvulling van de motivering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij.

Voorts zal het hof een beslissing nemen op het ter terechtzitting in hoger beroep gedane verzoek van de verdediging tot het horen van 9 getuigen.

Tenlastelegging en bewezenverklaring

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkwamen, zijn deze door de rechtbank verbeterd. Zo is de bedrijfsnaam van [bedrijf 1] in de tenlastelegging onder de feiten 3 en 4 verkeerd gespeld. De rechtbank heeft in haar vonnis overwogen dat verdachte door deze verbeterde lezing niet in de verdediging is geschaad en dat is ook het oordeel van het hof. Het hof bevestigt derhalve deze verbeterde lezing van de bedrijfsnaam in de bewezenverklaring van de feiten 3 en 4.

Aanvullende motivering van het bewijs

Ten aanzien van feit 1

In aanvulling op de in het beroepen vonnis vervatte motivering van het bewijs ten aanzien van feit 1, welke het hof integraal bevestigt, overweegt het hof nog het volgende.

De volzin “Verdachte heeft dit ter terechtzitting bevestigd” (pagina 3, 5e regel van onderen) van het vonnis wordt vervangen door: “Verdachte heeft ter terechtzitting (in eerste aanleg) bevestigd dat zij de rekening van [getuige 8] gebruikt om te bankieren.” (met dezelfde voetnoot).

In hoger beroep is, op verzoek van de verdediging, door de heer [deskundige] , gerechtelijk deskundige voor schriftonderzoek, een handschriftonderzoek verricht betreffende de vraag of de handtekening op de kwitantie d.d. 5 oktober 2012 al dan niet de handtekening van [benadeelde] is.

De deskundige heeft de betwiste handtekening vergeleken met het referentiemateriaal en zijn bevindingen in het rapport van 10 december 2018 gerelateerd. Daaruit volgt in de eerste plaats dat aan de deskundige slechts een fotokopie van de kwitantie ter beschikking was gesteld. Voorts blijkt uit het rapport (onder meer) dat de betwiste handtekening qua schriftsoort, afmetingen, verbondenheidsgraad en hellingshoek met de vergelijkings-handtekeningen overeenkomt. De schrijfsnelheid en de bewegingsrichting kunnen bij een fotokopie niet op betrouwbare wijze worden bepaald, maar een vergelijking op visuele equivalentie heeft in dit opzicht geen significante verschillen tussen de betwiste handtekening en het referentiemateriaal opgeleverd.

De deskundige heeft geconcludeerd dat – rekening houdend met de beperkingen voor het onderzoek – voornoemde bevindingen met betrekking tot de betwiste handtekening waarschijnlijker zijn wanneer hypothese H1 (de betwiste handtekening is een authentieke handtekening van [benadeelde] ) waar is, dan wanneer hypothese H2 (de valsheids-hypothese: een ander dan [benadeelde] heeft de betwiste handtekening geplaatst) waar is. Deze bevindingen kunnen volgens de deskundige echter niet als bevestiging worden opgevat voor de aanname dat [benadeelde] de handtekening daadwerkelijk op de betwiste kwitantie heeft geplaatst. Bij een fotokopie kan immers sprake zijn van montage.

Het hof overweegt hieromtrent dat het verwondering wekt dat slechts een fotokopie van de kwitantie aan de deskundige ter hand is gesteld, terwijl verdachte – als degene die met een kwitantie de verrichte betaling zou kunnen bewijzen - juist de beschikking zou moeten hebben gehad over de originele kwitantie. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij het origineel had opgeborgen in een map met stukken betreffende [benadeelde] en dat zij de hele map aan [benadeelde] heeft afgegeven, maar dat doet niets af aan de navolgende conclusie.

De omstandigheid dat de kwitantie in kopie is aangeleverd heeft geleid tot een beperking voor het onderzoek en maakt dat niet kan worden uitgesloten dat de handtekening door een ander dan [benadeelde] op de kopie-kwitantie is aangebracht. Het hof is derhalve van oordeel dat de conclusie van de deskundige dat het waarschijnlijker is dat (het origineel van) de betwiste handtekening een authentieke handtekening van [benadeelde] is, niets afdoet aan de door de rechtbank gebezigde bewijsmotivering ten aanzien van feit 1.

Het hof verenigt zich met de daarin besloten liggende conclusie van de rechtbank dat de verklaring van verdachte dat zij aan [benadeelde] bedragen van € 10.000 en € 8.500 contant heeft (terug)betaald, ongeloofwaardig is, nu dit weerlegd wordt door onder meer de verklaring van [benadeelde] en niet door stukken (waaronder de overgelegde kopie-kwitantie) wordt ondersteund.

Met de rechtbank, acht het hof dit feit derhalve wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van de feiten 3 en 4

In aanvulling op de in het beroepen vonnis vervatte motivering van het bewijs ten aanzien van de feiten 3 en 4, welke het hof integraal bevestigt, overweegt het hof nog het volgende.

Door verbalisant [verbalisant] , ambtenaar van de Belastingdienst, is met betrekking tot [bedrijf 2] een aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 april 2019 opgemaakt. Uit dit proces-verbaal en de aangehechte bijlagen volgt (onder meer):

 dat een brief van 1 oktober 2014 aan de Belastingdienst Maastricht betreffende “Herinnering aanvraag BTW en LH nummer” niet terug te vinden is in de systemen van de belastingdienst,

 dat wel een bezwaarschrift tegen de voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 2013 is ontvangen op 2 december 2014 waarin [verdachte] schrijft dat zij “nogmaals (verzoekt) de BV van een loonheffingsnummer te voorzien” en

 dat de ambtenaar die destijds het door verdachte ingediende bezwaarschift tegen de voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 2013 heeft behandeld, zich het bezwaarschift niet kon herinneren en dat hij niets heeft gedaan met het verzoek om toekenning van een loonbelastingnummer. In het computersysteem bevinden zich daaromtrent ook geen aantekeningen, terwijl hij die zou hebben gemaakt als hij wel iets met een dergelijk verzoek had gedaan. Het is ten slotte wel gebruikelijk dat dergelijke verzoeken aan de betreffende afdeling worden doorgegeven.

Uit bijlage 1 bij dit aanvullend proces-verbaal blijkt voorts dat [bedrijf 2] is opgenomen geweest als inhoudingsplichtige voor de loonbelasting van 5 november 1997 tot 27 oktober 1998; daarna niet meer. De B.V. is ook opgenomen geweest als belastingplichtige voor de omzetbelasting vanaf het 4e kwartaal van 2014, maar alle aangiften werden “nihil” ingediend. In de jaren 2012 en 2013 is de B.V. derhalve niet opgenomen geweest voor de loonbelasting en evenmin voor de omzetbelasting.

In de aangifte vennootschapsbelasting over 2012 en 2013 zijn bedragen opgenomen voor lonen en salarissen van respectievelijk € 30.690 en € 11.000, maar zonder specificatie op werknemer niveau. De datum van indiening van deze aangiftes wordt niet vermeld.

Uit de systemen van de Belastingdienst is niet gebleken dat [betrokkene] in 2012 en/of 2013 loon heeft genoten van [bedrijf 2]

Het hof is van oordeel dat de van de Belastingdienst afkomstige informatie niets afdoet aan de door de rechtbank gebezigde bewijsmotivering ten aanzien van de feiten 3 en 4.

Daarbij merkt het hof op dat het bezwaarschift, dat is ontvangen op 2 december 2014, ziet op de opgelegde voorlopige aanslag vennootschapsbelasting van 2013. Dit is dus niet gericht tegen de vennootschapsbelasting van 2012, te weten het jaar waarin [betrokkene] in dienst zou zijn getreden. Ook is geen enkele relatie vast te stellen tussen het bij de aangifte vennootschapsbelasting 2012 vermelde bedrag aan lonen en de persoon van [betrokkene] .

Met de rechtbank, acht het hof deze feiten derhalve wettig en overtuigend bewezen.

Beoordeling van het bewijs ten aanzien van feit 2

De rechtbank heeft onder paragraaf 3 ‘De beoordeling van het bewijs’, ten aanzien van feit 2 onder het kopje ‘Medeplegen?’ (op pagina 8 van het vonnis) overwogen:

Als strafverzwarend bestanddeel is in de tenlastelegging het medeplegen opgenomen.

Het hof overweegt dat medeplegen, in het geval van oplichting, niet heeft te gelden als strafverzwarend bestanddeel (zoals dat bijvoorbeeld wel het geval is bij een gekwalificeerde diefstal). Het hof is wel met de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt voor de stelling dat verdachte aangeefster [getuige 2] heeft opgelicht in een nauwe en bewuste samenwerking met één of meer andere personen, zodat van medeplegen geen sprake is. Het hof bevestigt de beoordeling van het bewijs derhalve met uitzondering van de hierboven vermelde schuingedrukte zinsnede.

Met de rechtbank, acht het hof dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Ten slotte overweegt het hof dat het begrijpt dat verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft willen suggereren dat haar partner, [getuige 5] , geheel of ten dele verantwoordelijk is voor hetgeen haar verweten wordt. Het hof acht deze verklaring, mede gelet op het stadium van het geding, te vaag om daaraan enige consequentie te verbinden. Te meer omdat de verklaring op geen enkele wijze wordt gestaafd.

Aanvullende motivering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de financiële tegenwaarde van de werkzaamheden die door de vennootschap van verdachte zijn uitgevoerd schat op een bedrag van ongeveer € 5.000. Gelet op die verklaring, is de advocaat-generaal uitgegaan van verrekening van dit bedrag met de door de benadeelde partij gevorderde schade van € 53.051,11. Naast de afwijzing van de vordering ten aanzien van de contante opname van € 1.000 op 25 oktober 2015, welke post buiten de ten laste gelegde periode valt, komt de advocaat-generaal derhalve tot toewijzing van een bedrag van € 47.051,11 en afwijzing van een bedrag van € 6.000.

Het hof overweegt hieromtrent dat, hoewel een schuldenaar gelet op artikel 6:127 van het Burgerlijk Wetboek de bevoegdheid heeft tot verrekening, het in het onderhavige geval niet verdachte is die in dat kader een vordering op de benadeelde partij heeft, maar de vennootschap. Derhalve acht het hof, met de rechtbank, een bedrag van € 52.051,11 voor toewijzing vatbaar en bevestigt het hof de door de rechtbank genomen beslissing op de vordering van de benadeelde partij integraal.

Verzoek tot het horen van getuigen

Bij appelschriftuur van 11 oktober 2016, binnen 14 dagen na het op 3 oktober 2016 ingestelde appel, heeft mr. J. Schepers namens verdachte verzocht om het horen van de volgende getuigen:

1. [benadeelde] ;

2. [getuige 2] ;

3. [getuige 3] ;

4. [getuige 4] ;

Per mail van 29 november 2017 heeft de raadsman aanvullend verzocht de volgende personen als getuige te horen:

5. [getuige 5] ;

6. [getuige 6] ;

7. [getuige 7] ;

Het hof heeft dit verzoek besproken met de verdediging en de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 mei 2018 en de beslissing op dat verzoek gegeven ter terechtzitting van 24 mei 2018. Het hof heeft daarbij het volgende overwogen en beslist:

… een tot de zittingsrechter gericht verzoek tot het oproepen en het horen van getuigen door de verdediging dient te worden gemotiveerd teneinde de rechter in staat te stellen de relevantie van dat verzoek in het licht van de toepasselijke wettelijke voorschriften te beoordelen. De aan het verzoek te geven motivering dient ten aanzien van iedere van de door de verdediging opgegeven getuige een toelichting te omvatten waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing.

In het licht daarvan overweegt het hof dat gelet op de voorhanden processtukken onvoldoende is onderbouwd welk belang daarmee voor de verdediging is gemoeid en waarom dat onderzoek van belang is voor enige door het hof te nemen beslissing.

De motivering tot het horen van deze getuigen is in zeer algemene bewoordingen gesteld. Ondanks herhaald verzoek daartoe is door de verdediging niet aangevoerd waarover deze getuigen concreet zouden kunnen verklaren, noch heeft de verdediging een alternatief scenario voor het tenlastegelegde verwijt aangevoerd waarover deze getuigen zouden kunnen verklaren, terwijl een dergelijke concrete onderbouwing wel van de verdediging mag worden verwacht. Deze verzoeken worden als onvoldoende gemotiveerd afgewezen.

Nadat het wél toegewezen onderzoek (onder meer het hiervoor genoemde handschrift-onderzoek) was uitgevoerd en de zitting was bepaald op 1 mei 2019 heeft de verdediging bij e-mailbericht van 17 april 2019 verzocht om het horen van negen getuigen, onder wie de zeven hiervoor genoemde getuigen, en de raadsman heeft dit verzoek op 1 mei 2019 herhaald ter terechtzitting in hoger beroep. Het gaat daarbij om het horen van de volgende personen:

1. [benadeelde] ;

2. [getuige 2] ;

3. [getuige 3] ;

4. [getuige 4] ;

5. [getuige 5] ;

6. [getuige 6] ;

7. [getuige 7] ;

8. [getuige 8] en

9. [getuige 9]

De verdediging heeft – om redenen als verwoord in het schriftelijke verzoek van 17 april 2019 – aangevoerd dat het in het belang van de verdediging te achten is dat voormelde personen als getuige worden gehoord, omdat het verdedigingsbelang meebrengt dat de verdediging zelf de mogelijkheid krijgt om deze negen getuigen te bevragen omtrent de voor verdachte belastende verklaringen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De wetgever heeft bepaald dat de rechter gaat over het al dan niet verrichten van eventueel aanvullend onderzoek (op verzoek van één der procespartijen), waarbij de rechter gehouden is – afhankelijk van het moment waarop het verzoek is gedaan, het stadium waarin het strafproces zich op dat moment bevindt en van het soort nader onderzoek dat zou moeten worden verricht, zoals het horen van getuigen of het laten verrichten van onderzoek door een deskundige – dat verzoek te beoordelen aan de hand van het criterium van het verdedigingsbelang dan wel het noodzakelijkheidscriterium.

Voorts geldt dat een tot de zittingsrechter gericht verzoek tot het horen van getuigen dient te worden gemotiveerd teneinde de rechter in staat te stellen de relevantie van het verzoek in het licht van de toepasselijke wettelijke voorschriften te beoordelen. De aan het verzoek te geven motivering dient ten aanzien van elke door de verdediging opgegeven getuige een toelichting te omvatten waarom het horen van die getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) te nemen beslissing.

Het hof stelt voorop dat het onderhavige verzoek van de verdediging wat betreft de eerste zeven getuigen, gelet op de eerder ter terechtzitting gegeven afwijzing, en wat betreft de getuigen 8 en 9 in verband met het tijdstip van het verzoek, getoetst dient te worden aan het noodzakelijkheidscriterium.

Daarover overweegt het hof het volgende naar aanleiding van hetgeen in het verzoek wordt gesteld als onderbouwing (hierna steeds in cursief weergegeven).

Getuige [benadeelde] verklaart in eerste instantie een aantal zaken niet te weten en na confrontatie door de politie herinnert hij zich wel het nodige. De verdediging wenst hierop zelf door te kunnen vragen.

Voor het hof is niet duidelijk op welke zaken de verdediging doelt én het is niet duidelijk in hoeverre dit slaat op belastende en door de rechtbank tot bewijs gebezigde gedeelten van de verklaring. Het hof heeft geen relevante tegenstrijdigheden ontdekt en ziet daarom de noodzaak van zodanig verhoor niet. Opmerking verdient hierbij dat [benadeelde] – weliswaar onaangekondigd – ter zitting in eerste aanleg is gehoord, maar dat de verdediging toen geen enkele vraag in deze richting heeft gesteld.

Zowel getuige [getuige 3] als [getuige 2] doen eerst in 2015 aangifte. De verdediging wil graag van de getuigen zelf vernemen waarom eerst na enkele jaren aangifte is gedaan.

Onduidelijk is waarom de verdediging deze vraag wil stellen. Wat betreft [getuige 2] worden delen van haar verklaring betwist, maar dat geldt niet voor de inhoud van de verklaring van [getuige 3] . Voor zover de algemene motivering van het verzoek hierbij betrokken moet worden, geeft het hof hierna een reactie.

Ten aanzien van getuige [getuige 4] volgt uit het dossier dat hij mogelijk (ook) toegang had tot bankpassen van [betrokkene] en [benadeelde] . Dit is bij zijn verhoor niet nader uitgediept door de verhorende verbalisanten.

De verklaring van [getuige 4] zou als ontlastende verklaring moeten gelden (zijn verklaring wordt ten aanzien van de feiten 3 en 4 weliswaar gebruikt als belastende verklaring, maar dat betreft een ander onderwerp). Wat wordt bedoeld met “uitdiepen” wordt niet nader omschreven. Het hof ziet daarom geen enkele aanleiding om deze getuige nader te horen, temeer omdat ook een gedetailleerd relaas over de toegang tot de pasjes op geen enkele manier weerlegt hetgeen uit de bewijsmiddelen blijkt over contante stortingen ten gunste van het bedrijf [bedrijfsnaam] dat toebehoorde aan verdachte en evenmin weerlegt dat betalingen voor goederen die ten gunste van verdachte zijn gedaan.

Ten aanzien van de getuigen 5 en 6 is vooral de verklaring van getuige 5 zoals hij die op 21 november 2014 (pagina 173 e.v. politiedossier) heeft afgelegd ten overstaan van getuige 6 van belang. Getuige 5 zou deze verklaring niet hebben ondertekend in concept zoals gerelateerd. De reden hiervoor zou zijn geweest dat getuige 6 enkele opmerkingen c.q. aanvullende verklaringen die getuige 5 in de verklaring opgenomen wilde hebben niet wilde noteren. Getuige 6 achtte dit niet relevant terwijl getuige 5 uitdrukkelijk heeft verzocht dit op te nemen. De verdediging wil beide getuigen dan ook zelf hierover vragen kunnen stellen met betrekking van de inhoud en de totstandkoming van de verklaring.

Naar aanleiding van een gelijkluidend verzoek in de mail van 29 november 2017 heeft het Openbaar Ministerie op instigatie van de poortraadsheer een ondertekende concept-verklaring van [getuige 5] aan het hof en de raadsman toegezonden. Het hof gaat er daarom vanuit dat de herhaling van de opmerking “Getuige 5 zou deze verklaring niet hebben ondertekend in concept zoals gerelateerd.” op een misverstand berust, nu de raadsman verder een betoog heeft gewijd aan een eventuele valsheid in die verklaring.

Daarmee komt aan de motivering van dit verzoek de grondslag (“De reden…” , “ …dan ook.” ) in belangrijke mate te ontvallen. Daarbij merkt het hof nog op dat [getuige 5] ter terechtzitting in eerste aanleg uitvoerig is ondervraagd, waarbij ook de verdediging de mogelijkheid vragen te stellen is geboden. Tenslotte is op geen enkele wijze verduidelijkt wát de getuige [getuige 5] dan had willen aanvullen, zodat zelfs wanneer het verdedigings-belang criterium was geweest, een beoordeling niet mogelijk zou zijn.

Ten aanzien van getuige 7 wil de verdediging ook vragen aan haar stellen naar aanleiding van de totstandkoming van haar verklaringen die in het politiedossier zijn gevoegd. Uit de telefoonuitdraaien van de sms-contacten lijkt namelijk naar voren te komen dat er vooraf door getuige 7 contact is geweest met het vermeende slachtoffer over de inhoud van de door getuige 7 af te leggen verklaringen. Althans om die verklaringen af te stemmen. Hiervoor wordt onder meer verwezen naar de berichten nr. 888 en verder (pagina 838 e.v. politiedossier).

De verklaring van [getuige 7] is niet (als belastend) voor het bewijs gebruikt. Tenslotte wijst de inhoud van die berichten niet op een wens tot verdraaien van de werkelijkheid ( [betrokkene] wil “gerechtigheid” voor [betrokkene] en geadresseerde).

Nu niet kan blijken van beïnvloeding van de betrouwbaarheid van hetgeen tot bewijs is gebruikt, ziet het hof de noodzaak van nader onderzoek ter zake niet.

Ten aanzien van getuigen 8 en 9 wil de verdediging ook vragen aan hen stellen naar aanleiding van de totstandkoming van hun verklaringen die in het politiedossier zijn gevoegd. Uit de bijgevoegde verklaring van deze twee getuigen, alsmede de brieven van hun advocaat, mr. Gubbels, uit 2015 volgt dat de verklaringen mogelijk niet in volledige vrijheid zijn afgelegd en er derhalve ook getwijfeld kan worden aan de inhoud. Voorts kan ter ondersteuning dienen van de verklaring van getuige 5 met betrekking tot de wijze van verhoren door getuige 6.

Het hof merkt op dat de rechtbank tot bewijs een verklaring van [getuige 8] heeft gebezigd die is afgelegd op 6 mei 2013. De door de verdediging bij het verzoek gevoegde stukken hebben betrekking op een hernieuwd verhoor van [getuige 8] op 16 maart 2015 en komen erop neer dat de raadsvouw van [getuige 8] aan de politie heeft gemeld dat hij niet op uitnodiging wenst te verschijnen, dat vervolgens 2 politiemensen bij [getuige 8] thuis langs zijn gegaan voor een verhoor en dat [getuige 8] en zijn echtgenote klachten hebben over dat verhoor en ten slotte dat de raadsvrouw later heeft gemeld dat zij één en ander onbehoorlijk vindt.

Voor het hof is – nog daargelaten dat uit de stukken niet blijkt dat [getuige 8] inhoudelijk enige afstand neemt van de door hem in 2015 afgelegde verklaring – niet duidelijk wat de relevantie is voor de in 2013 opgenomen verklaring die tot bewijs is gebruikt en waarvan de inhoud overigens ook door verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg in belangrijke mate werd bevestigd.

Algemeen:

De getuigen kunnen aldus verklaren over punten die van belang zijn voor enige in deze zaak te nemen beslissing ten aanzien van de bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten en/of ten aanzien van relevante punten voor de strafmaat;

De getuigen kunnen verklaren over de mogelijke onschuld van appellante;

Het verhoor van de getuigen kan bijdragen aan de waardering van de betrouwbaarheid en de bruikbaarheid van de bij de politie afgelegde verklaringen, die belastend zijn voor appellante en bepalend zou kunnen zijn voor/zou kunnen bijdragen aan een veroordeling.

Het hof acht deze motivering onvoldoende concreet, ook wanneer het verdedigingsbelang de toetsingsmaatstaf zou zijn geweest.

Zoals al tijdens de regiezitting van 16 mei 2018 is betoogd namens de verdediging lijkt het gehele opsporingsonderzoek gericht te zijn geweest op het vinden van belastend bewijsmateriaal, waarbij de handelswijze van de opsporingsambtenaren zodanig was dat de getuige niet (toevoeging hof: in) vrijheid hebben kunnen verklaren. Dit zorgt er voor dat aan de verklaring (toevoeging hof: -en) die in het dossier aanwezig zijn getwijfeld dient te worden. Meerdere getuigen lijken sturend ondervraagd te zijn, alsmede dat ontlastende verklaringen van de getuigen niet zijn opgenomen. Dit maakt het voor de verdediging ook lastig om concreet aan te geven welke vragen nog wel gesteld dienen te worden, maar bij de getuigen 1 tot en met 4 is in ieder geval duidelijk dat er nog de nodige verduidelijkingsvragen dien (toevoeging hof: -en) te worden gesteld zoals ook uiteengezet tijdens de voornoemde regiezitting.

Noch de door de raadsman in het verzoek gegeven motivering, noch de toelichting die hij ter terechtzitting van het hof van 16 mei 2018 heeft gegeven, maken concreet en/of aannemelijk dat “al die getuigen in contact hebben gestaan met elkaar” of dat bijvoorbeeld [getuige 2] en [getuige 3] “niet uit eigen wetenschap” hebben verklaard, of dat de politie uitsluitend op zoek is geweest naar belastend materiaal.

Het hof acht zich in de onderhavige zaak, gelet op het verhandelde ter terechtzitting en gelet op hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, voldoende ingelicht. Nu het hof de noodzakelijkheid van het gevraagde (nader) horen van de negen getuigen voor enige in de strafzaak uit hoofde van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing niet is gebleken, wordt het verzoek afgewezen.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door:

mr. M.J. Grapperhaus, voorzitter,

mr. S. Riemens en mr. O.A.J.M. Lavrijssen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,

en op 15 mei 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.