Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1911

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-05-2019
Datum publicatie
24-05-2019
Zaaknummer
200.244.885_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:5332
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verlenging ondertoezichtstelling na rapportage bijzondere curator

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 23 mei 2019

Zaaknummer: 200.244.885/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/3329649/JE RK 18-497

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te

[woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J.J.M. van Asten,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] , mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (de GI).

Betreffende de minderjarige:

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vader.

en

mr. drs. [bijzondere curator],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

in haar hoedanigheid van bijzondere curator over [minderjarige] ,

hierna te noemen: de bijzondere curator.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

5. De beschikking van 20 december 2018

5.1. Het hof heeft bij die beschikking – kort gezegd – een bijzondere curator benoemd over [minderjarige] en de bijzondere curator verzocht onderzoek te doen en te rapporteren over de door het hof geformuleerde vragen in de beschikking van 20 december 2018. De zaak is aangehouden in afwachting van het verslag van de bijzondere curator.

6 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

6.1.

Na de beschikking van 20 december 2018 heeft het hof kennis genomen van de volgende stukken:

- het V6-formulier van 20 december 2018 van de advocaat van de moeder, met bijlage, ingekomen bij het hof op 27 december 2018;

- de brief van de bijzondere curator van 4 februari 2019, ingekomen bij het hof op diezelfde datum;

- de rapportage van de bijzondere curator van 29 maart 2019, ingekomen bij het hof op

2 april 2019;

- de brief van de bijzondere curator van 4 april 2019, ingekomen bij het hof op diezelfde datum;

- de brief van de GI van 15 april 2019, met bijlage, ingekomen bij het hof op 16 april 2019.

- het V6-formulier van 24 april 2019 van de advocaat van de moeder, met bijlagen, ingekomen bij het hof op 25 april 2019.

7 De verdere beoordeling

7.1.

De bijzondere curator geeft in haar verslag – kort gezegd – aan dat de verlenging van de ondertoezichtstelling in het belang van [minderjarige] is. De gezinsvoogd is de afgelopen periode in staat gebleken [minderjarige] te bewegen en het gesprek aan te laten gaan met [instelling 1] en de bijzondere curator. Om de ondertoezichtstelling verder succesvol invulling te kunnen geven is het nodig dat de (vertrouwens)band tussen [minderjarige] en de gezingsvoogd zo goed mogelijk is. Ook moet er regelmatig contact zijn en is het van belang dat ook de ouders hun vertrouwen in de ondertoezichtstelling uitspreken. De gesprekken bij [instelling 1] moeten worden voortgezet. Daarnaast is de hulp van de gezinsvoogd nodig om [minderjarige] te motiveren, zijn afspraken na te komen en de communicatie tussen [minderjarige] en zijn moeder te bevorderen en contact tussen [minderjarige] en zijn broer en vader te stimuleren en/of faciliteren.

7.2.

De moeder voert het volgende aan. De moeder kan zich (nog steeds) niet verenigen met een verlenging van de ondertoezichtstelling, die overigens reeds op 7 juni 2019 afloopt. De ondertoezichtstelling levert geen wezenlijke verbetering op en is daarom niet in het belang van [minderjarige] . De GI heeft bovendien aangegeven dat het niet haalbaar is regelmatig contact te kunnen hebben met [minderjarige] . Het is dan ook de moeder die probeert [minderjarige] te motiveren mee te werken aan zijn behandeling. De moeder verwacht niet dat de ondertoezichtstelling zal kunnen bijdragen aan een verbetering in het contact met de vader.

7.3.

De GI voert het volgende aan. De GI handhaaft het verzoek en heeft bovendien recentelijk bij de rechtbank een verzoek ingediend tot (nadere) verlenging van de ondertoezichtstelling. De GI heeft in toenemende mate zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige] , zijn ontwikkeling naar zelfstandigheid en eigenheid. Daarnaast zijn er zorgen over de mate van begeleiding en sturing die [minderjarige] nodig heeft bij onder meer het kunnen plannen van activiteiten en het nakomen van afspraken. Daar komt bij dat [minderjarige] recentelijk is doorverwezen vanuit Bureau Leerplicht naar Bureau Halt in verband met schoolverzuim. Als de benodigde hulp en sturing ontbreekt loopt [minderjarige] het risico dat hij zijn ICT-opleiding niet kan afmaken, waardoor zijn gewenste beroepsperspectief ingeperkt wordt. Vervolghulp is daarom nodig in de vorm van praktische, pedagogische ondersteuning voor [minderjarige] en de moeder. Verder moeten de (ambulante) gezinsbegeleiding van [instelling 2] en de systeembehandeling bij [instelling 1] gecontinueerd worden. Ook is er mogelijk psycho-educatie nodig in verband met de schoolbegeleiding van [minderjarige] .

7.4.

Het hof overweegt het volgende.

7.4.1.

Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

7.4.2.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het BW kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

7.4.3.

Het hof acht zich, na ontvangst van de rapportage van de bijzondere curator en de reacties van de moeder en de GI daarop, inmiddels voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen over de door de moeder bestreden verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] . Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat aan de wettelijke vereisten van

artikel 1:255 BW was, en nog altijd wordt, voldaan. Het hof is gebleken dat er reeds ten tijde van de bestreden beschikking sprake was van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] waardoor zijn ontwikkeling stagneerde. [minderjarige] kampt met kindeigen problematiek (selectief mutisme, PDD NOS en een angststoornis) en vertoont zelfbepalend gedrag. [minderjarige] heeft bovendien heel weinig contact met zijn moeder, vader en broer. Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat de ouders van de ernst van de zorgen rond [minderjarige] onvoldoende doordrongen zijn. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat de strijd tussen de ouders voort blijft duren, tegen het advies van de hulpverlening in.

In de afgelopen periode zijn de zorgen rondom [minderjarige] bovendien toegenomen. De GI heeft aangegeven dat [minderjarige] steeds meer hulp nodig heeft bij het kunnen plannen en nakomen van afspraken en dat er sprake is van een toename in het schoolverzuim, hetgeen gevolgen kan hebben voor zijn beroepsperspectief. Dit is door de moeder niet betwist. Daarnaast heeft de bijzondere curator in haar laatste brief aan het hof aangegeven dat de moeder de GI verboden heeft het contact tussen [minderjarige] en de vader te faciliteren. Dit, terwijl zowel de bijzondere curator als de GI dit contact nadrukkelijk in het belang van [minderjarige] achten.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de door de GI noodzakelijk geachte hulpverlening niet gewaarborgd kan worden buiten het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling. Het hof vindt daarvoor steun in de conclusies van de bijzondere curator nu die aangeeft dat de gezinsvoogd in staat is geweest [minderjarige] in beweging te krijgen en het gesprek bij [instelling 1] in aanwezigheid van [minderjarige] te ondersteunen en te faciliteren. Wat moeder daarover opmerkt maakt het oordeel van het hof niet anders. Het is van belang dat [minderjarige] optimaal profiteert van de hulpverlening op zijn weg naar volwassenheid.

7.4.4.

Het voorgaande leidt er toe dat de bestreden beschikking bekrachtigd wordt.

Het hof stelt vast dat de benoeming en de taak van de bijzondere curator nu ten einde is.

8 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 25 mei 2018, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, E.L. Schaafsma-Beversluis en

K.A. Boshouwers en is in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.