Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1895

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-05-2019
Datum publicatie
15-04-2020
Zaaknummer
200.120.854_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:4734
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:3230
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:4603
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:2082
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2020:1254
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

deskundigenbericht

zie voorts: ECLI:N:HR:2011:BR019

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.120.854/01

arrest van 21 mei 2019

in de zaak van

1 M.E. Beheer B.V.,

2. Stichting Administratiekantoor M.E. Beheer,

3. Embo Vastgoed B.V.,

4. [appellante 4],

5. [appellante 5],

appellanten 1, 2 en 3 gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante 4 wonende te [woonplaats] , appellante 5 wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. M.J. Elkhuizen te Amsterdam,

tegen

1 [geintimeerde 1] ,

2. Weva Consultants B.V.,

3. [geintimeerde 3],

4. Bo-Investex N.V.,

geïntimeerden 1 en 2 wonende respectievelijk gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde 3 wonende te [woonplaats] (België) en geïntimeerde sub 4 gevestigd te [woonplaats] (België),

geïntimeerden,

advocaat: mr. Y. Wehrmeijer te Amsterdam,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 24 november 2015, 26 juli 2016, 24 oktober 2017 en 15 mei 2018 in het geding na verwijzing door de Hoge Raad bij onder zaaknummer 10/01072 gewezen arrest van 14 oktober 2011, waarbij is vernietigd het arrest van het hof Arnhem van 10 november 2009, gewezen onder zaaknummer 200.008.617, in hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Zutphen van 21 mei 2008, gewezen onder zaaknr/rolnr. 82567 / HA ZA 06-1497.

Het hof zal de nummering van het tussenarrest van 15 mei 2018 voortzetten.

16 Het tussenarrest van 15 mei 2019

Bij genoemd arrest heeft het hof bepaald dat er een aanvullend voorschot dient te worden voldaan van € 16.335,= (inclusief BTW) voor de deskundige Hoiting, zijnde € 8.167,50 per partij.

Op 18 juni 2018 heeft [geintimeerden c.s.] het voorschot op de aangegeven wijze voldaan, en op 20 juli 2018 heeft M.E. Beheer c.s. het voorschot op de aangegeven wijze voldaan.

17 Het verdere verloop van de procedure en de verdere beoordeling

Op 1 maart 2019 heeft mr. Wehrmeijer namens [geintimeerden c.s.] een brief aan het hof gezonden met een aantal opmerkingen betreffende het onderzoek van de heer Hoiting. [geintimeerden c.s.] verzoekt het hof een aanwijzing aan deskundige Hoiting te geven. De aanwijzing houdt in: dat de heer Houding moet uitgaan van hetgeen de deskundige Van Steensel heeft gedaan, zich moet onthouden van het maken van “correcties” op het cijfermatige werk van deskundige Van Steensel en zo nodig meerdere scenario’s moet uitwerken in zijn beantwoording van de vragen die het hof heeft gesteld. Volgens [geintimeerden c.s.] is de aanwijzing nodig om te bereiken dat het deskundigenbericht voldoet aan de daaraan te stellen eisen als grondslag voor nader debat tussen partijen. [geintimeerden c.s.] wenst, zo stelt zij, te voorkomen dat het deskundigenbericht niet bruikbaar is als grondslag voor een beslissing in het geding.

Op 7 maart 2019 heeft de griffier per mail aan M.E. Beheer c.s. gevraagd op deze brief te reageren.

Op 13 maart 2019 heeft M.E. Beheer c.s. per brief gereageerd. Het verzoek een aanwijzing aan deskundige Hoiting te geven moet volgens M.E. Beheer c.s. worden afgewezen. Volgens M.E. Beheer c.s. moet het onderzoek van de beide deskundigen als een geheel worden beschouwd; indien het hof op enige wijze richting zou geven het onderzoek, verzoekt M.E. Beheer c.s. om dat niet slechts op een beperkt onderdeel te doen.

Op 15 maart 2019 heeft de griffier beide brieven van partijen aan de deskundige Hoiting verzonden. In deze brief vraagt het hof aan de deskundige of het mogelijk is het onderzoek af te ronden in een beperkt aantal uren. Het hof heeft aan de deskundige verzocht op de brieven te reageren.

Op 22 maart 2019 heeft de deskundige Hoiting per brief gereageerd aan de griffier. Hij geeft aan dat door partijen een groot aantal opmerkingen zijn gemaakt. De deskundige geeft aan deze te beoordelen en daarna een definitief deskundigenbericht uit te brengen. De deskundige vraagt een aanvullend voorschot op de kosten, te maximeren op € 6.000,= exclusief BTW (€ 7.260,= inclusief BTW). De deskundige zal volgens zijn reactie bij voortzetting de gebruikelijke werkwijze volgen, waarbij partijen in de gelegenheid worden gesteld op elkaars commentaar te reageren.

Op 16 april 2019 heeft de griffier de brief van deskundige Hoiting aan partijen verzonden met het verzoek hierop te reageren tot uiterlijk 30 april 2019.

Per mailbericht van 26 april 2019 heeft M.E. Beheer c.s. laten weten akkoord te zijn met het door de heer Hoiting geschetste vervolg en de daarmee gemoeide kosten.

Op 30 april 2019 heeft [geintimeerden c.s.] per mailbericht gereageerd. [geintimeerden c.s.] schrijft dat de brief van de deskundige Hoiting van 22 maart 2019 voor meerdere uitleg vatbaar is en in zoverre niet duidelijk.

Volgens [geintimeerden c.s.] ligt het niet voor de hand, voor zover dat zou zijn bedoeld door deskundige Hoiting, dat partijen nu eerst op elkaars commentaar op het concept-rapport van deskundige Hoiting reageren waarna deskundige Hoiting direct doorstoomt naar een definitief eindrapport. Daarvoor lenen de door [geintimeerden c.s.] naar voren gebrachte punten zich in haar zienswijze niet. Die punten zijn van groot gewicht en raken de essentie van het concept-rapport zoals dat thans voorligt alsmede de positie van deskundige Hoiting. Daarover dient in de visie van [geintimeerden c.s.] de deskundige (en mogelijk ook het hof) zich uit te laten in een (aangepast) concept-rapport waarop partijen kunnen reageren, waarna tot een (eind)rapport kan worden gekomen en waarna dan kan worden besloten of een comparitie van partijen moet worden gelast.

Het hof maakt uit de opmerkingen van partijen en de deskundige Hoiting op dat een geschil is ontstaan over de opdracht, de werkwijze en de bevindingen van deze deskundige (in verhouding tot het rapport van de deskundige Van Steensel). Het hof acht het voor een goed verloop van het proces belangrijk dat partijen zich hierover kunnen uitlaten en dat het hof een goed inzicht verkrijgt in de geschilpunten. Het hof overweegt verder dat de deskundige Hoiting verwacht voor een relatief beperkt bedrag (€ 7.260,= inclusief BTW) tot een afronding van zijn werk te kunnen komen. Het hof is van oordeel dat dit de beste marsroute is: de deskundige Hoiting maakt zijn werk af en partijen kunnen vervolgens het debat voeren over de geschilpunten in de zaak. Voor een goed debat is een volledig rapport, dat geheel afgerond is, nuttig. Het alternatief komt erop neer dat partijen debatteren over concept bevindingen. Dat komt het hof ongewenst voor, omdat de deskundige Hoiting naar verwachting onverwijld zijn werk kan afronden.

Het hof zal dienovereenkomstig beslissen zoals in het dictum is bepaald. In het vervolg kan zo nodig worden beslist over een comparitie van partijen (eventueel in aanwezigheid van de deskundigen).

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

18 De uitspraak

Het hof:

18.1.

bepaalt dat voor de kosten van de deskundige Hoiting een aanvullend voorschot dient te worden voldaan van € 7.260,= (inclusief BTW);

18.2.

bepaalt dat elke partij € 3.630,= (dus elke partij de helft van € 7.260,=) zal overmaken binnen veertien (14) dagen na ontvangst van de nota met betaalinstructies die door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal worden verzonden;

18.3.

bepaalt dat de deskundige Hoiting het onderzoek verder zal voortzetten nadat de griffier heeft bericht dat het aanvullend voorschot is ontvangen;

18.4.

verzoekt de deskundige Hoiting, indien zijn kosten het aanvullend voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;

18.5.

verwijst de zaak naar de rol van 13 augustus 2019 in afwachting van het deskundigenbericht;

18.6.

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest aan de deskundige Hoiting zal toezenden;

18.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, M.G.W.M. Stienissen en L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 mei 2019.

griffier rolraadsheer