Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1883

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-05-2019
Datum publicatie
21-05-2019
Zaaknummer
20-001678-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de partiële vrijspraken van het onder 2 ten laste gelegde vernielen en/of beschadigen en/of onbruikbaar maken van een personenauto en/of een ruit. Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van belaging, vernieling van een hekwerk en - kort gezegd - identiteitsfraude tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest. Het hof verbindt daaraan een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod voor de straat waar het slachtoffer woonachtig is. Voorts heeft het hof beslist op de in beslag genomen goederen en de vordering van de benadeelde partij, tevens het slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-001678-18

Uitspraak : 21 mei 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 4 mei 2018 in de strafzaak met parketnummer 03-659379-16 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats 1] (Groot-Brittannië) op [geboortedatum 1],

thans verblijvende in [penitentiaire inrichting].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘belaging, meermalen gepleegd’ (feit 1 primair), ‘opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen’ (feit 2, gepleegd op 3 september 2016, betrekking hebbend op een hekwerk) en ‘opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruiken met het oogmerk om de identiteit van een ander te misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan, meermalen gepleegd’ (feit 3) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest.

De rechtbank heeft bij voormeld vonnis het geschorste bevel voorlopige hechtenis opgeheven met ingang van 4 mei 2018.

Voorts is de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot een bedrag van

€ 5.434,14, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 april 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is in de vordering ter zake van de dagwaarde van de auto ad € 1.500,00 niet-ontvankelijk verklaard.

Tot slot zijn de in beslag genomen voorwerpen verbeurd verklaard.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen ten aanzien van de bewezenverklaring, de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de beslissing op de in beslag genomen voorwerpen en zal vernietigen ten aanzien van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van voorarrest en aan de verdachte zal opleggen de vrijheidsbeperkende maatregelen van een contact- en locatieverbod, waarbij de duur van de vervangende hechtenis wordt bepaald op 1 maand per overtreding en de vrijheidsbeperkende maatregelen dadelijk uitvoerbaar zullen worden verklaard.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring, de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de beslissing op de in beslag genomen voorwerpen gerefereerd aan het oordeel van het hof. Door de raadsman is uitsluitend een strafmaatverweer gevoerd.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de partiële vrijspraak door de rechtbank ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde vernielen en/of beschadigen en/of onbruikbaar maken van een personenauto ([kenteken]) en/of een ruit (slaapkamer, woning [adres slachtoffer]).

Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open van een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit hiertegen is gericht.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, ten laste gelegd dat:

1.
hij in of omstreeks de periode van 30 oktober 2015 tot en met 13 april 2017 in de [gemeente 1] en/of de [gemeente 2], althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer], in elk geval die ander, te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, door telkens en/of onophoudelijk:

- vele (seksueel getinte en/of gewelddadige) afbeeldingen, al dan niet met bedreigende en/of beledigende tekst(en), toe te zenden en/of te (laten) bezorgen bij voornoemde [slachtoffer] en/of - vele brieven en/of enveloppen met bedreigende en/of beledigende tekst(en) toe te zenden en/of te (laten) bezorgen bij voornoemde [slachtoffer] en/of

- veelvuldig berichten te sturen/contact te zoeken met die [slachtoffer] middels Facebook en/of (andere) social media en/of

- zich in persoon dan wel in een auto op te houden voor en/of in de directe omgeving van de woning van die [slachtoffer] en/of

- veelvuldig e-mail en/of sms-berichten te sturen aan die [slachtoffer];

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 30 oktober 2015 tot en met 13 april 2017 in de [gemeente 1] en/of de [gemeente 2], althans in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door voornoemde [slachtoffer] telkens en/of onophoudelijk (seksueel getinte en/of gewelddadige) afbeeldingen en/of brieven en/of enveloppen te sturen met bedreigende teksten;

2.
hij op of omstreeks 3 september 2016 in de [gemeente 1] opzettelijk en wederrechtelijk (een) hekwerk (behorende bij de woning gelegen aan de [adres slachtoffer]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

3.
hij in of omstreeks de periode van 16 oktober 2016 tot en met 30 november 2016 in de [gemeente 1] en/of de [gemeente 2], althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander, te weten een Facebook (Messenger-) account op naam van [slachtoffer], heeft gebruikt, met het oogmerk om zijn, verdachtes, identiteit te verhelen of de identiteit van die [slachtoffer] te verhelen of misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan zijn/is ontstaan, immers heeft hij, verdachte, op Facebook een (fake)account onder de naam van die [slachtoffer] en/of met een of meer foto('s) van die [slachtoffer] aangemaakt en/of (vervolgens)

- anderen (via internet) benaderd als ware hij die [slachtoffer] en/of (vervolgens)

- [betrokkene 1], zijnde de oud-buurman van voornoemde [slachtoffer], via internet (door middel van voornoemd Facebook (Messenger-) account) benaderd en/of (seksueel getinte) berichten en/of verzoeken en/of uitnodigingen verstuurd en/of (tevens) in voornoemde berichten doen voorkomen alsof die [slachtoffer] een geslachtsziekte zou hebben en/of

- ( veelvuldig) (door middel van voornoemd Facebook account) (gewelddadige en/of seksueel getinte) berichten van anderen 'geliket' en/of van commentaar voorzien.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1. primair
hij in de periode van 30 oktober 2015 tot en met 13 april 2017 in de [gemeente 1] en/of de [gemeente 2], althans in Nederland, meermalen wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] met het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te doen en/of vrees aan te jagen, door telkens en onophoudelijk:

- vele (seksueel getinte en/of gewelddadige) afbeeldingen, al dan niet met bedreigende en/of beledigende teksten, toe te zenden en te (laten) bezorgen bij voornoemde [slachtoffer] en

- vele brieven en/of enveloppen met bedreigende en/of beledigende teksten toe te zenden en te (laten) bezorgen bij voornoemde [slachtoffer] en

- veelvuldig berichten te sturen/contact te zoeken met die [slachtoffer] middels Facebook en/of (andere) social media en

- zich in persoon dan wel in een auto op te houden voor en/of in de directe omgeving van de woning van die [slachtoffer];

2.
hij op 3 september 2016 in de [gemeente 1] opzettelijk en wederrechtelijk een hekwerk behorende bij de woning gelegen aan de [adres slachtoffer], toebehorende aan [slachtoffer], heeft vernield;

3.
hij in de periode van 16 oktober 2016 tot en met 30 november 2016 in de [gemeente 1] en/of de [gemeente 2], althans in Nederland, meermalen (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander, te weten een Facebook (Messenger-) account op naam van [slachtoffer], heeft gebruikt, met het oogmerk om de identiteit van die [slachtoffer] te misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan, immers heeft hij, verdachte, op Facebook een (fake)account onder de naam van die [slachtoffer] en met een foto van die [slachtoffer] aangemaakt en vervolgens

- anderen via internet benaderd als ware hij die [slachtoffer] en
- [betrokkene 1], zijnde de oud-buurman van voornoemde [slachtoffer], via internet door middel van voornoemd Facebook (Messenger-) account benaderd en seksueel getinte berichten en/of verzoeken en/of uitnodigingen verstuurd en tevens in voornoemde berichten doen voorkomen alsof die [slachtoffer] een geslachtsziekte zou hebben en

- door middel van voornoemd Facebook account gewelddadige en/of seksueel getinte berichten van anderen 'geliket' en van commentaar voorzien.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

Door de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep voor het eerst verklaard dat niet hij, maar [betrokkene 2] zich heeft schuldig gemaakt aan de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten. [betrokkene 2] heeft de telefoon en laptop van de verdachte geleend en met behulp daarvan voornoemde ten laste gelegde feiten gepleegd, aldus de verdachte.

Het hof stelt vast dat zich in het dossier geen enkele aanwijzing bevindt van betrokkenheid van een ander dan de verdachte bij de ten laste gelegde feiten. De verklaring van de verdachte, inhoudende dat [betrokkene 2] verantwoordelijk zou zijn voor het plegen van voornoemde ten laste gelegde feiten, wordt bovendien weerlegd door de hierboven bedoelde bewijsmiddelen. Het hof stelt die verklaring dan ook als ongeloofwaardig terzijde.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

belaging.

Het onder 2 bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Het onder 3 bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruiken met het oogmerk om de identiteit van de ander te misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van [slachtoffer] in een periode van ongeveer anderhalf jaar. Door de bewezen verklaarde belagingshandelingen is geruime tijd op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Na het beëindigen van de relatie met het slachtoffer is de verdachte kort daarna overgegaan tot de belaging van het slachtoffer. De verdachte heeft daarbij onder meer niet geschroomd om het slachtoffer vele brieven en foto’s te sturen. Op de foto’s stonden veelal ogenschijnlijke dode vrouwen afgebeeld, met daarbij teksten die op [slachtoffer] duidden. De verdachte heeft het slachtoffer op diverse manieren vrees aangejaagd. Daarnaast heeft de verdachte [slachtoffer] ook vele malen benaderd met het doel de relatie te herstellen.

Belaging is een delict dat rechtstreeks raakt aan de privacy en het welbevinden van een belaagde en zal daardoor doorgaans forse psychische belasting opleveren. Slachtoffers van dit soort feiten ondervinden vaak nog jarenlang de gevolgen van de belaging en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan, hetgeen ook is gebleken uit de slachtofferverklaring die het slachtoffer ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd. Het dwingende en hardnekkige karakter van het handelen van de verdachte heeft een grote indruk op het leven van het slachtoffer gemaakt en haar in haar functioneren geraakt en beperkt.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling van een hekwerk, behorende bij de woning van het slachtoffer en aan haar toebehorend. Door dat bewezen verklaarde handelen is materiële schade veroorzaakt.

Tot slot heeft verdachte – kort gezegd – identiteitsfraude gepleegd. De verdachte is hiertoe overgegaan, nadat de voorlopige hechtenis onder voorwaarden was geschorst. Identiteitsfraude veroorzaakt overlast en ergernis alsook verlies van vertrouwen bij degene van wiens identiteit misbruik is gemaakt en voor degenen ten overstaan van wie die valse gegevens zijn gebruikt.

Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij heeft gehandeld als bewezen is verklaard. Daarbij overweegt het hof voorts dat de verdachte, nadat de voorlopige hechtenis op 14 oktober 2016 was geschorst, door is gegaan met de belaging van het slachtoffer en zich tevens schuldig heeft gemaakt aan het onder 3 bewezen verklaarde.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het hof in het voordeel van de verdachte meegewogen dat hij, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 22 februari 2019, niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Daarbij heeft het hof kennis genomen van het reclasseringsadvies voorgeleiding RC d.d. 13 oktober 2016, het bericht van E.M.M. Mol, psychiater bij het NIFP, d.d. 14 oktober 2016, het afloopbericht toezicht d.d. 2 februari 2018 en de retourzending opdracht reclasseringsadvies d.d. 26 maart 2018. Uit de verklaring van E.M.M. Mol blijkt dat er bij de verdachte geen duidelijke aanwijzingen voor psychiatrische stoornissen of een sterk gestoorde persoonlijkheidsontwikkeling zijn en er geen indicatie is voor nader gedragskundig onderzoek. Voorts kan uit de stukken van de reclassering worden opgemaakt dat de ontvankelijkheid van de verdachte voor begeleiding/behandeling hoog leek te zijn en de verdachte zich begeleidbaar opstelde in de gesprekken met de reclassering. Echter, door het vertrek van de verdachte op enig moment naar Groot-Brittannië heeft de reclassering geen invulling meer kunnen geven aan de meldplicht die als voorwaarde bij de beslissing tot schorsing van de voorlopige hechtenis was opgelegd. Op grond daarvan heeft de reclassering op 2 februari 2018 het reclasseringstoezicht voortijdig negatief beëindigd en dit bericht aan het Openbaar Ministerie.

Door de verdachte is ter terechtzitting naar hoger beroep naar voren gebracht dat hij naar Groot-Brittannië is vertrokken, daar ook woonachtig is en aan het werk is gegaan aldaar.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest passend en geboden. Het hof bepaalt daarbij uitdrukkelijk dat de tijd die de verdachte in het kader van de onderhavige zaak in Groot-Brittannië in (overleverings)detentie heeft doorgebracht en de tijd die verdachte voorafgaand aan de terechtzitting in hoger beroep, te weten vanaf 12 maart 2019, in Nederland in voorarrest heeft doorgebracht daarbij in mindering worden gebracht.

Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat in de duur van de op te leggen gevangenisstraf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking komt. Daarbij weegt het hof ook mee dat de verdachte na het einde van de bewezen verklaarde periode (13 april 2017) het slachtoffer niet meer heeft benaderd en dat het leven van de verdachte, wellicht mede door zijn vertrek naar Groot-Brittannië, een goede wending heeft genomen.

Het hof ziet in de aard, intensiteit, hardnekkigheid en de duur van de belaging aanleiding om aan de voorwaardelijke straf, naast de algemene voorwaarden, de bijzondere voorwaarden van een contact- en locatieverbod te verbinden. Het hof zal bepalen dat het de verdachte gedurende de proeftijd van 3 jaren verboden is contact te (laten) leggen met het slachtoffer alsmede zich te bevinden in de straat waar het slachtoffer thans woonachtig is, te weten [straatnaam], en in en/of op aan die straat grenzende brandgang(en) en percelen.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Voorlopige hechtenis

In het dictum van het beroepen vonnis heeft de rechtbank opgenomen dat het geschorste bevel voorlopige hechtenis met ingang van de datum van het vonnis wordt opgeheven.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de officier van justitie een Europees arrestatiebevel tegen de verdachte heeft uitgevaardigd, omdat de officier van justitie ervan is uitgegaan dat de rechtbank heeft bedoeld de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen. De verdachte is vervolgens ook aangehouden in Groot-Brittannië, heeft daar een aantal dagen gedetineerd gezeten en is op 12 maart 2019 onder begeleiding vanuit Groot-Brittannië overgebracht naar Nederland. Sindsdien bevindt de verdachte zich in voorlopige hechtenis in de onderhavige zaak.

Ter terechtzitting in hoger beroep is de status van het bevel tot voorlopige hechtenis met partijen besproken. Zowel de advocaat-generaal als de verdediging hebben zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank bedoeld heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte te laten herleven. Subsidiair, voor het geval het hof daar anders tegen aan mocht kijken, heeft de advocaat-generaal de gevangenneming van de verdachte gevorderd.

Nu tussen de advocaat-generaal en de verdediging niet in geschil is dat de rechtbank, ondanks de minder gelukkige formulering, heeft bedoeld de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen en daarmee de voorlopige hechtenis te laten herleven schaart het hof zich daarachter. De verdachte bevindt zich dan ook rechtmatig in voorlopige hechtenis in de onderhavige zaak.

Beslag

De in het dictum nader te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen (twee laptops en 126 enveloppen), met behulp waarvan het onder 1 primair en 3 bewezen verklaarde is begaan, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit – gelet op de inhoud daarvan – in strijd is met het algemeen belang.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 6.934,14, bestaande uit € 1.934,14 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering is – voor zover betrekking hebbend op de materiële schade – als volgt opgebouwd:

  1. Schade aan de auto € 1.500,00

  2. Schade aan het hek € 100,00

  3. Eigen risico € 334,14

Bij vonnis waarvan beroep is de vordering toegewezen tot een bedrag van € 5.434,14, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 april 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is in de vordering ter zake van de dagwaarde van de auto ad € 1.500,00 niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij

als gevolg van het onder 1 primair, 2 en 3 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 434,14, zijnde een vergoeding voor de schade aan het hek (post 2) en het eigen risico (post 3). De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor wat betreft de schade aan de auto (post 1) is het hof onvoldoende gebleken dat de gestelde schade door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte is veroorzaakt. Zoals hiervoor is overwogen, acht het hof de verdachte immers niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover dit is gericht tegen de vrijspraak van het vernielen en/of beschadigen en/of onbruikbaar maken van de personenauto met [kenteken]. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering tot vergoeding van de schade aan die auto niet worden ontvangen.

Immateriële schade

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is eveneens komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. Het hof is voldoende aannemelijk geworden dat sprake is van aantasting in de eer of goede naam en aantasting van de persoon op andere wijze in de zin van artikel 6:106, eerste lid, onder b van het Burgerlijk Wetboek. In dat verband wijst het hof op de bij het verzoek tot schadevergoeding gevoegde stukken, meer in het bijzonder bijlage 9, waaruit blijkt dat bij de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis is vastgesteld. Het hof is van oordeel dat de gevorderde immateriële schadevergoeding onder het bereik van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Het hof acht - evenals de rechtbank en met de advocaat-generaal - de vergoeding van de immateriële schade ten bedrage van € 5.000,00 toewijsbaar.

Totale schade en wettelijke rente

Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering van de benadeelde partij tot een totaalbedrag van (€ 434,14 + € 5.000,00 =) € 5.434,14 zal worden toegewezen.

Het toegewezen bedrag ter vergoeding van de materiële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 april 2018 – zijnde de dag waarop de vordering is ingediend – tot aan de dag der algehele voldoening.

Het toegewezen bedrag ter vergoeding van de immateriële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 april 2017 – zijnde de laatste dag van de bewezen verklaarde periode – tot aan de dag der algehele voldoening.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het [slachtoffer]
is toegebracht tot een bedrag van € 5.434,14. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor de duur van 62 dagen zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 231b, 285b en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de partiële vrijspraken van het onder 2 ten laste gelegde vernielen en/of beschadigen en/of onbruikbaar maken van een personenauto ([kenteken]) en/of een ruit (slaapkamer, woning [adres slachtoffer]).

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat het de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd verboden is zich te bevinden in de [straatnaam] en in en/of op aan die straat grenzende brandgang(en) en percelen.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat het de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd verboden is contact te leggen of te laten leggen met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2], thans wonende aan [adres slachtoffer].

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- Telefoon Samsung Sm-G935f, kleur zwart, Imei mobiele telefoon [nummer];

- Telefoon Samsung Sm-J100h, kleur wit;

- 126 enveloppen die het [slachtoffer] op haar huisadres [adres slachtoffer] per post heeft ontvangen in de periode van 27 oktober 2015 tot en met 11 februari 2017.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair, 2, 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.434,14 (vijfduizend vierhonderdvierendertig euro en veertien cent) bestaande uit € 434,14 (vierhonderdvierendertig euro en veertien cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het onder 1 primair, 2, 3 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 5.434,14 (vijfduizend vierhonderdvierendertig euro en veertien cent) bestaande uit € 434,14 (vierhonderdvierendertig euro en veertien cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 62 (tweeënzestig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 19 april 2018

en van de immateriële schade op 13 april 2017.

Aldus gewezen door:

mr. J.J.M. Gielen-Winkster, voorzitter,

mr. J. Platschorre en mr. A.J.A.M. Nieuwenhuizen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C. Karsdorp, griffier,

en op 21 mei 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.