Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1880

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-05-2019
Datum publicatie
22-05-2019
Zaaknummer
20-000928-19
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:4456, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van jarenlang seksueel misbruik tien jaar jonger nichtje.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000928-19

Uitspraak : 22 mei 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 24 juli 2018 in de strafzaak met parketnummer

02-665036-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [in het jaar 1987] ,

wonende te [adresgegevens] .

Hoger beroep

Namens verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Verdachte is in eerste instantie ter zake van drie feiten gedagvaard onder parketnummer

02-665036-16. Eén van die feiten behelst een pleegperiode van 19 juni 2001 tot en met 1 mei 2005. Verdachte was in die periode minderjarig. De andere twee ten laste gelegde feiten zien op pleegperioden van respectievelijk 2 mei 2005 tot en met 18 juni 2009 en 19 juni 2009 tot en met 19 juni 2011. Verdachte was gedurende die perioden meerderjarig.

Op 13 maart 2018 zijn, onder intrekking van voornoemde inleidende dagvaarding, alsnog twee aparte dagvaardingen uitgebracht: één ter zake van de periode dat verdachte nog minderjarig was en één ter zake van de periode dat verdachte meerderjarig was. Beide dagvaardingen zijn echter onder hetzelfde parketnummer uitgebracht en ook de twee naar aanleiding daarvan door de rechtbank gewezen vonnissen van 24 juli 2018 vermelden hetzelfde parketnummer, te weten: 02-665036-16.

Gelet op deze omstandigheid, heeft het hof ter terechtzitting in hoger beroep van 17 april 2019 – in het belang van het onderzoek – beslist om de aan verdachte ten laste gelegde feiten met een pleegperiode vanaf 2 mei 2005, te weten de datum waarop verdachte meerderjarig is geworden, in hoger beroep te behandelen onder een nieuw parketnummer, te weten: 20-000928-19.

Het andere feit, ziende op de pleegperiode van 19 juni 2001 tot en met 1 mei 2005, is in het onderhavige arrest derhalve niet aan het oordeel van het hof onderworpen. Dit feit wordt behandeld onder parketnummer 20-002536-18.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan verdachte onder 1 primair en 2 primair is ten laste gelegd en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met de door Reclassering Nederland geadviseerde bijzondere voorwaarden. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen, in die zin dat in de meerderjarigen-zaak (hof: het onderhavige parketnummer) een bedrag van in totaal € 6.100,00 voor toewijzing in aanmerking komt, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de twee aan verdachte ten laste gelegde feiten, behoudens het incident dat verdachte heeft bekend en onder de onderhavige tenlastelegging valt (het andere door verdachte bekende incident valt onder parketnummer 20-002536-18). In geval van een veroordeling heeft de verdediging verzocht om de strafoplegging te beperken tot een taakstraf, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke straf, zonder oplegging van bijzondere voorwaarden. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij daarin primair niet-ontvankelijk dient te worden verklaard en subsidiair verzocht om het toe te wijzen bedrag ter zake van de immateriële schade aanzienlijk te matigen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de meervoudige kamer van de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na splitsing van de zaken – ten laste gelegd dat:

1.
hij in of omstreeks de periode van 2 mei 2005 tot en met 18 juni 2009 te Tilburg en Bergen op Zoom en/of althans elders in Nederland, met [benadeelde partij] (geboren [in het jaar 1997] ), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij] , hebbende verdachte telkens althans eenmaal

 het ontklede lichaam van die [benadeelde partij] betast en/of

 die [benadeelde partij] getongzoend en/of

 de borsten en/of vagina van die [benadeelde partij] betast en/of

 aan de vagina van die [benadeelde partij] gelikt en/of

 die [benadeelde partij] zijn penis getoond en/of

 die [benadeelde partij] zijn penis laten betasten en/of

 die [benadeelde partij] hem laten pijpen;


subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij in of omstreeks de periode van 2 mei 2005 tot en met 18 juni 2009 te Tilburg en Bergen op Zoom en/of althans elders in Nederland, met [benadeelde partij] (geboren [in het jaar 1997] ), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit

 het ontklede lichaam van die [benadeelde partij] betasten en/of

 het tongzoenen van die [benadeelde partij] en/of

 het betasten van de borsten en/of vagina van die [benadeelde partij] en/of

 het likken van de vagina van die [benadeelde partij] en/of

 het tonen van zijn penis aan die [benadeelde partij] en/of

 het door die [benadeelde partij] laten betasten van zijn penis en/of

 het zich laten pijpen door die [benadeelde partij] ;


2.
hij in of omstreeks de periode van 19 juni 2009 tot en met 19 juni 2011 te Tilburg en/of Bergen op Zoom en/of althans elders in Nederland, met [benadeelde partij] geboren [in het jaar 1997] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij] , hebbende verdachte telkens althans eenmaal;

 het ontklede lichaam van die [benadeelde partij] betast en/of

 die [benadeelde partij] getongzoend en/of

 de borsten en/of vagina van die [benadeelde partij] betast en/of

 aan de vagina van die [benadeelde partij] gelikt en/of

 die [benadeelde partij] zijn penis getoond en/of

 die [benadeelde partij] zijn penis laten betasten en/of

 die [benadeelde partij] hem laten pijpen;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 19 juni 2009 tot en met 19 juni 2011 te Tilburg en Bergen op Zoom en/of althans elders in Nederland, met [benadeelde partij] (geboren [in het jaar 1997] ), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit

 het ontklede lichaam van die [benadeelde partij] betasten en/of

 het tongzoenen van die [benadeelde partij] en/of

 het betasten van de borsten en/of vagina van die [benadeelde partij] en/of

 het likken van de vagina van die [benadeelde partij] en/of

 het tonen van zijn penis aan die [benadeelde partij] en/of

 het door die [benadeelde partij] laten betasten van zijn penis en/of

 het zich laten pijpen door die [benadeelde partij] .

Ten gevolge van een kennelijke omissie in de tenlastelegging waren in de eerste regel van het onder feit 2 primair en subsidiair ten laste gelegde telkens de woorden ‘de periode van’ weggevallen. Het hof heeft deze omissie, net als de rechtbank in eerste aanleg, verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1. primair.
hij in de periode van 2 mei 2005 tot en met 18 juni 2009 in Nederland, met [benadeelde partij] (geboren [in het jaar 1997] ), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij] , hebbende verdachte

 die [benadeelde partij] getongzoend en

 de borsten en vagina van die [benadeelde partij] betast en

 aan de vagina van die [benadeelde partij] gelikt;

2
primair.
hij in de periode van 19 juni 2009 tot en met 19 juni 2011 in Nederland, met [benadeelde partij] geboren [in het jaar 1997] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij] , hebbende verdachte

 die [benadeelde partij] getongzoend en

 de borsten van die [benadeelde partij] betast en

 die [benadeelde partij] zijn penis getoond en

 die [benadeelde partij] hem laten pijpen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

[PRO MEMORIE]

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het onder 1 (primair en subsidiair) en het onder 2 (primair en subsidiair) ten laste gelegde bepleit. Daartoe is aangevoerd dat verdachte weliswaar heeft erkend dat er twee incidenten met zijn nichtje [benadeelde partij] hebben plaatsgevonden, te weten een incident op het toilet toen hijzelf 13 of 14 jaar oud was en zijn nichtje ongeveer 4 jaar oud, waarbij hij haar vagina heeft betast, en een incident in de auto in 2011, waarbij zij elkaar hebben betast, maar dat hij geen andere seksuele of ontuchtige handelingen met zijn nichtje heeft gepleegd.

De verklaringen van verdachte, die voornoemde incidenten zelf heeft opgebiecht, zijn als consistent en betrouwbaar aan te merken. Dat geldt volgens de verdediging niet voor de overige verklaringen. De verdediging is primair van oordeel dat zich in het dossier onvoldoende wettig bewijs bevindt en subsidiair onvoldoende overtuigend bewijs.

De verdediging is in de eerste plaats van oordeel dat zich in het dossier geen ondersteuning bevindt voor de verklaring van [benadeelde partij] . De verklaring van verdachte kan niet als steunbewijs worden gebruikt voor de incidenten die hij heeft ontkend. Ten aanzien van die incidenten is sprake van een te ver verwijderd verband tussen de belastende verklaring van [benadeelde partij] en de verklaringen van verdachte. Ook de verklaring van [ouderling 1] kan niet als steunbewijs worden gebruikt. [ouderling 1] heeft onvoldoende stellig verklaard om daaraan enige waarde te kunnen hechten. Deze verklaring dient derhalve van het bewijs te worden uitgesloten. De verklaring van [getuige 1] kan hooguit worden aangemerkt als onderbouwing van de betrouwbaarheid van de verklaring van [benadeelde partij] , maar niet als steunbewijs. Immers, hij heeft slechts verklaard dat [benadeelde partij] hem heeft verteld over iets dat jaren geleden zou hebben plaatsgevonden en dat zij toen emotioneel is geworden. Voorts staat de verklaring van [benadeelde partij] in een te ver verwijderd verband met hetgeen [getuige 2] , heeft waargenomen. Bovendien bieden de verklaringen van [getuige 2] , die op belangrijke punten tegenstrijdig zijn, onvoldoende steun voor de ten laste gelegde ontuchtige handelingen zelf. Derhalve leveren ook de verklaringen van [getuige 2] geen bevestiging op. Tenslotte heeft de verdediging in dit kader aangevoerd dat ook de verklaring van [getuige 3] niet aan het bewijs kan bijdragen, nu hij niets heeft verklaard over hetgeen er tussen verdachte en [benadeelde partij] zou zijn gebeurd.

De verdediging heeft derhalve geconcludeerd dat er onvoldoende wettig bewijs is voor de feiten die verdachte heeft ontkend, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat voornoemde verklaringen – op ongeveer dezelfde gronden – onvoldoende overtuigend zijn. Ook om die reden dient vrijspraak te volgen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, kan – gelet op het bepaalde in het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) – door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bewijs-minimumregel geldt echter voor de tenlastelegging/bewezenverklaring als geheel, nu onderdelen daarvan wel degelijk slechts op een enkele getuigenverklaring mogen berusten.

Voornoemde bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt om tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, lid 2, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Niet is vereist dat het bedoelde steunbewijs betrekking heeft op één of meer van de aan de verdachte ten laste gelegde gedragingen. Steunbewijs mag ook worden ontleend aan aanwijzingen dat de verdachte vergelijkbare – niet ten laste gelegde – gedragingen heeft begaan, hoewel daarbij geen sprake mag zijn van een te ver verwijderd verband tussen de belastende verklaring van de getuige en dat overige bewijsmateriaal.

De eerste vraag die moet worden beantwoord is of de verklaring van [benadeelde partij] als betrouwbaar kan worden aangemerkt. Uit de gedetailleerde verklaring van [benadeelde partij] volgt – kort gezegd – dat zij gedurende een periode van ongeveer tien jaar (vanaf haar vierde tot en met haar veertiende jaar) seksueel is misbruikt door verdachte. Zij heeft, zoals uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt, ook verklaard over een aantal specifieke incidenten, welke – op één na – door verdachte worden ontkend.

Uit de verklaringen van [getuige 2] volgt dat zij haar dochter heeft geconfronteerd met het gesprek dat zij met verdachte heeft gevoerd over de twee door hem erkende incidenten en dat [benadeelde partij] daarop heel boos heeft gereageerd: “Wat, is dat het enige dat hij heeft gezegd?”, waarna zij begon te huilen. Ook heeft [getuige 2] verklaard over de aversie van haar dochter van auto’s van het merk Seat, type Cordoba, terwijl het misbruik volgens [benadeelde partij] ook heeft plaatsgevonden in de Seat Cordoba van verdachte. De getuige [getuige 1] heeft op zijn beurt verklaard dat [benadeelde partij] niet op bezoek wilde bij een tante in Bergen op Zoom en dat zij toen emotioneel werd. [benadeelde partij] heeft hem daarbij ook verteld over een incident waarbij zij de ‘lolly’ van verdachte moest likken. Het hof is van oordeel dat de emoties van [benadeelde partij] , zoals daarover door [getuige 2] en door [getuige 1] is verklaard, authentiek op het hof overkomen en derhalve steun bieden aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [benadeelde partij] .

Het hof is van oordeel dat ook de verklaring van [getuige 3] omtrent de seksuele handelingen die tussen hem en verdachte hebben plaatsgevonden in diezelfde periode alsmede zijn verklaring over een incident waarbij zij alle drie betrokken waren op de zolder van de toenmalige woning van hun opa en oma aan de [adres] , steun opleveren voor de betrouwbaarheid van de verklaring van [benadeelde partij] .

Gelet op het vorenstaande, acht het hof de verklaring van [benadeelde partij] derhalve betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.

De vraag waarvoor het hof zich vervolgens ziet gesteld is of ten aanzien van beide feiten sprake is van voldoende wettig en overtuigend bewijs voor een bewezenverklaring van het primair (dan wel subsidiair) ten laste gelegde. Daartoe dient te worden vastgesteld of de belastende verklaring van [benadeelde partij] steun vindt in ander bewijsmateriaal.

Het hof is, anders dan de verdediging, van oordeel dat de verklaring van [benadeelde partij] steun vindt in andere bewijsmiddelen. In de eerste plaats heeft verdachte erkend dat er door hem jegens [benadeelde partij] seksueel grensoverschrijdend gedrag heeft plaatsgevonden. Daarmee steunt hij in ieder geval een deel van de verklaring van [benadeelde partij] , met name waar het een incident betreft dat in zijn auto heeft plaatsgevonden toen [benadeelde partij] ongeveer 14 jaar oud was, maar ook dat het seksueel grensoverschrijdend gedrag is begonnen toen [benadeelde partij] ongeveer vier jaar oud was.

Verdachte heeft deze twee incidenten waarover hij zelf heeft verklaard ook opgebiecht aan [getuige 2] , de moeder van [benadeelde partij] . Daarnaast heeft hij met de ouderlingen [ouderling 2] en [ouderling 1] van de Jehovah’s Getuigen, van welke geloofsgemeente verdachte destijds lid was, gesproken over zijn seksueel grensoverschrijdend gedrag. Ook heeft verdachte daarover iets verteld aan de getuige [getuige 1] . Al deze getuigen hebben hierover een verklaring afgelegd, waarvan de inhoud de verklaring van [benadeelde partij] op diverse onderdelen ondersteunt.

Anders dan de verdediging, is het hof van oordeel dat [getuige 2] gedetailleerd en consistent heeft verklaard over hetgeen zij van haar dochter en van verdachte heeft vernomen en over hetgeen zij zelf heeft waargenomen. Het hof overweegt dat [getuige 2] in haar verklaringen in essentie gelijkluidend heeft verklaard, terwijl zij een weergave heeft gegeven van hetgeen zij heeft vernomen. Daarbij zij opgemerkt dat [getuige 2] en haar dochter niet over één nacht ijs zijn gegaan bij het doen van aangifte tegen verdachte. Na een informatief gesprek in 2012, is eerst in 2015 overgegaan tot het daadwerkelijk doen van aangifte. Desalniettemin zijn het eerste informatieve gesprek, de aangifte en het studioverhoor van [benadeelde partij] consistent. Het hof heeft in het dossier geen aanknopingspunten aangetroffen voor de stelling dat zij boos op verdachte zijn en om die reden (valse) verklaringen hebben afgelegd. Het hof gaat derhalve aan die stelling van de verdediging voorbij.

Het hof heeft evenmin reden om te twijfelen aan de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [ouderling 2] en [ouderling 1] , zoals hiervoor gebezigd. Laatstgenoemde heeft verklaard dat hij van verdachte heeft gehoord dat er twee of drie incidenten in de setting van de auto hebben plaatsgevonden tussen verdachte en [benadeelde partij] . Daarnaast heeft [ouderling 1] verklaard van verdachte te hebben vernomen dat er ook een ander incident heeft plaatsgevonden en dat dit met uitkleden te maken had, hetgeen mogelijk via internet zou kunnen zijn gebeurd. Dit laatste past bij de verklaring van [benadeelde partij] dat verdachte haar via MSN heeft benaderd, waarbij verdachte zich heeft uitgekleed. Verdachte heeft bij de rechterbank ook verklaard dat hij MSN gebruikte. De verklaring van [ouderling 1] komt overeen met de verklaring van [benadeelde partij] in de zin dat er meer incidenten hebben plaatsgevonden dan waarover verdachte zelf heeft verklaard. Het hof is derhalve van oordeel dat de verklaringen van [getuige 1] , [ouderling 2] en [ouderling 1] steunbewijs opleveren.

Daarnaast heeft het hof voor de bewijsvoering gebruik gemaakt van schakelbewijs. Uit het bewijsmateriaal volgt immers dat het handelen van verdachte gedurende de drie onder-scheidende pleegperioden op essentiële punten sterk overeenkomt en kenmerkende gelijkenissen vertoont. Naar het oordeel van het hof is sprake van een herkenbaar en gelijksoortig patroon in het handelen van verdachte, welke zich uitstrekt over een periode van tien jaar.

Ten slotte vindt de verklaring van [benadeelde partij] steun in de verklaring van haar één jaar jongere [getuige 3] , hoewel die verklaring geen betrekking heeft op de ten laste gelegde feiten. Het hof is echter van oordeel dat die verklaring toch als steunbewijs kan dienen, omdat daaruit volgt dat verdachte ook soortgelijk seksueel grensoverschrijdend gedrag jegens [getuige 3] heeft gepleegd in diezelfde periode. Het hof volgt de verdediging niet in de stelling van de verdediging dat sprake zou zijn van een te ver verwijderd verband. Daarnaast kan [getuige 3] zich – weliswaar vaag – een incident herinneren waarbij zij alle drie betrokken waren en dat plaats heeft gevonden op de zolder van de toenmalige woning van hun opa en oma aan de [adres] . Het hof acht de verklaring van [getuige 3] authentiek en derhalve betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.

Gelet op vorenstaande bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 2 mei 2005 tot en met 18 juni 2009 en in de periode van 19 juni 2009 tot en met 19 juni 2011 ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [benadeelde partij] , welke handelingen mede bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging dan ook in al zijn onderdelen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft zijn tien jaar jongere nichtje in de ten laste gelegde periode (bijna vijf jaar) seksueel misbruikt. Vast staat dat verdachte gedurende die periode seksuele handelingen heeft verricht, die bestonden uit het tongzoenen van het slachtoffer, het betasten van de borsten en vagina van het slachtoffer, het aan haar tonen van zijn penis en het laten pijpen van hem door het slachtoffer. Dit zijn zeer ernstige feiten, waarmee verdachte ernstig inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn jonge nichtje. Verdachte heeft zich laten leiden door zijn seksuele gevoelens en heeft destijds kennelijk niet stilgestaan bij de gevolgen die het bewezen verklaarde voor het slachtoffer zouden hebben. Daarbij heeft dit alles plaatsgevonden in de familiesfeer en op plaatsen waar het slachtoffer zich bij uitstek veilig zou moeten voelen. Het slachtoffer was daarnaast voor verdachte, gelet op het leeftijdsverschil, een gemakkelijk prooi.

Hoe ingrijpend het bewezen verklaarde voor het slachtoffer is geweest, blijkt ook uit haar slachtofferverklaring, waarin zij beschrijft dat het lange tijd niet goed is gegaan met haar. Naast de vele psychische en psychosomatische klachten, had zij last van angsten, agressie, nachtmerries, opstandigheid en lichamelijke klachten. Het gebeurde heeft echter niet alleen een grote impact gehad op het slachtoffer, maar ook op haar ouders en op haar omgeving. Bovendien staat vast staat dat een dergelijk feit in de samenleving, in het algemeen, gevoelens van afschuw oproept.

Naar het oordeel van het hof kan dan ook niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de duur van 12 maanden met zich brengt. Het hof heeft daarbij ook rekening gehouden met:

 de kwetsbaarheid van het slachtoffer en de lange pleegperiode;

 de ouderdom van de bewezen verklaarde feiten. Het hof heeft zich rekenschap gegeven van de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg, maar is tevens van oordeel dat deze overschrijding voldoende wordt gecompenseerd door de voortvarende behandeling in hoger beroep, te weten een berechting binnen één jaar, waardoor de berechting in twee instanties binnen de termijn van vier jaren heeft plaatsgevonden.

Een strafaftrek als bij de rechtbank heeft plaatsgevonden zal het hof dan ook achterwege laten;

 de gevolgen die het bewezen verklaarde ook voor verdachte heeft gehad, in het bijzonder het verlies van werk en de gedwongen verkoop van zijn huis;

 de omstandigheid dat verdachte, blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 februari 2019 niet eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten onherroepelijk is veroordeeld en derhalve als first offender dient te worden aangemerkt;

 de omstandigheid dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is en, in

dat kader, met de samenhang van de onderhavige zaak met de strafzaak met parket-nummer 20-002536-18 en de in die zaak door het hof opgelegde straf;

 de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als richtlijn voor een gebruikelijk straftoemetingsbeleid, en de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd.

Het hof ziet echter aanleiding om de helft van voornoemde gevangenisstraf (6 maanden) voorwaardelijk aan verdachte op te leggen en daaraan bijzondere voorwaarden te verbinden. Daartoe overweegt het hof dat uit de adviesrapporten van de reclassering d.d. 14 april 2017 en 15 mei 2018 volgt dat het volgen van een ambulante TSD behandeling (Training Seksuele Delictplegers), gericht op het beperkte probleembesef en -inzicht van verdachte, noodzakelijk wordt geacht. Hoewel verdachte geen intrinsieke motivatie heeft voor het volgen van een dergelijke behandeling, acht het hof het door verdachte volgen van die training toch noodzakelijk omdat verdachte – zoals door de reclassering gerapporteerd – niet heeft kunnen bedenken waardoor hij seksueel grensoverschrijdend gedrag vertoonde richting zijn nichtje, een groot deel van de verantwoordelijkheid voor zijn gedrag bij haar neerlegt en het bewezen verklaarde grotendeels heeft ontkend. Het hof zal deze ambulante behandeling – gelet op de noodzaak daarvan – dan ook als afzonderlijke bijzondere voorwaarde opleggen. Hiermee wordt enerzijds de ernst van de bewezen verklaarde feiten tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Door de verdediging is nog bepleit om aan verdachte een taakstraf, eventueel in combinatie met een voorwaardelijk straf, zonder bijzondere voorwaarden, op te leggen. Gelet op het hiervoor overwogene en de ernst en aard van het bewezen verklaarde ziet het hof daartoe geen aanleiding, waarbij het hof anders dan de rechtbank van oordeel is dat de strafdoelen vergelding en het voorkomen van herhaling, ondanks tijdsverloop, wel degelijk nog te behalen zijn door oplegging van een deels onvoorwaardelijke detentie.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een totaalbedrag van € 10.100,00. Deze vordering bestaat uit een vergoeding van € 10.000,00 aan immateriële schade en € 100,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Met de rechtbank, heeft het hof vastgesteld dat de benadeelde partij voornoemde vordering heeft ingediend ter zake van zowel de twee onderhavige feiten als ter zake van hetgeen in hoger beroep onder parketnummer 20-002536-18 aan verdachte is ten laste gelegd. De rechtbank heeft de vordering in eerste aanleg gesplitst en voor de onderhavige feiten een bedrag van € 6.000,00 aan immateriële schade en € 100,00 aan materiële schade toegewezen. Het resterende bedrag van € 4.000,00 is in de andere zaak toegewezen.

Het vorenstaande betekent dat het totaal gevorderde bedrag van € 10.100,00 in eerste aanleg is toegewezen en dat de vordering derhalve van rechtswege geheel aan het oordeel van het hof is onderworpen. Bovendien heeft de benadeelde partij zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.

Net als de rechtbank in eerste aanleg heeft gedaan, zal ook het hof de vordering – met instemming van de benadeelde partij – splitsen. Het hof komt echter tot een iets andere verdeling van de schadevergoeding, zoals hierna volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Het hof heeft voor de hoogte van het schadebedrag aansluiting gezocht bij de al jaren gehanteerde Letsellijst van het Schadefonds Gewelds-misdrijven. Zedendelicten waarbij sprake is van seksueel binnendringen gedurende een langere periode vallen, gelet op die lijst, onder letselcategorie 4. De bij die categorie behorende uitkering bedraagt € 10.000,00. Gelet daarop, acht het hof ter zake van de twee onderhavige feiten toewijzing van een bedrag van € 5.000,00 redelijk en billijk. Daarnaast acht het hof ook de gevorderde materiële schade tot een bedrag van € 100,00 ter zake van reiskosten en telefoonkosten voor toewijzing vatbaar. Het hof is van oordeel dat deze schadebedragen voldoende aannemelijk zijn gemaakt. Het door de verdediging gevoerde verweer – kort gezegd ziende op een gebrek aan causaal verband tussen de gestelde schade en het bewezen verklaarde – wordt door het hof verworpen, nu het seksuele misbruik door verdachte hoe dan ook diepingrijpende gevolgen moet hebben gehad voor de benadeelde partij.

Verdachte is derhalve tot vergoeding van voornoemde schade gehouden, zodat de vordering in deze zaak tot een totaalbedrag van € 5.100,00 toewijsbaar is.

Voor het overige dient de vordering van de benadeelde partij te worden afgewezen.

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2011, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde partij] is toegebracht tot een bedrag van € 5.100,00. Verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor na te melden duur zal worden toegepast als verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 57, 63, 244 en 245 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte/veroordeelde:

 zich gedurende een door Reclassering Nederland te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door Reclassering Nederland te bepalen tijdstippen zal melden bij Reclassering Nederland, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

 zich gedurende de proeftijd houdt aan en gedraagt naar de aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland;

 zich gedurende de proeftijd, of zoveel korter als zijn behandelaars nodig achten, meewerkt aan een ambulante behandeling TSD (Training Seksuele Delictplegers) bij de forensische polikliniek Het DOK of een soortgelijke instelling.

Geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte/veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.100,00 (vijfduizend honderd euro) bestaande uit € 100,00 (honderd euro) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 5.100,00 (vijfduizend honderd euro) bestaande uit € 100,00 (honderd euro) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 19 juni 2011.

Aldus gewezen door:

mr. J.F. Dekking, voorzitter,

mr. E.N. van der Spoel en mr. F.C.J.E. Meeuwis, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,

en op 22 mei 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.