Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1878

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-05-2019
Datum publicatie
09-10-2019
Zaaknummer
18/00472 tot en met 18/00483
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:4539, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BZM is niet in strijd met Unierecht geheven. Redelijke termijn is niet overschreden. Belanghebbende heeft geen recht op enige rentevergoeding, anders dan de rente genoemd in HR 21 december 2018, nr. 17/04504. Geen werkelijke proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 09-10-2019
FutD 2019-2648
V-N Vandaag 2019/2227
V-N 2019/52.1.4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerken: 18/00472 tot en met 18/00483

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 26 juli 2018, nummers BRE 17/4258 tot en met 17/4269, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te melden naheffingsaanslagen en beschikkingen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn de navolgende naheffingsaanslagen belasting zware motorrijtuigen (hierna: BZM) en boetebeschikkingen opgelegd.

Kenmerk Hof

Kenmerk Rechtbank

Aanslagnummer

Dagtekening

BZM

Verzuimboete

18/00472

17/4258

[aanslagnummer] .Z.60011.8

29 juli 2016

€ 8

€ 263

18/00473

17/4259

[aanslagnummer] .Z.60001.8

28 juni 2016

€ 8

€ 263

18/00474

17/4260

[aanslagnummer] .Z.60002.8

28 juni 2016

€ 8

€ 263

18/00475

17/4261

[aanslagnummer] .Z.60003.8

28 juni 2016

€ 8

€ 263

18/00476

17/4262

[aanslagnummer] .Z.60004.8

28 juni 2016

€ 8

€ 263

18/00477

17/4263

[aanslagnummer] .Z.60005.8

28 juni 2016

€ 8

€ 263

18/00478

17/4264

[aanslagnummer] .Z.60006.8

28 juni 2016

€ 8

€ 263

18/00479

17/4265

[aanslagnummer] .Z.60007.8

15 juli 2016

€ 8

€ 263

18/00480

17/4266

[aanslagnummer] .Z.60008.8

15 juli 2016

€ 8

€ 263

18/00481

17/4267

[aanslagnummer] .Z.60009.8

15 juli 2016

€ 8

€ 263

18/00482

17/4268

[aanslagnummer] .Z.60010.8

15 juli 2016

€ 8

€ 263

18/00483

17/4269

[aanslagnummer] .Z.60012.8

1 september 2016

€ 8

€ 263

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraken van 10 mei 2017:

- de bezwaren tegen de naheffingsaanslag Z.60011.8 en de daarbij gegeven boetebeschikking niet-ontvankelijk verklaard en ambtshalve besloten deze naheffingsaanslag en boetebeschikking te vernietigen;

- de overige bezwaren gegrond verklaard en de naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen vernietigd;

- een vergoeding voor de kosten bezwaar toegekend van € 738 voor alle zaken gezamenlijk.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 333. De Rechtbank heeft in de zaak 17/4265 het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de bezwaren tegen de naheffingsaanslag Z.60007.8 en de daarbij gegeven boetebeschikking niet-ontvankelijk verklaard, de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 501 veroordeeld, gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 333 aan haar vergoedt en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. In de overige zaken heeft de Rechtbank de beroepen ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.

1.3.

Tegen deze uitspraken heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 508.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 22 maart 2019 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, [gemachtigde] , adviseur te [plaats] , als gemachtigde van belanghebbende (hierna: de gemachtigde), vergezeld door [A] , alsmede, namens de Inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.5.

Belanghebbende heeft kort voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof. Ter zitting is deze tevens aan de Inspecteur verstrekt, waarna een leespauze is ingelast.

1.6.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.7.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is gezonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

De Inspecteur heeft de onder 1.1 genoemde naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen opgelegd omdat was geconstateerd dat met het motorrijtuig met kenteken [kenteken] gebruik van de weg was gemaakt zonder dat de verschuldigde BZM vooraf op aangifte was voldaan. Gelet op het arrest HR 24 februari 2017, nr. 15/02068, ECLI:NL:HR:2017:286, betreffende het gebruik van met ANPR-camera’s vastgelegde gegevens, heeft de Inspecteur vervolgens bij de uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen, al dan niet ambtshalve, vernietigd.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft in hoger beroep het antwoord op de volgende vragen:

1. Is de onderhavige BZM in strijd met het Unierecht geheven?

2. Dient op een verzoek tot immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn te worden beslist in een andere formatie dan die welke de hoofdzaak heeft beslist?

3. Heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting?

4. Heeft belanghebbende recht op een rentevergoeding over de terug te betalen belasting, boete en griffierecht?

5. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van de werkelijke kosten van bezwaar en werkelijke proceskosten?

Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend. De Inspecteur is de tegengestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert, naar het Hof verstaat, tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank, voor zover daarbij de verzoeken om schadevergoeding en werkelijke kosten van bezwaar en proceskosten zijn afgewezen, en tot toewijzing van deze verzoeken. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4 Gronden

Vooraf en ambtshalve

4.1.

De Inspecteur heeft verzocht de in de pleitnota van belanghebbende opgeworpen nieuwe stelling betreffende de hoogte van het geheven griffierecht tardief te verklaren. Het Hof acht het innemen van een nieuwe stelling in een dergelijk laat stadium van het geding in strijd met de goede procesorde, nu niet valt in te zien waarom belanghebbende deze stelling niet eerder had kunnen innemen. De door belanghebbende ter zitting gegeven reden dat hij zeer vele zaken onderhanden heeft en daardoor pas kort voor de zitting aan de voorbereiding van de zaak toekomt, acht het Hof onvoldoende. Het Hof zal dan ook deze nieuwe stelling als zijnde tardief buiten beschouwing laten.

4.2.

Belanghebbende verzet zich in hoger beroep niet tegen het oordeel van de Rechtbank dat de bezwaren betreffende de naheffingsaanslagen Z.60007.8 en Z.60011.8 en de bijbehorende boetebeschikkingen te laat zijn ingediend en daarom niet-ontvankelijk zijn. Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank dienaangaande op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen.

Ten aanzien van het geschil

Vraag 1: Is de onderhavige BZM in strijd met het Unierecht geheven?

4.3.

In het onder 2.1 genoemde arrest heeft de Hoge Raad, voor zover hier van belang, overwogen:

“2.3.3. Verder wordt vooropgesteld dat in cassatie terecht niet in geschil is dat hier sprake is van een inmenging van het openbaar gezag in belanghebbendes privéleven. Immers, door de wijze van verzamelen, vastleggen, bewerken, bewaren, en door het gebruik van de met ANPR‑camera’s verkregen gegevens, wordt het privéleven van de betrokkenen geraakt. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat het hier niet gaat om één of enkele waarnemingen in de openbare ruimte, maar om het systematisch verzamelen, vastleggen, bewerken en jarenlang bewaren van gegevens over de bewegingen van voertuigen op diverse plaatsen in Nederland, op een zodanige wijze dat die gegevens aan de hand van het kenteken tot een bepaald voertuig en daarmee (in beginsel) tot een bepaalde persoon kunnen worden herleid, en waarbij het doel (mede) is om aan de hand van een analyse van die gegevens per voertuig een beeld te krijgen van de verplaatsingen daarvan gedurende een jaar (vgl. EHRM 2 september 2010, Uzun vs. Germany, nr. 35623/05, par. 44 e.v.).

De omstandigheid dat de voor fiscale controle niet relevant geachte gegevens binnen korte tijd worden verwijderd, kan aan het voorgaande niet afdoen. Die omstandigheid beperkt weliswaar het aantal personen ten aanzien waarvan een inmenging in het privéleven plaatsvindt, maar laat onverlet dat een zodanige inmenging plaatsvindt ten aanzien van degenen van wie de gegevens wel worden bewaard, zoals belanghebbende. Aan de aanwezigheid van een inmenging in het privéleven doet evenmin af, zoals het Hof terecht heeft overwogen, dat belanghebbende zelf heeft gekozen voor het achterwege blijven van fiscale inhoudingen, door bij de Inspecteur een verklaring geen privégebruik aan te vragen en deze verklaring aan de inhoudingsplichtige te overleggen.

2.3.4.

Aangezien daardoor het privéleven van de betrokkenen wordt geraakt, behoeft het verzamelen, vastleggen, bewerken, bewaren en gebruiken van de ANPR‑gegevens, zoals dat in feite heeft plaatsgevonden, een voldoende precieze wettelijke grondslag als hiervoor bedoeld in onderdeel 2.3.2 (tweede alinea). De algemene taakstelling van de Belastingdienst, zoals geformuleerd in artikel 2, lid 1, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, voldoet niet aan dit vereiste. Dat artikel bepaalt slechts in algemene zin dat de Belastingdienst is belast met de heffing en invordering van rijksbelastingen. Artikel 20 AWR, op grond waarvan de inspecteur te weinig geheven belasting kan naheffen, biedt evenmin een voldoende precieze wettelijke grondslag voor de gevolgde handelwijze. Hetzelfde geldt voor de regeling over belastingheffing wegens privégebruik van auto’s in artikel 13bis Wet LB 1964. De vereiste wettelijke grondslag kan evenmin worden gevonden in artikel 55 AWR, op grond waarvan – kort gezegd – overheidslichamen aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen verstrekken die hun door de inspecteur ter uitvoering van de belastingwet worden gevraagd. Ook daarin is geen voldoende precieze grondslag voor het verzamelen, vastleggen, bewaren, bewerken en gebruiken van de ANPR-gegevens gelegen. Er is ook geen andere wettelijke bepaling die de Inspecteur een voldoende precieze grondslag verschaft voor de gevolgde handelwijze.

2.3.6.

Uit het hiervoor in 2.3.3 en 2.3.4 overwogene volgt dat de Inspecteur over de met ANPR-camera’s verzamelde gegevens beschikt zonder de daarvoor vereiste wettelijke grondslag en als resultaat van een systematische inbreuk op artikel 8 EVRM. Onder die omstandigheden kan deze informatie door de Inspecteur niet worden gebruikt om daarop de naheffingsaanslagen te baseren.”

4.4.

Artikel 8 EVRM bepaalt dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van het recht van eenieder op respect voor zijn privéleven, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

4.5.

Het bepaalde in artikel 8 EVRM is tevens vastgelegd in artikel 7 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest). Ingevolge dat artikel heeft eenieder recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie.

4.6.

Artikel 51 van het Handvest bepaalt dat de bepalingen van het Handvest zijn gericht tot lidstaten, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. De BZM is gebaseerd op het Verdrag van 9 februari 1994 tussen de regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden op grond van Richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen, ter vervanging van Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993, zoals laatst gewijzigd bij Richtlijn 2006/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006. Aldus is sprake van een situatie dat Nederland het recht van de Unie ten uitvoer brengt en toetsing van de bepalingen van het Handvest kan plaatsvinden.

4.7.

Anders dan in het arrest van de Hoge Raad is van inmenging van het openbaar gezag in belanghebbendes privé-leven in het onderhavige geval geen sprake. Het betreft immers het gebruik van een vrachtauto die uitsluitend bestemd is voor goederenvervoer over de weg. Belanghebbende is houder van de vrachtauto. Niet gezegd kan worden dat bij een heffing als de onderhavige BZM, inmenging in belanghebbendes privé-leven plaatsvindt. Dat de Inspecteur desondanks het arrest ook heeft toegepast op de onderhavige heffing van BZM, doet daar niet aan af.

4.8.

Hieruit volgt dat vraag 1 ontkennend dient te worden beantwoord.

Vraag 2: Dient op een verzoek tot immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn te worden beslist in een andere formatie dan die welke de hoofdzaak heeft beslist?

4.9.

De Rechtbank heeft in de bestreden uitspraken geoordeeld dat de redelijke termijn van berechting niet is overschreden. Belanghebbende stelt in hoger beroep dat deze vraag in een andere formatie had moeten worden beslist dan die welke kennis heeft genomen van het geschil dat heeft geleid tot de procedure waarvan de duur wordt bekritiseerd.

4.10.

De Hoge Raad heeft op 19 april 2019, nr. 18/01623, ECLI:NL:HR:2019:623, het volgende, voor zover hier van belang, overwogen:

“2.2.1. Middel III bestrijdt het hiervoor in 2.1.1 weergegeven oordeel van het Hof. Het middel betoogt onder meer dat andere rechters dan degenen die de hoofdzaak behandelden, hadden moeten oordelen over het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van die hoofdzaak. Het middel beroept zich in dit verband op artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).

2.2.2.

In het arrest van 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5046 (hierna: het arrest van 10 juni 2011) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het beginsel van rechtszekerheid vereist dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden beslecht. Omdat dit vereiste berust op een rechtsbeginsel dat ten grondslag ligt aan artikel 6 EVRM, heeft de Hoge Raad aansluiting gezocht bij de jurisprudentie van het EHRM over dat verdragsartikel. Bij overschrijding van die redelijke termijn heeft de belanghebbende op grond van die jurisprudentie in beginsel recht op compensatie.

Het EHRM heeft een aantal factoren genoemd waaraan die compensatie en de daarmee gemoeide procedure moeten voldoen (zie o.a. EHRM 21 december 2010, nr. 50973/08, Vassilios Athanasiou e.a. tegen Griekenland, ECLI:CE:ECHR:2010:1221JUD005097308, paragraaf 55). Die voorwaarden houden voor zover hier van belang in (i) dat de procedure ter verkrijging van die compensatie binnen een redelijke termijn moet plaatsvinden, (ii) dat die procedure voldoet aan de eisen van artikel 6 EVRM, en (iii) dat die procedure voor de belanghebbende geen excessieve kosten mag meebrengen. Het EHRM heeft gepreciseerd dat het aan de Staten is om op basis van de toepasselijke regels van het eigen rechtssysteem te bepalen welke procedure het beste voldoet aan de hiervoor bedoelde voorwaarden (vgl. EHRM 29 maart 2006, nr. 36813/97, Scordino tegen Italië, ECLI:CE:ECHR:2006:0329JUD003681397, hierna: het arrest Scordino, paragraaf 200). Voorts heeft het EHRM strafvermindering door de behandelende rechter geaccepteerd als vorm van compensatie voor een te lang geduurd hebbend proces in punitieve zaken (zie paragraaf 186 van het arrest Scordino en de aldaar vermelde rechtspraak).

2.2.3.

Hiermee heeft het EHRM aanvaard dat de hiervoor in 2.2.2 bedoelde compensatie wordt geboden door dezelfde rechters die in de zaak die onredelijk lang heeft geduurd over de strafmaat moeten beslissen. Daarvan uitgaande valt in redelijkheid niet in te zien waarom het anders zou moeten zijn in niet-punitieve zaken. Daarom moet worden aangenomen dat het EVRM zich evenmin ertegen verzet dat in belastinggeschillen over de (hoogte van de) compensatie wordt geoordeeld door dezelfde rechters die de beslissing over het belastinggeschil moeten nemen in een proces dat onredelijk lang heeft geduurd.

De Hoge Raad acht het niet voor redelijke twijfel vatbaar dat ook artikel 47 van het Handvest zich niet verzet tegen een dergelijke werkwijze in nationale procedures.

2.2.4.

In het arrest van 10 juni 2011 en de daarop voortbouwende rechtspraak, waaronder het overzichtsarrest, heeft de Hoge Raad tot uitgangspunt genomen dat de belanghebbende geen afzonderlijke procedure aanhangig hoeft te maken om aanspraak te maken op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hij kan ermee volstaan in de hoofdzaak een verzoek om vergoeding van immateriële schade tot de rechter te richten. Voor dit verzoek gelden geen vormvereisten. De rechterlijke instantie die is belast met de behandeling van het (hoger) beroep behandelt dit verzoek in diezelfde procedure en in dezelfde samenstelling.

Ook heeft de Hoge Raad tot uitgangspunt genomen dat op dit verzoek wordt beslist aan de hand van de objectieve maatstaven die zijn neergelegd in het overzichtsarrest. Uitzonderingen op die objectieve maatstaven moeten worden beperkt tot bijzondere gevallen. Mede gelet hierop bestaat er geen redelijke grond het verzoek niet te laten beoordelen door dezelfde rechter die de beslissing over het belastinggeschil neemt. Anders dan het middel kennelijk veronderstelt, kan de omstandigheid dat deze zo veel mogelijk naar objectieve maatstaven te nemen beslissing op het verzoek wordt gegeven door de rechter die ook over het (hoger) beroep moet oordelen, op zichzelf geen grond zijn voor twijfel aan het onafhankelijke en onpartijdige karakter van die beslissing.

2.2.5.

In het licht van hetgeen hiervoor in 2.2.2 en 2.2.3 is overwogen, leidt de in 2.2.4 beschreven wijze waarop verzoeken tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn worden behandeld op zichzelf niet tot een inbreuk op de door artikel 6 EVRM en artikel 47 van het Handvest vereiste onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de rechter.

Middel III betoogt daarom tevergeefs dat andere rechters hadden moeten oordelen over het verzoek om vergoeding van immateriële schade.”

4.11.

Hieruit volgt dat vraag 2 ontkennend dient te worden beantwoord.

Vraag 3: Heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting?

4.12.

De Rechtbank heeft op dit punt als volgt geoordeeld:

“2.12. De eerste bezwaarschriften in onderhavige zaken zijn ingediend op 2 augustus 2016. De rechtbank doet uitspraak op 26 juli 2018. De redelijke termijn van – in beginsel – twee jaar voor het doen van uitspraak is niet overschreden. Belanghebbende heeft geen recht op vergoeding van immateriële schade. De verzoeken zijn daarom in alle zaken afgewezen.”

4.13.

Belanghebbende stelt dat de Rechtbank de aanvangsdatum van de redelijke termijn ten onrechte heeft gesteld op de indieningsdatum van de bezwaren. Volgens belanghebbende dient de aanvangsdatum te worden gesteld op het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd.

4.14.

Belanghebbendes stelling betreffende het aanvangsmoment van de redelijke termijn is juist voor zover het de procedure inzake de beboeting betreft. Bij het vaststellen van de hoogte van de boete dient rekening te worden gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn, waarbij het aanvangsmoment van de redelijke termijn wordt gesteld op het door belanghebbende bedoelde moment. Belanghebbende zou dan ook in beginsel recht hebben op een matiging van de boete. In de onderhavige zaken zijn de boetes echter reeds bij de uitspraken op bezwaar vernietigd.

4.15.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2011, nr. 09/02639, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, volgt dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade worden verondersteld. Tevens volgt uit dat arrest dat de in aanmerking te nemen termijn aanvangt op het moment van indienen van het bezwaar. De Rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de redelijke termijn niet is overschreden.

4.16.

Het Hof doet binnen twee jaar uitspraak nadat hoger beroep is ingesteld, zodat ook in hoger beroep de redelijke termijn niet wordt overschreden.

4.17.

Hieruit volgt dat vraag 3 ontkennend dient te worden beantwoord.

Vraag 4: Heeft belanghebbende recht op een rentevergoeding over de terug te betalen belasting, boete en griffierecht?

4.18.

Belanghebbende heeft gesteld dat zij recht heeft op een adequate rentevergoeding, nu de nageheven belasting en de boete in strijd met het Unierecht zijn geheven. Gelet op de ontkennende beantwoording van vraag 1, dient deze stelling te worden verworpen. Voor zover belanghebbendes grief zo moet worden opgevat dat zij recht heeft op vergoeding van belastingrente, is het Hof van oordeel dat dat niet het geval is aangezien de BZM niet wordt genoemd in hoofdstuk VA van de AWR.

4.19.

Belanghebbende heeft ook verzocht om een adequate rentevergoeding over het terug te geven griffierecht. Dit verzoek heeft zij ook bij de Rechtbank gedaan (zie slotzin in pleitnota). De Rechtbank heeft dit verzoek verworpen. Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank dit verzoek (mede) had op moeten vatten als een verzoek om wettelijke rente wegens vertraging in de voldoening van een geldsom. Gelet op Hoge Raad 21 december 2018, nr. 17/04504, ECLI:NL:HR:2018:2358, had de Rechtbank in de zaak 17/4265 dienen te beslissen dat de Inspecteur over het bedrag van € 333 wettelijke rente dient te vergoeden vanaf vier weken na de openbaarmaking van de uitspraak van de Rechtbank op 26 juli 2018 tot aan de dag van algehele voldoening.

4.20.

Voor een rentevergoeding over de periode vanaf de datum van betaling van het griffierecht aan de Rechtbank, ziet het Hof geen reden. Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat deze rentevergoeding uit het Unierecht voortvloeit, dient deze stelling te worden verworpen, gelet op de ontkennende beantwoording van vraag 1. Voorts verplicht de nationale wetgeving niet tot vergoeding van rente over het ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht vanaf de datum van betaling aan de Rechtbank (vgl. HR 19 april 2019, nr. 18/01623, ECLI:NL:HR:2019:623, en HR 24 september 2010, nr. 09/03257, ECLI:NL:HR:2010:BN8049).

4.21.

Er is derhalve geen grond voor enige andere of verdergaande rentevergoeding dan de rentevergoeding vermeld onder 4.17.

4.22.

Voor wat betreft de rentevergoeding over het in hoger beroep betaalde griffierecht, verwijst het Hof naar het hierna onder 4.29 en 4.30 overwogene.

4.23.

Hieruit volgt dat vraag 4 bevestigend dient te worden beantwoord, althans voor wat betreft de rentevergoeding over het terug te geven griffierecht.

Vraag 5: Heeft belanghebbende recht op vergoeding van de werkelijke kosten van bezwaar en werkelijke proceskosten?

4.24.

Bij de uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur een kostenvergoeding van € 738 toegekend. De Rechtbank heeft voorts in de zaak 17/4265 een proceskostenvergoeding van € 501 toegekend. Deze bedragen zijn forfaitair bepaald volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Met de Rechtbank is het Hof van oordeel dat er geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn als bedoeld in artikel 2, lid 3 van het Besluit die nopen tot een vergoeding van de werkelijke proceskosten.

4.25.

Voor wat betreft de proceskosten voor het hoger beroep verwijst het Hof naar het hierna onder 4.34 overwogene.

4.26.

Hieruit volgt dat vraag 5 ontkennend moet worden beantwoord.

Slotsom

4.27.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep van belanghebbende in de zaak 18/00479 gegrond moet worden verklaard en dat de uitspraak van de Rechtbank in de zaak 17/4265 moet worden vernietigd uitsluitend voor zover de Rechtbank geen beslissing heeft gegeven op het verzoek om wettelijke rente over het terug te geven griffierecht. De Inspecteur dient wettelijke rente te vergoeden over een bedrag van € 333 vanaf vier weken na de openbaarmaking van de uitspraak van de Rechtbank op 26 juli 2018 tot aan de dag van algehele voldoening. Het hoger beroep van belanghebbende in de overige zaken moet ongegrond worden verklaard.

Ten aanzien van het griffierecht

4.28.

Nu de uitspraak van de Rechtbank in de zaak 17/4265 wordt vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 508 te vergoeden.

4.29.

Belanghebbende heeft verzocht om een adequate rentevergoeding over het terug te geven griffierecht. Het Hof zal dit verzoek (mede) opvatten als een verzoek om wettelijke rente wegens vertraging in de voldoening van een geldsom. Gelet op het arrest HR 21 december 2018, nr. 17/04504, ECLI:NL:HR:2018:2358, dient de Inspecteur over het bedrag van € 508 wettelijke rente te vergoeden vanaf vier weken na de openbaarmaking van de uitspraak van het Hof op 17 mei 2019 tot aan de dag van algehele voldoening.

4.30.

Voor een rentevergoeding over de periode vanaf de datum van betaling van het griffierecht aan het Hof, ziet het Hof geen reden. Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat deze rentevergoeding uit het Unierecht voortvloeit, dient deze stelling te worden verworpen, gelet op de ontkennende beantwoording van vraag 1. Voorts verplicht de nationale wetgeving niet tot vergoeding van rente over het ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht vanaf de datum van betaling aan het Hof (vgl. HR 19 april 2019, nr. 18/01623, ECLI:NL:HR:2019:623, en HR 24 september 2010, nr. 09/03257, ECLI:NL:HR:2010:BN8049).

Ten aanzien van de proceskosten

4.31.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep in de zaak 18/00479 gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.32.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 512 (waarde per punt) x 0,25 (factor gewicht van de zaak) is € 256.

4.33.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit heeft gemaakt.

4.34.

Het Hof is van oordeel dat er geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn als bedoeld in artikel 2, lid 3 van het Besluit, die nopen tot een vergoeding van de werkelijke proceskosten.

5 Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep in de zaak 18/00479 gegrond;

- vernietigt de uitspraak in de zaak 17/4265 van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover daarbij verzuimd is te beslissen op het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van wettelijke rente over het terug te geven griffierecht;

- veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van wettelijke rente over een bedrag van € 333, te berekenen over de periode vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de openbaarmaking van de uitspraak van de Rechtbank op 26 juli 2018 tot aan de dag van algehele voldoening;

- verklaart de hoger beroepen in de overige zaken ongegrond;

- bevestigt de betreffende uitspraken van de Rechtbank;

- gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 508 vergoedt, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de openbaarmaking van de uitspraak van het Hof op 17 mei 2019 tot aan de dag van algehele voldoening; en

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 256.

Aldus gedaan op 17 mei 2019 door T.A. Gladpootjes, voorzitter, L.B.M. Klein Tank en J.M. van der Vegt, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s‑Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.