Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1877

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-05-2019
Datum publicatie
09-10-2019
Zaaknummer
18/00171 tot en met 18/00174
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:1282, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof is, met in achtneming van het arrest van de Hoge Raad van 29 mei 2015, nr. 13/04993 (ECLI:NL:HR:2015:1360), met de Rechtbank van oordeel dat de Inspecteur, op wie de bewijslast rust, aannemelijk heeft gemaakt dat de Volkswagen, Transporter Syncro (de Transporter), aan de werknemers van belanghebbende in jaren 2011 t/m 2014 ter beschikking is gesteld.

Uitgaande van deze terbeschikkingstelling vloeit uit de regeling van artikel 13bis Wet LB voort dat vermoed wordt dat de Transporter ook voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld en dat dit voordeel tot het loon dient worden te gerekend tenzij belanghebbende aan de tegenbewijsregeling voldoet. Met belanghebbende is het Hof van oordeel dat belanghebbende het verzwaarde tegenbewijs dat de Transporter op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt niet heeft geleverd.

Belanghebbende maakt niet aannemelijk dat de Inspecteur vertrouwen heeft gewekt dat geen voordeel vanwege het ook voor privédoeleinden ter beschikking stellen van de Transporter tot het loon zou hoeven te worden gerekend. Van een impliciete toezegging door de Inspecteur is geen sprake.

Wetsverwijzingen
Wet op de loonbelasting 1964 13bis
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 09-10-2019
V-N Vandaag 2019/2203
FutD 2019-2642
V-N 2019/51.31.4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerken: 18/00171 tot en met 18/00174

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 16 februari 2018, nummer BRE 16/8833 tot en met 16/8836, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde naheffingsaanslagen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende naheffingsaanslagen loonheffingen opgelegd en bij beschikking de volgende bedragen aan heffings- en belastingrente (hierna: rente) in rekening gebracht:

Jaar (tijdvak van 1 jan. t/m 31 dec.)

Aanslagnummer

( [aanslagnummer] )

Loonheffingen

Rente

2011

A.01.150.1

€ 6.539

€ 930

2012

A.01.250.0

€ 7.009

€ 832

2013

A.01.350.0

€ 6.539

€ 581

2014

A.01.450.0

€ 6.539

€ 336

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslagen en rentebeschikkingen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken de bezwaren ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 334.

1.4.

De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.5.

Tegen deze uitspraak van de Rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende in de zaak 18/00171 een griffierecht geheven van € 508. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

De zitting heeft plaatsgehad op 4 april 2019 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, namens belanghebbende, haar gemachtigde [gemachtigde] , alsmede, namens de Inspecteur, mr. [inspecteur] .

1.7.

Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en, door tussenkomst van de griffier, aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.8.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.9.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende is inhoudingsplichtige voor de loonheffingen sinds 28 november 2008 en heeft in de in geschil zijnde jaren werknemers in dienst. De activiteiten van belanghebbende bestaan uit de exploitatie van een tankstation met een shop en de verhuur van vervoermiddelen.

2.2.

In oktober 2010 heeft de Inspecteur een boekenonderzoek ingesteld bij belanghebbende. In dit onderzoek zijn de aangiften loonheffingen over de periode van 1 januari 2009 tot en met 12 oktober 2010 van belanghebbende onderzocht. Het onderzoek richtte zich specifiek op het gebruik van de ter beschikking gestelde (bestel)auto's in de periode van 1 januari 2009 tot aan de datum van het onderzoek. In het eindrapport van 23 november 2010 is daarover opgenomen:

“3. Ter beschikking gestelde (bestel-)auto’s

3.1

Overzicht ter beschikking gestelde (bestel-)auto's

Over de (bestel)auto's met het volgende kenteken is iets op te merken:

Kenteken

Auto

Merk auto

Type auto

Personenauto

of bestelauto

Naam werknemer

[kenteken 1]

[automerk 1]

Transporter 8 persoons busje

Pers.auto

Diverse

[kenteken 2]

[automerk 2]

[type]

Bestelauto

Diverse

[kenteken 1]

[automerk 1]

Transporter

Pers.auto

Diverse

3.2

Afspraken met de belastingdienst

De werkgever heeft geen afspraken gemaakt met de Belastingdienst met betrekking tot ter beschikking gestelde (bestel)auto's.

3.3

Ander bewijs voor wat betreft niet privé gebruiken

De werkgever maakt gebruik van de mogelijkheid om ander bewijs te leveren voor wat betreft niet privé gebruiken van (bestel)auto's.

[kenteken 1] [automerk 1] transporter 8 persoons busje:

Deze auto behoorde in het verleden tot de verhuuractiviteiten van classic cars en dergelijke. Als klanten een personenbusje willen kunnen ze dit busje huren. Deze bus staat op het bedrijfsterrein aan de achterkant van het tankstation achter een hek. De poort van het bedrijfsterrein wordt buiten werktijd afgesloten. Naast verhuur wordt deze bedrijfswagen gebruikt voor het transport van spullen tussen het tankstation op het adres [adres 1] en de detailhandel in levensmiddelen op het adres [adres 2] . Er is geen rittenregistratie bijgehouden. De autosleutels worden beheerd door de bedrijfsleider de heer [A] . De auto wordt niet aan één bepaalde werknemer ter beschikking gesteld. Privégebruik is niet toegestaan. Hiervoor is echter geen schriftelijk verbod op privégebruik overeengekomen. De inhoudingsplichtige is er op gewezen dat de ritten inzake verhuur van deze bus geregistreerd dienen te worden. Daarnaast wordt gewezen op hetgeen in het handboek loonheffingen in paragraaf 18.3.16 "ander bewijs" geen privégebruik meer dan 500 km per jaar is vermeld.”

2.3.

De bevindingen van de controle in 2010 hebben niet tot correcties geleid.

2.4.

Op 22 mei 2015 is namens de Inspecteur een boekenonderzoek ingesteld bij belanghebbende en een aantal andere aan belanghebbende gelieerde vennootschappen (waaronder [B] B.V.). In dit onderzoek is onder andere de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen voor de jaren 2011 tot en met 2014 ten name van belanghebbende onderzocht.

2.5.

De in 2.2. genoemde Transporter [C] met kenteken [kenteken 1] ( hierna: de Transporter) behoort ook in de onderzochte jaren 2011-2014 nog tot de activa van belanghebbende. De Transporter is in deze jaren in het kader van de bedrijfsactiviteiten door verschillende werknemers van belanghebbende gebruikt. De cataloguswaarde van de Transporter is € 36.133.

2.6.

Op basis van de bevindingen van het in onderdeel 2.4 bedoelde onderzoek heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat in de aangiften loonheffingen ten onrechte geen rekening is gehouden met een voordeel uit hoofde van privégebruik van de Transporter als bedoeld in artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet LB). Om die reden heeft de Inspecteur de in onderdeel 1.1 vermelde naheffingsaanslagen opgelegd en de rentebeschikkingen gegeven. Met toepassing van een tarief van 72,4% is voor elk van de gecorrigeerde jaren een bedrag van € 6.539 aan loonheffingen nageheven.

2.7.

Met betrekking tot het jaar 2012 heeft daarnaast een correctie plaatsgevonden voor de onjuiste toepassing van de loonheffingskorting bij een individuele werknemer. Deze correctie bedraagt € 470, zodat de naheffingsaanslag over het tijdvak van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 uitkomt op € 7.009. Laatstgenoemde correctie is niet in geschil.

2.8.

Tot de gedingstukken behoort een schriftelijke verklaring van de voormalige bedrijfsleider van het bedrijf, [A] . In deze verklaring staat onder meer:

“In de periode april 1999 tm maart 2013 ben ik bedrijfsleider geweest bij (…) het tankstation gelegen aan de [adres 1] te [vestigingsplaats] . (…)

De sleutels van de auto’s stonden onder mijn beheer. Als iemand de auto’s nodig had kon de sleutel bij mij opgehaald worden en na gebruik weer bij mij afgeleverd. Buiten werktijd werden de auto’s niet ter beschikking gesteld aan personeel.

Het kwam wel eens incidenteel voor dat de auto’s na werktijd niet geparkeerd stonden op de parkeerplaats. Als dit gebeurde had dit altijd een reden, bijvoorbeeld als een personeelslid de volgende ochtend vroeg een bestelling moest afleveren mocht hij de auto mee naar huis nemen zodat hij de volgende ochtend niet eerst naar het werk hoefde te komen om de auto op te halen.”.

2.9.

In zijn aan de Inspecteur gerichte emailbericht van 2 augustus 2016 heeft belanghebbende met betrekking tot de Transporter het volgende opgemerkt:

“Deze registratie mag blijken uit de bijgevoegde documenten:

  • -

    (…) een agenda

  • -

    De verhuur van de bus werd geregistreerd op een huurovereenkomst (…)

- Uit de ter beschikking staande agenda is af te leiden op welke momenten de [C] , minimaal, is verhuurd. (…)

- De opbrengsten hiervan zijn af te lezen uit de administratie (…)

- Op bijgevoegde lijst is af te leiden welke kilometers op de vaststaande data zijn verreden.

Het is goed mogelijk dat de [C] ook op andere momenten is verhuurd dan op de lijst aangegeven. Op de lijst staan uitsluitend de verhuurmomenten die te koppelen zijn aan de agenda in combinatie met de geregistreerde verhuuropbrengsten. Uit deze informatie blijkt dat de [C] in het jaar 2012 5999 kilometer heeft verreden in de verhuur. De bus werd, zo blijkt uit de verklaring van de bedrijfsleider ook nog ingezet voor andere doeleinden dan die van de verhuur.

De kilometers hiervoor verreden zijn als volgt te recapituleren:

  • -

    Intern gebruik [adres 1] /145 300 dgn * reisafstand vv 4 kilometer* aantal malen per dag 3 * = 3600 km

  • -

    Bezorgdiensten/afhalen goederen 1500 km

  • -

    Inzet leen auto bij Autobedrijf 6 * 200 km 1200 km

Aangevuld met de verhuur kilometers bedraagt het aantal verreden kilometers 12.300, hetgeen overeenstemt met het benaderde aantal verreden kilometers in 2012”.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is of in verband met het gebruik van de Transporter de Inspecteur terecht, op grond van artikel 13bis van de Wet LB, de in geschil zijnde naheffingsaanslagen heeft opgelegd. Ook is in geschil of de Inspecteur vertrouwen heeft gewekt dat geen voordeel vanwege het ook voor privédoeleinden ter beschikking stellen van de Transporter tot het loon zou hoeven te worden gerekend.

3.2.

Belanghebbende is van mening dat de Transporter niet ter beschikking is gesteld. Voorts is zij van mening dat de Inspecteur een in rechte te honoreren vertrouwen heeft gewekt dat geen voordeel vanwege privégebruik van de Transporter tot het loon zou hoeven worden gerekend. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.3.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de hoger beroepen, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraken op bezwaar in die zaken, alsmede van de naheffingsaanslagen over de jaren 2011, 2013 en 2014 en de daarop betrekking hebbende rentebeschikkingen. Met betrekking tot het jaar 2012 concludeert zij tot vermindering van de naheffingsaanslag (en dienovereenkomstig de rentebeschikking) tot het bedrag van de in de naheffingsaanslag begrepen correctie loonheffingskorting. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.5.

Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende verklaard dat zij het met de Inspecteur eens is dat door haar aan de in het eerste lid van artikel 13bis Wet LB opgenomen tegenbewijsregeling, inhoudende dat bewezen wordt dat de auto op kalenderjaarbasis niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt, niet is voldaan.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

In geschil is de toepassing van de in artikel 13bis Wet LB opgenomen regeling die het voordeel vanwege een auto die ook voor privédoeleinden door de werkgever ter beschikking is gesteld, belastbaar stelt. Uit artikel 13bis, lid 1, Wet LB volgt dat de auto in het geval deze ter beschikking is gesteld ook wordt geacht voor privédoeleinden ter beschikking te zijn gesteld. Dit is slechts anders indien blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt (de tegenbewijsregeling).

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de Transporter een “auto” is zoals bedoeld in artikel 13bis Wet LB. Voorts is niet in geschil dat de naheffingsaanslagen - indien het voordeel dient te worden belast omdat de Transporter mede voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld en de werking van het vertrouwensbeginsel zulks niet verhindert - terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

4.3.

Hetgeen partijen verdeeld houdt is of de Transporter aan werknemers van belanghebbende ter beschikking is gesteld. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 29 mei 2015, nr. 13/04993 (ECLI:NL:HR:2015:1360) in dat verband overwogen dat van een dergelijke terbeschikkingstelling geen sprake is in een geval waarin één of meer werknemers die auto slechts besturen ter uitvoering van bepaalde opdrachten van de werkgever of een met deze verbonden lichaam om in diens belang personen of goederen te vervoeren, zodat de feitelijke beschikkingsmacht over de auto bij de werkgever of een met deze verbonden lichaam blijft berusten.

4.4.

Het Hof is, met in achtneming van voormeld arrest, met de Rechtbank van oordeel dat de Inspecteur, op wie de bewijslast rust, aannemelijk heeft gemaakt dat de Transporter aan de werknemers van belanghebbende in de in geschil zijnde jaren ter beschikking is gesteld. Uit de in onderdeel 2.8 opgenomen verklaring van [A] blijkt namelijk dat de werknemers vrijelijk over de Transporter konden beschikken omdat [A] slechts het beheer over de autosleutels uitoefende. Niet was schriftelijk vastgelegd dat de werknemers de Transporter niet voor privédoeleinden mochten gebruiken noch werd door [A] dan wel door anderen op (mogelijk) privégebruik gecontroleerd. Onder deze omstandigheden is het Hof van oordeel dat de Transporter de werknemers feitelijk ter beschikking stond.

4.5.

Uitgaande van deze terbeschikkingstelling vloeit uit de regeling van artikel 13bis Wet LB voort dat vermoed wordt dat de Transporter ook voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld en dat dit voordeel tot het loon dient worden te gerekend tenzij belanghebbende aan de tegenbewijsregeling voldoet.

4.6.

Met belanghebbende is het Hof van oordeel dat belanghebbende het verzwaarde tegenbewijs dat de Transporter op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt niet heeft geleverd. De in onderdeel 2.9 beschreven reconstructie van de (verhuur)rittenadministratie voldoet in dat kader niet omdat gebruik is gemaakt van schattingen en deze slechts ziet op het jaar 2012 en niet op de andere jaren waarover is nageheven.

4.7.

De conclusie is vooralsnog dat de Inspecteur de onderhavige naheffingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen heeft opgelegd alsmede de daarmee samenhangende rente in rekening heeft gebracht.

4.8.

Belanghebbende stelt voorts dat de naheffingsaanslagen, met uitzondering van de over 2012 gecorrigeerde loonheffingskorting, desondanks ten onrechte zijn opgelegd omdat het vertrouwensbeginsel zou zijn geschonden. Belanghebbende stelt onder verwijzing naar het in onderdeel 2.6 opgenomen verslag van het boekenonderzoek uit 2010 dat de controleur destijds door de wijze van verslaglegging en door het niet opleggen van naheffingsaanslagen bij haar redelijkerwijs de indruk heeft gewekt dat zij op een andere wijze dan met een sluitende rittenadministratie het voormelde tegenbewijs had geleverd. Aangezien zij in de jaren waarover is nageheven evenals in de periode waarover het boekenonderzoek uit 2010 zich uitstrekte op een zelfde wijze het gebruik van de Transporter heeft bijgehouden, meent zij dat het beroep op het vertrouwensbeginsel dient te slagen.

4.9.

Belanghebbendes stelling houdt in wezen in dat de Inspecteur door voormelde handelingen een impliciete toezegging heeft gedaan, waar aan hij dient te worden gehouden. Onder voorwaarden kan een dergelijk beroep op het vertrouwensbeginsel slagen. Dit blijkt onder ander uit HR 18 december 1991, nr. 27.127, BNB 1992/182:

'Dit zal zich in het algemeen voordoen, indien de betrokken aangelegenheid verhoudingsgewijs van zodanig belang is dat zij niet aan de aandacht van de met de controle belaste ambtenaren kan zijn ontsnapt, en bovendien de gevolgen voor de belastingheffing van dien aard zijn dat het voor de hand ligt om kritische opmerkingen te maken, zo niet tot naheffing over te gaan. Alsdan zal de inspecteur, door niettemin generlei opmerking te maken en naheffing achterwege te laten, in het algemeen bij de belastingplichtige het gerechtvaardigde vertrouwen wekken dat de wijze waarop deze de betrokken aangelegenheid in fiscaal opzicht heeft behandeld, zijn goedkeuring kan wegdragen.’

4.10.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbendes stelling niet kan slagen en verwijst daarvoor naar de volgende overwegingen van de Rechtbank:

2.25.

In het controlerapport uit 2010 zijn de bevindingen omtrent het gebruik van de Transporter vastgelegd in een hoofdstuk dat is getiteld “Ter beschikking gestelde (bestel-)auto’s”. Vervolgens is onder “3.3 Ander bewijs voor wat betreft niet privé gebruiken” opgenomen dat belanghebbende (aangeduid als de werkgever) gebruik maakt van de mogelijkheid om ander bewijs te leveren voor wat betreft het niet privé gebruiken van (bestel)auto’s. De in 2.5 [Hof: onderdeel 2.2 van de uitspraak van het Hof] geciteerde passage moet dus worden gelezen in de context van de toepassing van de ‘anderszins’-mogelijkheid van artikel 13bis, vierde lid, van de Wet. Naar het oordeel van de rechtbank kan de in 2.5 geciteerde passage in het controlerapport redelijkerwijs geen andere indruk hebben gegeven dan dat ten opzichte van de aangetroffen administratie meer vastlegging nodig was om (na)heffing van loonheffingen in de toekomst te voorkomen.

2.26.

De interpretatie van belanghebbende, dat de administratie beoordeeld en goedgekeurd was, kan naar het oordeel van de rechtbank niet uit de in 2.5 geciteerde passage worden afgeleid. De passage dat de “ritten inzake verhuur van deze bus geregistreerd dienen te worden” is in actieve bewoordingen geschreven en heeft een gebiedend karakter. De zinsnede moet dus worden opgevat als een opdracht aan belanghebbende, betrekking hebbend op de nog komende tijdvakken. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij aan deze opdracht heeft voldaan. Registratie van de ritten behelst ten minste een vastlegging van de tijdstippen waarop de Transporter werd verhuurd en de afstanden die gereden zijn. De gerealiseerde omzet en de vermeldingen in de agenda ‘ [C] verhuurd’ zeggen daar niets over en eventuele huurovereenkomsten zijn niet (meer) beschikbaar. Anders dan belanghebbende verdedigt, is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur in dit geval wel heeft medegedeeld dat de administratie gebreken vertoonde. Van een situatie zoals bedoeld in de door belanghebbende aangehaalde jurisprudentie is geen sprake.

2.27.

De omstandigheid dat voor het jaar 2010 geen naheffing is opgelegd, maakt het bovenstaande niet anders. In het bovenstaande is reeds geoordeeld dat sprake is van een opdracht voor opvolgende tijdvakken. Dat is een kritische opmerking met betrekking tot de administratie. Daaruit moest belanghebbende redelijkerwijs afleiden dat voor de latere jaren een aanpassing van de handelwijze nodig was. Het uitblijven van een naheffing voor het jaar 2010 maakt dat niet anders. Er is geen sprake van een situatie waarin zowel kritische opmerkingen als naheffing achterwege is gelaten, zoals het geval was in het arrest van de Hoge Raad [Hof: HR 7 december 2007, nr. 42.300, ECLI:NL:HR:2007:BB9534] waarnaar belanghebbende in dit kader verwijst.

2.28.

Ook de verwijzing naar de bevindingen van de controle bij [B] B.V. kan belanghebbende niet baten. Aan de handelwijze van de inspecteur in relatie tot een derde kan geen in rechte te honoreren vertrouwen worden ontleend. Daar komt bij dat de naheffingsaanslagen die zijn opgelegd aan [B] B.V. gebaseerd zijn op bevindingen van een andere aard, namelijk een onjuiste berekening van privégebruik dat als zodanig niet in geschil was.

2.29.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel.”

4.11.

In aanvulling hierop is het Hof van oordeel dat ook de verwijzing naar het Handboek loonheffingen (paragraaf 18.3.16) zoals vermeld in onderdeel 2.2 bij belanghebbende redelijkerwijs niet de indruk heeft kunnen wekken dat zij voldeed aan de tegenbewijsregeling en dat ze op de ingeslagen weg kon verder gaan. In voornoemde paragraaf van het Handboek is namelijk verwoord op welke andere wijze dan een sluitende rittenadministratie aan de tegenbewijsregeling kan worden voldaan. Als aanvaardbaar bewijs is genoemd dat met de werknemers schriftelijk wordt afgesproken dat privégebruik niet is toegestaan en dat de kenmerken daarbij (onder andere) zijn dat de werkgever het autogebruik controleert en de bevindingen worden geadministreerd, dat de werknemer niet is verzekerd voor privégebruik en dat de werknemer zelf ook een auto heeft. Voorts is in deze paragraaf vermeld dat het tegenbewijs niet is geleverd indien uitsluitend een schriftelijke afspraak tussen werkgever en werknemer is gemaakt dat privégebruik is verboden. Als daarbij misschien wel een sanctie is opgenomen maar niets over controle van de afspraak, en als ook niet is gebleken dat feitelijk is gecontroleerd, is dat onvoldoende. Evenmin wordt een gespecificeerde schatting van het zakelijk gebruik van de auto en van het woon-werkverkeer als voldoende tegenbewijs beschouwd. Belanghebbende, die ten tijde van de controle in 2010 reeds door haar gemachtigde werd bijgestaan, had in alle redelijkheid deze paragraaf van het Handboek er op na dienen te slaan en had dan in samenhang met de in onderdeel 2.6 vermelde passage van het verslag van het boekenonderzoek niet tot de conclusie kunnen komen dat aan de tegenbewijsregeling was voldaan. Van een impliciete toezegging zoals bedoeld in het in onderdeel 4.9 vermelde arrest is derhalve geen sprake geweest.

Slotsom

4.12.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.13.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.14.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond, en

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 17 mei 2019 door A.J. Kromhout, voorzitter, P.A.M. Pijnenburg en V.M. van Daalen-Mannaerts, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s‑Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.