Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1872

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-05-2019
Datum publicatie
20-05-2019
Zaaknummer
20-002063-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Kraken. Overwegingen over wederrechtelijk vertoeven, rechtmatigheid van de aanhouding, de strafvorderlijke bevoegdheid tot ontruiming ex artikel 551a van het Wetboek van Strafvordering en het gelijkheidsbeginsel.

Een aanhouding op verdenking van een strafbaar feit kan naar het oordeel van het hof niet worden gelijkgesteld met het uitoefenen van de strafvorderlijke bevoegdheid tot ontruiming ex artikel 551a van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis. De benadeelde partij is niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding, met compensatie van de proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Parketnummer : 20-002063-18

Uitspraak : 20 mei 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zitting houdende te Maastricht, van 20 juni 2018 in de strafzaak met parketnummer 03-056604-18 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Spanje) op [geboortedatum in het jaar] 1984,

wonende te [woonadres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘kraken, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis. De benadeelde partij [woningstichting] is niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding en veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de verdachte.

Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het ten laste gelegde, behoudens het medeplegen, bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in haar vordering tot schadevergoeding.

De raadsman van de verdachte heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd, in die zin dat is verzocht toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. De verdediging heeft zich ten slotte op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet in haar vordering tot schadevergoeding kan worden ontvangen.

Vonnis waarvan beroep

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 28 februari 2018 tot en met 22 maart 2018 te Maastricht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in een woning gelegen aan de [adres deel gekraakt complex] , waarvan het gebruik door de rechthebbende was beëindigd, wederrechtelijk is binnengedrongen en/of wederrechtelijk aldaar heeft vertoefd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de periode van 28 februari 2018 tot en met 22 maart 2018 te Maastricht, in een woning gelegen aan de [adres deel gekraakt complex] , waarvan het gebruik door de rechthebbende was beëindigd, wederrechtelijk aldaar heeft vertoefd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard. Meer in het bijzonder is het hof met de verdediging van oordeel dat het bewijs tekort schiet voor de vaststelling dat in de tenlastegelegde periode de verdachte het pand aan de [adres deel gekraakt complex] te Maastricht wederrechtelijk is binnengedrongen. Evenmin kan wettig en overtuigend worden bewezen, zoals bij requisitoir naar voren is gebracht, dat zij tezamen en in vereniging met anderen wederrechtelijk in het pand aan de [adres deel gekraakt complex] heeft vertoefd. Immers, de andere personen die in het procesdossier figureren zijn door de politie aangetroffen in het pand aan de [adres deel gekraakt complex 2] . Mitsdien zal de verdachte in zoverre van hetgeen aan haar ten laste is gelegd worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Limburg, district Zuid-West-Limburg, registratienummer PL2411-2018030632, afgesloten d.d. 23 maart 2018, inhoudende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-136.

1.

Het proces-verbaal van aangifte van 5 maart 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , ambtenaar van politie, dossierpagina’s 3-5, voor zover inhoudende het relaas van voormelde verbalisant en de verklaring van aangever [aangever] namens [woningstichting] te Maastricht:

Op maandag 5 maart 2018 te 9.40 uur, verscheen voor mij, in het politiebureau aan de Prins Bisschopsingel 53 te Maastricht, een persoon die mij opgaf te zijn genaamd: [aangever] . Hij deed aangifte namens het slachtoffer [woningstichting] en verklaarde het volgende:

Ik ben namens het slachtoffer gerechtigd tot het doen van aangifte. Ik ben werkzaam bij [woningstichting] als rayonopzichter. Wij hebben een pand gelegen aan de [adres gekraakt complex] te Maastricht in ons beheer en zodoende ben ik bevoegd tot het doen aangifte van kraken van dit pand en tevens van huisvredebreuk. Hierbij doe ik dan ook aangifte van overtreding van artikel 138a van het Wetboek van Strafrecht. Ik ben tevens belast als projectleider om dit pand te slopen. Het pand is sinds tientallen jaren eigendom van [woningstichting] .

Op woensdag 28 februari 2018 hebben wij, via de wijkagent, vernomen dat het pand [adres gekraakt complex] gekraakt is geworden. Ik ben op woensdag 28 februari 2018 omstreeks 15.00 uur zelf ter plaatse gegaan en zag dat er vreemde mensen in het gebouw aanwezig waren, namelijk twee mannen en een vrouw. Ik heb deze personen aangesproken, hen medegedeeld dat ik werkzaam was bij [woningstichting] en dat dit pand gesloopt ging worden en hen te kennen gegeven het pand direct te verlaten. Ze weigerden dit en zeiden dat zij nu hier wonen en dat wij ( [woningstichting] ) geen vergunning hadden tot sloop van dit pand.

Ik informeerde hen dat er wel degelijk een vergunning was voor het slopen van het pand, echter dat namen zij niet voor waar aan.

Ik heb toen telefonisch contact opgenomen met de politie en even later is er een patrouille ter plaatse gekomen. Ik zag dat de agenten met een vrouw spraken, die zich bekend had gemaakt als de woordvoerster.

De laatste tien appartementen in dit pand staan sinds maandag 19 februari 2018 leeg. Alle appartementen zijn door mij afgesloten. Het pand wordt gesloopt voor nieuwe appartementen in opdracht van woonstichting [woningstichting] .

Doordat het pand [adres gekraakt complex] is gekraakt, is er vertraging opgelopen om over te gaan tot sloop.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

2.
Het proces-verbaal van bevindingen van 22 maart 2018 met als bijlage een foto van verdachte [verdachte] (hof: de foto is identiek aan de foto van de verdachte, welke foto is gemaakt op 27 juli 2016, zie het proces-verbaal van bevindingen p. 100-102), in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] , brigadier van politie, dossierpagina 91-92, voor zover inhoudende het relaas van voornoemde verbalisant:

Aan aangever heb ik drie foto’s laten zien met de vraag: Heeft u deze personen al eerder gezien op de locatie [adres gekraakt complex] te Maastricht? Door de aangever werd mij na het bekijken van de foto’s de volgende mededeling gedaan: Het meisje herken ik wel. Dat is degene met wie ik heb gesproken. (Opmerking hof: de andere foto’s waren afbeeldingen van mannelijke personen, vide p. 93 en p. 94).

3.

Het exploot van betekening van 9 maart 2019 en een schrijven van [advocaat woningstichting] , advocaat van [woningstichting] , van 8 maart 2019, dossierpagina’s 83-86, voor zover inhoudende:

Heden, de negende maart tweeduizendachttien, ten verzoeke van de stichting [woningstichting] , statutair gevestigd en kantoorhoudende te Maastricht, te dezer zake woonplaats kiezende te 6199 AG Maastricht-Airport gemeente Beek, Aziëlaan 22 ten kantore van de advocaat [advocaat woningstichting] , alsmede te 6221 KV Maastricht, Avenue Céramique 140, ten kantore van gerechtsdeurwaarder mr. R.J.V.M. Batta;

heb ik, mr. Ramona Joanna Victor Maria Batta, als gerechtsdeurwaarder gevestigd te (6221 KV) Maastricht en aldaar kantoorhoudende aan de Avenue Céramique 140;

AAN:

zij die verblijven in de gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan, staande en gelegen te (6211 RN) Maastricht, [adres deel gekraakt complex] , aldaar aan dit adres mijn exploot doende en afschrift dezes, alsmede van na te melden stukken, latende aan:

laatstgemeld adres in een gesloten envelop met daarop de vermeldingen als wettelijk voorgeschreven, omdat ik aldaar niemand aantrof aan wie rechtsgeldig afschrift dezes kon worden gelaten;

BETEKEND:

het schrijven d.d. 8 maart 2018 van [advocaat woningstichting] , aan gerekwireerde, bestaande uit 3 pagina’s, na de aanhef en voor de afsluiting bestaande uit 16 alinea’s, waarvan de eerste begint met de woorden “Tot mij wendde zich de stichting [woningstichting] ” en waarvan de laatste eindigt met de woorden “waaronder doch niet uitsluitend begrepen de kosten van juridische bijstand”.

MET AANZEGGING:

dat een afschrift van voornoemd schrijven zal worden gehecht aan het origineel van dit exploot, dat deze brief onlosmakelijk deel uit maakt van dit exploot.

Geschiedende deze betekening en aanzegging ten effecte rechtens, en opdat gerekwireerde op legale wijze kennis draagt van de inhoud van de hierbij betekende brief.


Bijgaand schrijven van [advocaat woningstichting] , advocaat te Maastricht:
Per deurwaardersexploot

Aan een ieder verblijvend in dit pand

[adres gekraakt complex]

6211 RN MAASTRICHT

(…)
Cliënte is eigenaar van de onroerende zaak staande en gelegen aan de [adres gekraakt complex] te Maastricht.

Cliënte heeft geconstateerd dat u het pand op of omstreeks 28 februari 2018 zonder recht of titel in gebruik heeft genomen.

U maakt inbreuk op het eigendomsrecht van cliënte.

(…)

Gelet op hetgeen hiervoor is gesteld heeft cliënte inmiddels aangifte gedaan bij de politie van overtreding van het bepaalde in artikel 138a Sr.

Sommatie

Gelet op hetgeen hiervoor is gesteld verzoek – en indien nodig sommeer – ik een ieder die in het pand verblijft om het pand binnen zeven dagen na betekening van dit exploot te ontruimen en ontruimd te houden. Ik verzoek u mij per ommegaande te bevestigen dat u hiertoe zult overgaan.

4.
Het proces-verbaal van aanhouding van 22 maart 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , brigadiers van politie, dossierpagina’s 95-96, voor zover inhoudende het relaas van voornoemde verbalisanten:

Op donderdag 22 maart 2018 omstreeks 9.30 uur, hielden wij op de locatie [adres deel gekraakt complex] , 6211 RN Maastricht, als verdachte aan:

[verdachte] , geboren op [geboortedatum in het jaar] 1984 te [geboorteplaats] in Spanje.

Op donderdag 22 maart 2018 waren wij gekleed in uniform in het trappenhuis waarvan de woning [adres deel gekraakt complex] te Maastricht deel uitmaakt. In het trappenhuis zagen wij de verdachte staan en deelden haar mede dat wij aanwezig waren voor het feit dat wij een voorgenomen ontruiming kwamen aankondigen en dat alle aanwezige personen in het gehele pand werden aangehouden. Hierop liep de verdachte een woning in aan de [adres deel gekraakt complex] . Wij deelden haar mede dat wij in het bezit waren van een schriftelijke machtiging ter binnentreding en ter aanhouding en dat zij aangehouden was.

5.

Het proces-verbaal van binnentreden in woning van 22 maart 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant 4] , brigadier van politie, dossierpagina’s 106-107, voor zover inhoudende het relaas van voornoemde verbalisant:

Op donderdag 22 maart 2018 omstreeks 09.28 uur, trad ik binnen in de woning [adres deel gekraakt complex] , 6211 RN Maastricht. Ik betrad die woning ter aanhouding van [verdachte] , geboren op 20 juni 1984 te [geboorteplaats] in Spanje, krachtens een machtiging van de hulpofficier van justitie [hulpofficier van justitie] , inspecteur van de politie-eenheid Limburg. De voornoemde machtiging was op 22 maart 2018 afgegeven op grond van artikel 55 van het Wetboek van Strafvordering. In de woning werd de verdachte [verdachte] aangehouden.

6.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 22 maart 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , hoofdagenten van politie, dossierpagina’s 122-125, voor zover inhoudende de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] :

Vraag verbalisanten:
Weet u wie de eigenaar is van het pand?

Antwoord medeverdachte:

Ja, een woonbedrijf. Daarvoor moet u bij [verdachte] zijn (het hof begrijpt: verdachte). Zij heeft contact gehad met de advocaat en de eigenaar.

Vraag verbalisanten:
Sinds wanneer verbleef u in het pand?

Antwoord medeverdachte:
Sinds vier weken ongeveer.

Vraag verbalisanten:
Met wie verbleef u in het pand?

Antwoord medeverdachte:
Met [vriend verdachte] en [verdachte] .

7.
Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, tweede meervoudige kamer voor strafzaken, van 6 mei 2019, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] :

Mijn vriend woonde in het pand aan de [adres gekraakt complex] te Maastricht. [vriend verdachte] heet hij. Ze hebben mij daar opgepakt. Ik was daar vaak bij mijn vriend en logeerde daar regelmatig.

Ik heb wel van [aangever] gehoord dat wij daar niet mochten zijn. Ik heb dat doorgegeven aan de andere aanwezige personen, namelijk [vriend verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Ik trad op als woordvoerster voor de aanwezigen in het pand.

Bewijsoverwegingen


De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit. Daaraan is in de kern het volgende ten grondslag gelegd. Allereerst kan volgens de raadsman niet worden bewezen dat de verdachte wederrechtelijk in het pand aan de [adres gekraakt complex] heeft vertoefd, omdat de enkele omstandigheid dat verdachte aldaar verbleef niet voldoende is. Voorts was in de visie van de verdediging sprake van een aanhouding buiten heterdaad, waarvoor een machtiging van de officier van justitie is vereist. Nu deze machtiging ontbreekt is de aanhouding onrechtmatig geweest en dient het feit dat verdachte op de plaats delict is aangetroffen te worden uitgesloten van het bewijs.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Aangever [aangever] , als rayonopzichter werkzaam bij [woningstichting] te Maastricht, heeft verklaard dat hij op 28 februari 2018 in het pand aan de [adres gekraakt complex] te Maastricht twee mannen en een vrouw aantrof die voor hem onbekend waren. Hij heeft deze personen aangesproken, hen medegedeeld dat hij werkzaam was bij de woningstichting en dat het pand gesloopt ging worden. Voorts gaf hij hen te kennen dat zij het pand direct dienden te verlaten. Dat weigerden zij.

Aan aangever is door de politie een drietal foto’s getoond. Hij herkende daarop de vrouw met wie hij op 28 februari 2018 heeft gesproken. De persoon op die foto is de verdachte.

Op 9 maart 2018 is ten verzoeke van [woningstichting] aan hen die verblijven aan de [adres deel gekraakt complex] te Maastricht bij deurwaardersexploot een brief betekend waarbij een ieder die in het pand verblijft is gesommeerd om binnen zeven dagen na betekening van het exploot het pand te ontruimen en ontruimd te houden.

De verdachte is door de politie op 22 maart 2018 aangehouden nadat zij de woning aan de [adres deel gekraakt complex] te Maastricht was ingelopen.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie op 22 maart 2018 verklaard dat hij sinds ongeveer 4 weken samen met onder meer de verdachte in het betreffende pand verbleef.

De verdachte heeft ten overstaan van het hof verklaard dat zij vaak bij haar vriend [vriend verdachte] was, welke verbleef in het pand aan de [adres gekraakt complex] te Maastricht. Zij logeerde daar regelmatig en trad op als woordvoerster van de aldaar overige aanwezige personen, te weten haar vriend [vriend verdachte] (van wie de achternaam onbekend is gebleven), [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . De verdachte verklaarde voorts dat zij van aangever [aangever] heeft vernomen dat zij niet in het pand mochten zijn en dat zij dit heeft doorgegeven aan de andere personen die in het pand verbleven.

Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat de verdachte in de periode van 28 februari 2018 tot en met 22 maart 2018 in de woning gelegen aan de [adres deel gekraakt complex] te Maastricht wederrechtelijk heeft vertoefd. Niet is gebleken van enig eigen, aan het objectieve recht te ontlenen recht of bevoegdheid van de verdachte om in het pand te verblijven. Aldus faalt de stelling van de raadsman dat geen sprake is geweest van wederrechtelijk vertoeven als bedoeld in artikel 138a van het Wetboek van Strafrecht.

Het wederrechtelijk vertoeven in de woning is naar ’s hofs oordeel een voortdurend delict. Toen de verdachte op 22 maart 2018 door de politie werd aangehouden, was derhalve sprake van een heterdaadsituatie. Reeds omwille van het feit dat de aanhouding op heterdaad heeft plaatsgevonden, waarvoor geen machtiging van de (hulp)officier van justitie is vereist, kan van bewijsuitsluiting geen sprake zijn.

Het hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al hun onderdelen.

Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

kraken.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep in het kader van zijn straftoemetingspleidooi betoogd dat de ontruiming van de woning aan de [adres deel gekraakt complex] te Maastricht onrechtmatig is geweest. Volgens de raadsman is namelijk in strijd gehandeld met de beleidsbrief van het College van procureurs-generaal d.d. 30 november 20101, in het bijzonder omdat de verdachte niet de gelegenheid heeft gehad om tegen de voorgenomen ontruiming een kort geding aan te spannen. Daardoor is inbreuk gemaakt op artikel 8 van het EVRM. De raadsman heeft in dat verband verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 10 december 2013.2

Het hof stelt vast dat dienaangaande uit het onderzoek ter terechtzitting het volgende naar voren is gekomen.

Bij brief van 22 maart 2018 van de (hoofd)officier van justitie te Maastricht is aan degenen die wonen of vertoeven in een van de panden gelegen aan de [adres gekraakt complex] in de gemeente Maastricht, derhalve ook aan de verdachte, aangezegd dat zij worden verdacht van (onder meer) overtreding van art. 138a van het Wetboek van Strafrecht, dat zij worden verzocht het pand te ontruimen en dat de (hoofd)officier van justitie voornemens is om deze panden te laten ontruimen.3 In de brief wordt medegedeeld dat de ontruiming zal plaatsvinden binnen acht weken na de dagtekening van de aankondiging, te weten uiterlijk op 17 mei 2018, dat men een kort geding kan aanspannen en dat daarom de eerste zeven dagen van de termijn van acht weken niet tot ontruiming zal worden overgegaan. Voorts wordt medegedeeld dat als op uiterlijk 30 maart 2018 een dagvaarding is uitgebracht met daarin een datum en tijd van behandeling van het kort geding, zal worden gewacht met ontruiming totdat vonnis is gewezen.

Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] hebben de verdachte op 22 maart 2018 ter plaatse aangehouden.4 Zij beschikten daarbij over een machtiging tot binnentreden van de woning aan de [adres deel gekraakt complex] te Maastricht op grond van de artikelen 53 juncto 55 van het Wetboek van Strafvordering ter aanhouding op heterdaad op verdenking van overtreding van artikel 138a van het Wetboek van Strafrecht.5 Hieruit volgt dat sprake was van een aanhouding van verdachte als bedoeld in de artikelen 53 en 55 van het Wetboek van Strafvordering wegens verdenking van een strafbaar feit en dat derhalve geen sprake was van een verwijdering van de verdachte als bedoeld in artikel 551a van het Wetboek van Strafvordering.

Een aanhouding op verdenking van een strafbaar feit kan naar het oordeel van het hof niet worden gelijkgesteld met het uitoefenen van de strafvorderlijke bevoegdheid tot ontruiming ex artikel 551a van het Wetboek van Strafvordering. Uit het procesdossier is niet gebleken, noch is zulks anderszins aannemelijk geworden, dat op 22 maart 2018 of binnen 7 dagen nadien een strafrechtelijke ontruiming heeft plaatsgehad.

Het feit dat de aanzeggingsbrief van de (hoofd)officier van justitie op dezelfde dag is gedateerd als de dag waarop verdachte is aangehouden, sterkt het hof in zijn conclusie dat de woning niet strafrechtelijk werd ontruimd.

Het hof is mitsdien van oordeel dat het verweer feitelijke grondslag mist, aangezien niet is komen vast te staan dat de woning op 22 maart 2018 of binnen 7 dagen nadien is ontruimd. Bijgevolg was geen sprake van een onrechtmatige ontruiming. Het hof verwerpt het verweer.

De raadsman heeft voorts nog ten verwere aangevoerd dat aan medeverdachte [medeverdachte 2] bij strafbeschikking een geldboete is opgelegd, terwijl de verdachte door de politierechter is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf. Die beslissing is in de visie van de verdediging in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Het hof stelt voorop dat de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit eraan in de weg staan om te volstaan met oplegging van een geldboete, nog daargelaten dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] niet in dezelfde bewijs- en/of strafrechtelijke positie verkeren. Immers, de verdachte vertoefde – anders dan haar medeverdachte – gedurende langere tijd wederrechtelijk in de woning en wierp zich op als woordvoerster van de andere personen die aldaar aanwezig waren. Het hof is derhalve van oordeel dat van gelijke gevallen geen sprake is. Daarom kan van afwijking van een bestendig patroon van beslissen in een groot aantal vergelijkbare gevallen evenmin sprake zijn. Aldus faalt het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel.

Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan kraken. De verdachte heeft op deze wijze inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de eigenaar van het appartementencomplex. Ook kan kraken, naast eventuele schade, veel overlast geven. Daarvan is in de onderhavige zaak sprake, aangezien er vertraging is opgelopen in de sloop van het betreffende pand waarin de verdachte wederrechtelijk heeft vertoefd. Dit pand diende plaats te maken voor de bouw van nieuwe appartementen.6

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 22 februari 2019, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat zij eerder onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld.

Het hof is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf, zoals door de raadsman is bepleit. Naar het oordeel van het hof zou in dat geval in het geheel geen recht worden gedaan aan de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit. Hoewel de advocaat-generaal zulks eveneens heeft onderkend, komt in de door hem gevorderde taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, de ernst van het bewezenverklaarde feit onvoldoende tot uitdrukking, zodat daarmee naar ’s hofs oordeel eveneens niet kan worden volstaan. Het hof zal weliswaar overgaan tot oplegging van een taakstraf, maar wel van langere duur dan door de advocaat-generaal is gevorderd. Daarenboven acht het hof, evenals de advocaat-generaal, het geboden de verdachte tevens te veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf. Met oplegging van deze voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Alles afwegende acht het hof, gelijk de politierechter heeft gevonnist, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis, passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [woningstichting]

De benadeelde partij [woningstichting] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van een bedrag van € 5.331,16 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op gemaakte kosten voor het opruimen en afvoeren van beschadigde en vervuilde objecten in het pand als gevolg van het kraken. Voorts is een bedrag van € 314,50 aan proceskosten gevorderd.

De politierechter heeft de vordering bij vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard en de benadeelde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de verdachte.

De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.

De verdediging heeft in hoger beroep de vordering inhoudelijk betwist. De raadsman heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding. In de kern is daartoe aangevoerd dat ter zake van de gevorderde schadevergoeding de causaliteit met het ten laste gelegde niet kan worden vastgesteld, althans dat daartoe onvoldoende is gesteld.

Het is het hof onvoldoende duidelijk of, en zo ja, in hoeverre de gestelde opruimkosten rechtstreeks verband houden met het bewezen verklaarde. Dat geldt temeer nu een factuur van die kosten ontbreekt. Het hof is van oordeel dat een nader onderzoek naar de causaliteit een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Mitsdien zal de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk worden verklaard. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Gelet op het voorgaande ziet het hof termen aanwezig om de proceskosten te compenseren in dier voege dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 138a van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken;

bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis;


verklaart de benadeelde partij [woningstichting] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door:

mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven, voorzitter,

mr. K.J. van Dijk en mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.N. van Veen, griffier,

en op 20 mei 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Beleidsbrief van het College van procureurs-generaal d.d. 30 november 2010 betreffende het voorlopig te volgen beleid bij voorgenomen strafrechtelijke ontruimingen, Stcrt. 2010, nr. 19500.

2 Hoge Raad 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1729.

3 Brief van de (hoofd)officier van justitie van het arrondissementsparket te Maastricht d.d. 22 maart 2018 inzake de aanzegging tot ontruiming van de panden [adres gekraakt complex] in de gemeente Maastricht, dossierpagina 10.

4 Proces-verbaal van aanhouding d.d. 22 maart 2018, p. 95-96; Proces-verbaal van binnentreden in woning d.d. 22 maart 2018, p. 106-107.

5 Machtiging tot binnentreden ex artikel 53 jo. artikel 55 van het Wetboek van Strafvordering in de woning aan de [adres deel gekraakt complex] te Maastricht, p. 104-105.

6 Proces-verbaal van aangifte door [aangever] namens [woningstichting] , dossierpagina 4.