Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1859

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-05-2019
Datum publicatie
25-02-2021
Zaaknummer
200.253.396_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2021:540
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

NIFP-onderzoek bevestigt dat uithuisplaatsing op goede gronden heeft plaatsgevonden. De rapportage is tevens van waarde voor andere te nemen beslissingen, nu de onderhavige zaak onderdeel uit maakt van een keten van elkaar opvolgende en met elkaar samenhangende besluiten en daarvan niet los kan worden gezien. Daarom is reeds eerder door het hof geoordeeld dat het onderzoek mede tot beslissing van de zaak kan leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 16 mei 2019

Zaaknummer : 200.253.396/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/349954 / JE RK 18-1737

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. E. Sijnesael,

tegen

Stichting Intervence,

gevestigd te [vestigingsplaats],

verweerster,

hierna te noemen: de GI.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- [pleegouders] (hierna te noemen: de pleegouders).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest-Nederland, locatie [locatie],

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 14 november 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 januari 2019, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en - opnieuw rechtdoende - het verzoek van de GI alsnog af te wijzen, dan wel (subsidiair) alsnog op grond van artikel 810a Rv een deskundige te benoemen, kosten rechtens.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 april 2019.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Sijnesael;

  • -

    mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI;

  • -

    de heer [pleegvader] (hierna: de pleegvader).

2.3.1.

De raad is, met kennisgeving vooraf, niet ter zitting verschenen.

2.3.2.

Mevrouw [mentor], mentor van de moeder, was als toehoorder aanwezig.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de brief met bijlage van de GI d.d. 18 maart 2019.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de moeder is - voor zover hier van belang - op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige]) geboren.

3.2.

[minderjarige] staat sinds 15 mei 2018 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling loopt tot 15 mei 2019.

3.3.

[minderjarige] is sinds 15 mei 2018 op grond van een daartoe strekkende machtiging uit huis geplaatst. [minderjarige] woont sinds 9 februari 2018 in het huidige pleeggezin.

3.4.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de aan de GI verleende machtiging uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 15 november 2018 tot 15 mei 2019.

3.5.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting in hoger beroep
- zakelijk weergegeven - het volgende aan.

Er is niet voldaan de vereisten voor een uithuisplaatsing. De situatie bij de moeder is veilig.

De moeder is in de winter van 2017 ernstig ziek geworden en zij heeft destijds op vrijwillige basis hulpverlening gezocht bij Intervence. Aangezien de moeder na haar ziekenhuisopname moest revalideren, is [minderjarige] in overleg met de moeder in een pleeggezin geplaatst. Geheel onverwacht is er vervolgens overgegaan tot een uithuisplaatsing, terwijl er vóór de ziekenhuisopname en tijdens haar verblijf in de revalidatie instelling (zelfs) geen gronden voor een ondertoezichtstelling waren.

De ondertoezichtstelling is in het verleden (in september 2017) niet voor niets beëindigd. Er waren geen zorgen over de opvoedcapaciteiten van de moeder noch waren er zorgen over [minderjarige]. De moeder is zodanig hersteld dat zij de zorg voor [minderjarige] aankan.

De moeder en [minderjarige] zijn als twee handen op één buik. De uithuisplaatsing is voor [minderjarige] heel angstig geweest en [minderjarige] mist haar moeder nog steeds heel erg. [minderjarige] en haar moeder waren altijd samen, terwijl er nu bijna geen contact meer is. Er is een regeling waarbij er slechts anderhalf uur per zes weken begeleid contact is. De moeder krijgt bovendien nauwelijks informatie.

In het belang van [minderjarige] wil de moeder aan alles meewerken.

De moeder staat open voor hulpverlening en/of voor opname in een moeder-kindhuis. Dit laatste is immers nooit van de grond gekomen.

De moeder heeft al hulpverlening in huis en deze kan zonodig worden uitgebreid ten behoeve van [minderjarige]. De thuissituatie van de moeder is veilig, nu de ex-partner van de moeder ([ex-partner]) volledig uit beeld is. Ten onrechte worden politiemeldingen voor waar aangenomen, terwijl de moeder ook kan aantonen dat zij ten tijde daarvan nog in de revalidatievoorziening verbleef.

De rechtbank is daarnaast ten onrechte voorbij gegaan aan het verzoek om een deskundige te benoemen. De moeder heeft recht op een deugdelijk onderzoek. In dit onderzoek kunnen de opvoedvaardigheden van de moeder worden onderzocht en kan onderzocht worden wat de mogelijkheden zijn voor een thuisplaatsing. Mocht uit het onderzoek blijken dat de moeder onvoldoende pedagogische vaardigheden heeft of mocht blijken dat er geen mogelijkheden zijn voor een thuisplaatsing, dan kan in het onderzoek worden meegenomen welke mogelijkheden er zijn voor een goede zorgregeling. De moeder kan zich in dat geval beter neerleggen bij de plaatsing in het pleeggezin en zal dan een start kunnen maken met de acceptatie hiervan.

Wanneer het perspectief van [minderjarige] in het pleeggezin vaststaat, dan hoopt de moeder een mediationtraject met de pleegouders te kunnen starten.

3.7.

De GI voert ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende aan.

De GI stelt zich op het standpunt dat het perspectief van [minderjarige] in het pleeggezin ligt.

Er is al een verlenging van de uithuisplaatsing aangevraagd. Verder heeft de raad recent aan de rechtbank verzocht om het gezag van de moeder te beëindigen.

Het is van belang dat er duidelijkheid voor [minderjarige] komt. In het verleden zijn er al veel vormen van hulpverlening ingezet, maar die hebben onvoldoende verandering teweeg gebracht. Sinds [minderjarige] in het pleeggezin verblijft is er door de GI geen hulpverlening meer bij de moeder ingezet. Het is belangrijk dat [minderjarige] blijft in het gezin waar zij nu is, want zij is gebaat bij duidelijkheid over haar toekomstperspectief, aldus de GI.

De moeder heeft onvoldoende inzicht in haar eigen mogelijkheden en zij kan [minderjarige] geen stabiele thuissituatie bieden. Er komen nog steeds politiemeldingen over de moeder binnen en de moeder kent een verleden met ex-partners, waarbij er veel huiselijk geweld heeft plaatsgevonden. [minderjarige] heeft hiervan veel meegekregen.

[minderjarige] maakt zich bovendien veel zorgen om haar moeder en kan in zoverre geen kind zijn. Het is voor haar van belang dat ze rust krijgt en dat ze weet dat ze bij de pleegouders mag blijven.

Het is daarnaast noodzakelijk dat de contactregeling met de moeder begeleid wordt, omdat de moeder naar [minderjarige] toe belastende uitspraken doet.

In gesprekken met de moeder toont zij zich respectloos en stelt zij zich dreigend op, ook naar de pleegouders toe. Dit maakt het onmogelijk om met de moeder samen te werken. De door de moeder gevraagde contra-expertise zal weer onrust en onduidelijkheid bij [minderjarige] veroorzaken.

3.8.

De pleegvader heeft ter zitting - zakelijk weergegeven - als volgt verklaard.

Het gaat goed met [minderjarige], hoewel ze nog wel veel driftbuien heeft. Op school gaat het ook goed en is ze meestal erg vrolijk.

De pleegvader wijt de driftbuien van [minderjarige] aan het feit dat zij last heeft van het moeten scheiden van haar twee werelden, waarbij zij geen emotionele toestemming van haar moeder krijgt om in het pleeggezin te mogen zijn.

Het contact tussen de pleegouders en de moeder is niet goed. De moeder heeft beledigende uitspraken naar de pleegouders gedaan en hierdoor voelen zij zich door haar bedreigd.
De pleegvader staat er wel voor open om het contact met de moeder te herstellen.

De moeder zal altijd een belangrijke rol in het leven van [minderjarige] blijven spelen. Voor de pleegouders staat het belang van [minderjarige] op de eerste plaats.

3.9.

Het hof overweegt het volgende.

3.9.1.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is onder meer het volgende gebleken.

[minderjarige] is in het verleden een aantal keer onder toezicht gesteld van de GI, omdat er in de thuissituatie sprake was van huiselijk geweld en de moeder onvoldoende stabiliteit en veiligheid aan [minderjarige] kon bieden.

Eind 2017 is de moeder ernstig ziek geworden. Een opname in het ziekenhuis en aansluitend een opname in een voorziening voor revalidatie volgden, wat maakte dat zij voor een langere periode niet voor [minderjarige] kon zorgen. Hierdoor zag de moeder zich genoodzaakt om [minderjarige] tijdelijk, via de bemiddeling van de GI, in een pleeggezin te laten plaatsen. Kort voor het einde van het revalidatietraject van de moeder heeft de GI opnieuw een verzoek tot ondertoezichtstelling ingediend en is tevens verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] (in het pleegezin waar zij tot die tijd verbleef) te verlenen.

Dit alles heeft ertoe geleid dat [minderjarige] al ruim een jaar in het huidige pleeggezin verblijft.

3.9.2.

Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de noodzaak tot verlenging van de uithuisplaatsing. Voor het hof is duidelijk dat een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder vóór afloop van de in de bestreden beschikking bepaalde termijn van de uithuisplaatsing, te weten tot 15 mei 2019, niet tot de mogelijkheden behoort, gelet op de zorgen over de opvoedvaardigheden van de moeder. Ook de moeder acht een terugkeer van [minderjarige] vóór afloop van de huidige machtiging niet mogelijk; ter zitting heeft zij in dit verband aangegeven dat [minderjarige] het beste de zomervakantie kan gebruiken om bij haar te komen wonen.

3.9.3.

De moeder wil met haar subsidiaire verzoek ingevolge artikel 810a lid 2 Rv bereiken dat wordt onderzocht wat haar mogelijkheden zijn om [minderjarige] zelf te verzorgen en op te voeden.

3.9.4.

In zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen benoemt de rechter op grond van artikel 810a lid 2 Rv op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.

Met het recht op contra-expertise van artikel 810a lid 2 Rv is beoogd te bevorderen dat ouders van een minderjarige een standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming in een zaak over een maatregel van jeugdbescherming die wezenlijk ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven, desgewenst gemotiveerd kunnen weerspreken (HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632, rov. 3.3.2). Deze ratio geldt ook als het gaat om een standpunt van een gecertificeerde instelling, aldus HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:575.
Artikel 810a lid 2 Rv spreekt weliswaar van “zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen”, maar aangenomen moet worden dat daaronder ook vallen zaken als de onderhavige, waarin het gaat om de uithuisplaatsing van minderjarigen. In dit verband is van belang dat het wettelijk stelsel inhoudt dat een uithuisplaatsing slechts mogelijk is in het kader van een ondertoezichtstelling (artikel 1:265b lid 1 BW). De hiervoor genoemde ratio van artikel 810a lid 2 Rv speelt bij uithuisplaatsingen een nog grotere rol dan bij de enkele ondertoezichtstelling, omdat een uithuisplaatsing als maatregel van kinderbescherming dieper ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven dan de enkele ondertoezichtstelling (zie HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:575).

3.9.5.

Naar het oordeel van het hof is voldaan aan de hiervoor genoemde voorwaarden voor toewijzing van het verzoek.

3.9.6.

Anders dan de GI is het hof van oordeel dat het belang van [minderjarige] zich niet verzet tegen het door de moeder verzochte onderzoek. Het hof acht hiertoe met name van belang dat [minderjarige] pas een relatief korte periode in het huidige pleeggezin verblijft en daarvoor grotendeels bij de moeder heeft gewoond.

Het verzoek van de moeder is voldoende concreet en ter zake dienend.

Het hof acht het in het belang van [minderjarige] dat snel duidelijkheid komt over de opvoedvaardigheden van de moeder en de mogelijkheid van [minderjarige] om weer bij de moeder te wonen. Nu het verzoek van de moeder tot benoeming van een deskundige op grond van artikel 810a lid 2 Rv bij de rechtbank niet is gehonoreerd, er inmiddels al een verlengingsprocedure van de uithuisplaatsing bij de rechtbank aanhangig is en de raad een verzoek heeft ingediend voor gezagsbeëindiging van de moeder over [minderjarige], acht het hof het aangewezen dat nu een onderzoek ingevolge artikel 810a lid 2 Rv wordt gelast. De onderhavige zaak maakt immers onderdeel uit van een keten van elkaar opvolgende en met elkaar samenhangende besluiten en kan daarvan niet los worden gezien. Dit maakt dat het onderzoek vanuit dit perspectief bezien tot beslissing van de zaak kan leiden.

3.10.

Het hof acht niet enkel van belang dat er onderzoek wordt gedaan naar de mogelijkheden van de moeder, maar ook dat er meer zicht komt op de gehechtheid en het welzijn van [minderjarige] en de oorzaken van haar (mogelijke) kindeigen problematiek.

3.11.

Het hof is voornemens om op grond van het voorgaande aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) opdracht te geven om een deskundige voor te dragen.

3.12.

Alvorens hiertoe over te gaan stelt het hof de partijen in de gelegenheid om een eigen deskundige voor te dragen en een voorstel te doen over de mogelijke onderzoeksvragen.

3.13.

Het hof heeft voorlopig de volgende (concept-)onderzoeksvragen geformuleerd.

- Beschikt de moeder over voldoende pedagogische vaardigheden om toe te kunnen werken naar een thuisplaatsing van [minderjarige] en sluiten deze vaardigheden aan bij hetgeen zij, nu en in de toekomst nodig heeft?

  • -

    Indien de moeder thans niet over voldoende pedagogische vaardigheden beschikt om toe te werken naar een thuisplaatsing van [minderjarige], bestaan er mogelijkheden deze vaardigheden te ontwikkelen en, zo ja, welke hulpverlening is daarvoor aangewezen en welke termijn is daarmee gemoeid?

  • -

    Hoe gaat het met [minderjarige] en is er bij haar sprake van kindeigen problematiek?
    Te denken valt aan haar psychologische, sociale en emotionele ontwikkeling.

  • -

    Zijn er (contra-)indicaties voor thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder? Zo ja, welke zijn dat?

  • -

    Welke zorgregeling tussen [minderjarige] en de moeder komt tegemoet aan de belangen van [minderjarige] indien zij verder opgroeit in een pleeggezin?

- In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren, die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar die wel van belang zijn met betrekking tot de te nemen beslissingen?

3.14.

Het hof wijst de partijen en/of belanghebbenden er reeds op dat zij wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door een deskundige.

Daarmee wordt mede bedoeld dat het NIFP en/of de deskundige kennis dient te nemen van het procesdossier en eventuele andere noodzakelijke stukken.

3.15.

Partijen en belanghebbenden zullen tot uiterlijk 3 juni 2019 in de gelegenheid worden gesteld om zich uit te laten over hetgeen in rov. 3.12 en 3.13 is overwogen.

3.16.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

4 De beslissing

Het hof:

stelt partijen en/of belanghebbenden tot uiterlijk 3 juni 2019 in de gelegenheid zich uit te laten over:

- de naam van een te benoemen deskundige en

- de aan de deskundige voor te leggen onderzoeksvragen;

houdt iedere overige beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, J.C.E. Ackermans-Wijn en P. Vlaardingerbroek en is op 16 mei 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. C.E.M. Geertsma-van Ooijen, griffier.