Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:185

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
10-07-2019
Zaaknummer
200.187.324_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:1435
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:3335
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:5483
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:1200
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:2343
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:3849
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:1697
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:2370
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

erfrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.187.324/01

arrest van 22 januari 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

verder: [appellant] ,

advocaat: mr. G.G.J. van Kooten te Veldhoven,

tegen:

1 [geïntimeerde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

verder: [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ,

advocaat: mr. A.B. Noordhof te Eindhoven,

als vervolg op de tussenarresten van dit hof van 4 april 2017, 25 juli 2017, 12 december 2017, 20 maart 2018, 5 juni 2018 en 18 september 2018 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, onder zaaknummer 4324340/rolnummer 15/8257 tussen partijen gewezen vonnis van 26 november 2015.

21 Het verdere verloop van het geding

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 18 september 2018;

- de akte van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] van 16 oktober 2018 met producties;

- de antwoordakte van [appellant] van 13 november 2018 met een productie.

Partijen hebben arrest gevraagd.

22 De verdere beoordeling

22.1

Bij tussenarrest van 18 september 2018 heeft het hof [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] opgedragen bij akte in het geding te brengen:

  • -

    bescheiden waaruit blijkt wat de opbrengst van de 45-km wagen is geweest en waar die opbrengst naar toe is gegaan;

  • -

    alle afschriften van spaarrekening [spaarrekening] van de erflater vanaf 11 september 2009 tot heden dan wel tot het moment van de eventuele opheffing ervan.

22.2

Naar aanleiding hiervan hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] laten weten dat zij geen informatie hebben over de 45-km wagen. De afschriften van spaarrekening [spaarrekening] van de erflater hebben zij overgelegd, alsmede de aangifte IB 2013 die op 14 juni 2018 aan [appellant] is verstrekt.

22.3

In zijn antwoordakte heeft [appellant] met betrekking tot de overgelegde afschriften geen bezwaren kenbaar gemaakt. Met betrekking tot de 45-km wagen heeft [appellant] de mededeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] bestreden. Hij heeft hierbij informatie uit het RDW-kentekenregister van 26 oktober 2018 overgelegd waaruit blijkt dat van 10 augustus 2012 tot 30 oktober 2014 een AIXAM K2 diesel met kenteken [kenteken] geregistreerd is geweest op naam van erflater [erflater] . [appellant] leidt hieruit af dat deze 45-km wagen ten tijde van het overlijden van erflater op 11 september 2014 op diens naam geregistreerd stond en na diens overlijden is verkocht. Volgens [appellant] kan dat alleen door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zijn gedaan.

22.4

De informatie uit het RDW-kentekenregister doet twijfel rijzen over de juistheid van de door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] op dit resterende punt verstrekte informatie. Zij hebben nog niet kunnen reageren op deze laatste productie. Het hof zal hen daartoe in de gelegenheid stellen.

22.5

In zijn antwoordakte vermeldt [appellant] dat hij van de procesadvocaat van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] heeft vernomen dat [geïntimeerde 2] is overleden. Volgens [appellant] is er geen aanleiding de procedure van artikel 225 Rv te volgen en zal het na de aktewisseling te wijzen arrest hebben te gelden jegens [geïntimeerde 1] en de rechtsopvolgers onder algemene titel van [geïntimeerde 2] .

22.6

Het hof overweegt hierover het volgende. Na het overlijden van een partij kan de procedure op grond van het bepaalde in artikel 225 Rv worden geschorst. Het hof constateert dat in dit geval geen verzoek tot schorsing is gedaan. Dat betekent dat het geding niet is geschorst en dat moet worden voortgeprocedeerd op naam van de oorspronkelijke procespartij, en niet op naam van rechtsopvolgers.

22.7

Het hof stelt vast dat de kwestie van de 45-km wagen de laatste kwestie die in dit hoger beroep beslist dient te worden. De overige kwesties zijn afgehandeld dan wel komen in ander verband aan de orde (mvg 81 en pleitnota [appellant] 17 juli 2018). Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

23 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 19 februari 2019 voor akte aan de zijde van geïntimeerden met (uitsluitend) het hiervoor onder 22.4 vermelde doel (waarna antwoordakte);

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, I.B.N. Keizer en M.G.W.M. Stienissen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 januari 2019.

griffier rolraadsheer