Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1846

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-05-2019
Datum publicatie
20-05-2019
Zaaknummer
200.254.615_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De minderjarige wordt in zijn ontwikkeling bedreigd, omdat het contact tussen hem en zijn vader niet tot stand kan komen binnen het vrijwillige kader. Het is van belang dat de ouders leren om met elkaar samen te werken, op een manier waarbij de minderjarige niet wordt belast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 16 mei 2019

Zaaknummer : 200.254.615/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/339529 / JE RK 18-1559

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. C.R.S. van Nuss,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden worden verder aangemerkt:

  • -

    [de moeder] , bijgestaan door mr. C. Nobel, hierna te noemen: de moeder;

  • -

    Coöperatie Jeugd Veilig Verder U.A., de gecertificeerde instelling, hierna te noemen: de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 16 november 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 februari 2019, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en - opnieuw rechtdoende - het inleidend verzoek van de raad om de hierna nader genoemde minderjarige [minderjarige] onder toezicht te stellen, af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 11 maart 2019, heeft de moeder verzocht om het verzoek van de vader in hoger beroep toe te wijzen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 april 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. van Nuss;

- de moeder, bijgestaan door mr. Nobel;

- de heer [vertegenwoordiger van de raad] namens de raad;

- de heer [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vader d.d. 28 februari 2019 (waaronder het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 7 november 2018).

3 De beoordeling

3.1.

Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader is op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ) geboren.

3.2.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank [minderjarige] voor de duur van twaalf maanden onder toezicht gesteld.

3.3.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

De vader voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende aan.

Een ondertoezichtstelling is een ultimum remedium vanwege het ingrijpende karakter daarvan en de inmenging hiervan in het gezinsleven. Dit maakt dat er sprake moet zijn van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarige.

De rechtbank heeft onvoldoende gemotiveerd dat er is voldaan aan de twee wettelijke gronden van artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek, die de ondertoezichtstelling rechtvaardigen. Van een ontwikkelingsbedreiging is bij [minderjarige] geen sprake.

Uit de rapportage van de raad blijkt dat [minderjarige] zich goed ontwikkelt en dat het met hem goed gaat. Er worden weliswaar zorgen uitgesproken over een mogelijke, toekomstige ontwikkelingsbedreiging, maar op dit moment is deze bedreiging niet aanwezig.

Het enkele feit dat [minderjarige] zijn vader op dit moment niet ziet en hij mogelijk in de toekomst klem komt te zitten is onvoldoende.

Vanwege de lange tijd die inmiddels is verstreken heeft de vader geen vertrouwen in de GI. De vader heeft de gezinsvoogd nog maar één keer gezien. Daarna is de gezinsvoogd van baan veranderd en is er lange tijd niets gebeurd. Dit frustreert de vader enorm, nu de moeder zich tegen de omgang tussen [minderjarige] en de vader niet verzet en ook de vader bereid is om mee te werken aan een begeleid contact. Hij begrijpt dat het vanwege het tijdsverloop noodzakelijk is dat het contact de eerste paar keer moet worden begeleid. [minderjarige] is nog jong heeft de vader al twee jaar niet gezien.

3.5.

De moeder voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende aan.

[minderjarige] is een blij, sociaal en opgewekt kind en hij ontwikkelt zich leeftijdsadequaat.

Er zijn geen signalen dat de moeder niet in staat is om [minderjarige] te verzorgen. [minderjarige] is goed aan zijn moeder gehecht.

De moeder verzet zich niet tegen de omgang en zij is nog steeds bereid om haar medewerking te verlenen, bijvoorbeeld via een omgangshuis.

Aanvankelijk zag de moeder niet in dat de ondertoezichtstelling een toegevoegde waarde kon hebben om het contactherstel te bewerkstelligen. Daarbij zag zij de maatregel als een onevenredige belasting voor haarzelf en voor [minderjarige] .

Inmiddels is er een nieuwe gezinsvoogd bij [minderjarige] betrokken in wie de moeder veel vertrouwen heeft.

3.6.

De raad voert ter zitting verweer.

Er wordt verwezen naar het raadsrapport van 18 oktober 2018, waarin onder meer is beschreven dat er al geruime tijd geen contact is tussen [minderjarige] en de vader en er binnen het vrijwillig kader geen beweging in dit proces lijkt te komen. Beide ouders beseffen dat het voor [minderjarige] noodzakelijk is dat hij met beiden contact heeft. De ouders zijn echter niet in staat om met elkaar te communiceren.

De raad onderschrijft verder de overwegingen van de rechtbank. Er zijn naast het ontbreken van omgang voldoende bijkomende, bijzondere omstandigheden die een ondertoezichtstelling rechtvaardigen. Inmiddels is de vader gemotiveerd om de noodzakelijke stappen te zetten. Hij heeft wel hulp nodig om deze motivatie te vinden en vast te houden.

3.7.

De GI heeft ter zitting - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard.

Het is nog niet gelukt om het contactherstel tussen de vader en [minderjarige] tot stand te brengen.

Er is nu besloten om een professionele organisatie in te schakelen die de ouders hierin kan begeleiden. Aanvankelijk werd gedacht aan Stichting [stichting] , maar de gezinsvoogd is nu bezig om de begeleiding rondom [plaats 1] te organiseren, vanwege de lange reistijd voor de vader vanuit [plaats 2] naar [plaats 3] . De gemeente [plaats 3] moet hier nog mee instemmen.

Voor het laten slagen van dit traject is het noodzakelijk dat beide ouders bereid zijn om hierin te investeren en in die zin hun medewerking hieraan te verlenen. Dit houdt in dat ze sommige dingen zullen moeten doen en andere dingen zullen moeten nalaten.

De zorgen rondom [minderjarige] zien niet op de vaardigheden van de moeder. De GI constateert dat de moeder als hoofdopvoeder goed voor [minderjarige] zorgt. Het is positief dat zij haar medewerking aan het contactherstel verleent en op deze manier een handreiking naar de vader doet. De vader heeft zijn medewerking ook toegezegd, hetgeen eveneens positief is. Van hem wordt wel verwacht dat hij zich daadwerkelijk zal inspannen om het traject te doorlopen.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

  1. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

  2. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.8.2.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen waardering overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:255 BW.

3.8.3.

Het is voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] van belang dat hij contact heeft met beide ouders.

Alhoewel het met [minderjarige] goed gaat en hij veilig bij zijn moeder opgroeit, wordt hij in zijn ontwikkeling bedreigd, omdat zijn ouders niet in staat zijn om met elkaar te communiceren, waardoor het contact tussen [minderjarige] en de vader niet tot stand kan komen.

Ondanks dat beide ouders het belang van het contactherstel onderschrijven, is het hen niet gelukt om dit buiten het gedwongen kader tot stand te brengen. Dit heeft ertoe geleid dat [minderjarige] zijn vader al twee jaar lang niet heeft gezien en zijn vader niet (meer) kent.

Uit de stukken is verder gebleken dat de ouders zich door de gebeurtenissen uit het verleden ieder afzonderlijk gekwetst voelen en er sprake is van wederzijds wantrouwen.

Vanwege het belaste gezamenlijke verleden zijn er bij de moeder nog steeds gevoelens van wantrouwen en mogelijk angst aanwezig, waardoor het haar niet lukt om zelfstandig met de vader te communiceren.

De vader is aan zijn zijde nog steeds gefrustreerd, omdat hij [minderjarige] al lange tijd niet heeft gezien en hij niet begrijpt waarom het proces zo lang duurt.

Alhoewel het hof er begrip voor heeft dat de vader [minderjarige] mist, dragen vaders frustratie en de emoties, die hiermee gepaard gaan, niet bij aan de oplossing van de onderliggende problematiek.

Als de ouders willen toewerken naar een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] , zullen zij in staat moeten zijn om als ouders met elkaar te overleggen op een manier waarbij [minderjarige] niet wordt belast.

Eerdere hulpverlening en trajecten die zijn ingezet hebben nergens toe geleid. Dit maakt dat [minderjarige] in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en het gedwongen kader van een ondertoezichtstelling thans onmisbaar is.

3.8.4.

De huidige gezinsvoogd heeft inmiddels de nodige zaken in werking gezet, zodat de gesprekken en de begeleide contacten mogelijk in [plaats 1] (of omgeving) kunnen plaatsvinden. Hiermee wordt er tegemoet gekomen aan de vader, voor wie het lastig is om steeds naar [plaats 3] te moeten afreizen.

Het hof verwacht van beide ouders dat zij zich in het belang van [minderjarige] zullen inspannen om het traject tot een goed einde te brengen en dat zij de afspraken die in het kader van een op te starten omgangsregeling worden gemaakt nakomen.

3.8.5.

Het hof acht een ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van twaalf maanden noodzakelijk om de ontwikkelingsbedreigingen af te wenden.

3.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, van 16 november 2018;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, J.C.E. Ackermans-Wijn en
A.J.F. Manders en is op 16 mei 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. C.E.M. Geertsma-van Ooijen, griffier.