Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1815

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-05-2019
Datum publicatie
16-05-2019
Zaaknummer
200.216.888_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:9621
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:1390
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:1967
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering op grond van onrechtmatige daad tegen deurwaarder wegens gelegd beslag op roerende zaken en wegens gelegd derdenbeslag onder ABP. Beroep op verjaring gehonoreerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.216.888/01

arrest van 14 mei 2019

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. M.E. Cuppen te Wittem,

tegen

1 Gerechtsdeurwaarderskantoor [gerechtsdeurwaarderskantoor] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [geintimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

hierna aan te duiden als respectievelijk [geintimeerde 1] en [geintimeerde 2] ,

advocaat: mr. F. van Kersbergen te 's-Gravenhage,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 25 juli 2017 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer C/03/219393 / HA ZA 16-210 gewezen vonnis van 2 november 2016.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 25 juli 2017 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 26 september 2017;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De beoordeling

6.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

6.1.1.

[appellante] was eigenaar van een woning aan het adres [adres] te [plaats] . Zij had op die woning een recht van hypotheek gevestigd ten gunste van SNS Bank N.V. (hierna: SNS), tot zekerheid van de terugbetaling van een geldschuld aan SNS van fl. 330.000,-. [appellante] is op een gegeven moment in financiële problemen geraakt en achterstallig geraakt met de betaling van rente op haar hypothecaire schuld. Op 30 maart 1995 heeft [geintimeerde 2] namens SNS aangezegd binnen twee dagen de volledige vordering van haar te voldoen, bij gebreke waarvan zij zou overgaan tot parate executie. Omdat betaling uitbleef, heeft SNS, gebruik makend van haar hypotheekrecht, [geintimeerde 2] opdracht gegeven over te gaan tot openbare verkoop van de woning.

6.1.2.

Daar [appellante] weigerde mee te werken aan de verkoop, in die zin dat zij weigerde gegadigden toegang te verschaffen tot haar woning om deze te bezichtigen, heeft SNS [appellante] in kort geding gedagvaard, om in rechte af te dwingen dat [appellante] die toegang zou verschaffen. Bij kortgedingvonnis van 9 mei 1995 is [appellante] veroordeeld – zakelijk weergegeven – om haar woning voor bezichtiging door gegadigden open te stellen en is zij veroordeeld in de proceskosten van die procedure, welke in totaal werden begroot op fl. 1.267,27. Dat vonnis is op 10 mei 1995 door deurwaarder [deurwaarder 1] (verder te noemen: [deurwaarder 1] ) aan [appellante] betekend met het gelijktijdig bevel om aan dat vonnis te voldoen.

6.1.3.

Blijkens een door [deurwaarder 1] opgemaakt proces-verbaal van 16 mei 1995 heeft deze deurwaarder op die datum - met toestemming van [appellante] - de woning van [appellante] opengesteld voor bezichtiging door gegadigden. De kosten van dat proces-verbaal hebben fl. 770,86 bedragen.

6.1.4.

De woning is op 17 mei 1995 openbaar geveild en op die veiling gekocht door SNS en diezelfde dag bij de notariële akte van veiling aan haar geleverd. Op 13 juni 1995 heeft kandidaat-deurwaarder [kandidaat-deurwaarder] (verder te noemen: [kandidaat-deurwaarder] ), in dienst van deurwaarder [deurwaarder 2] (verder te noemen: [deurwaarder 2] ), de grosse van de notariële veilingakte betekend.

6.1.5.

Op 16 juni 1995 heeft [kandidaat-deurwaarder] beslag gelegd op een aantal roerende zaken van [appellante] , die in de woning zijn achtergelaten. Dit beslag is gelegd ter inning van een bedrag van fl. 1.267,27 (de kostenveroordeling in het kortgedingvonnis van 9 mei 1995), een bedrag van fl. 190,23 (de kosten van betekening van het kortgedingvonnis en bevel om aan dat vonnis te voldoen), een bedrag van fl. 315,-- (de nakosten van de procureur), een bedrag van fl. 842,42 (de kosten van een proces-verbaal van bezichtiging) en een bedrag van fl. 770,86 (eveneens kosten van een proces-verbaal van bezichtiging), in totaal derhalve fl. 3.385,78.

6.1.6.

Op 16 juni 1995 is [appellante] tevens de ontruiming van de woning aangezegd, die op 21 juni 1995 zou plaatsvinden.

6.1.7.

[appellante] heeft Internationale Verhuisonderneming [internationale verhuisonderneming] (verder te noemen: [internationale verhuisonderneming] ) op 20 juni 1995 opdracht gegeven om diezelfde dag de inboedel van de woning ten behoeve van haar weg te voeren en op te slaan. Diezelfde dag is [internationale verhuisonderneming] begonnen met de werkzaamheden. Omdat die werkzaamheden op 20 juni 1995 nog niet waren afgerond, is [internationale verhuisonderneming] op 21 juni 1995 teruggegaan om de resterende inboedel mee te nemen. Op 21 juni 1995 was echter ook [kandidaat-deurwaarder] aanwezig om het pand te ontruimen. [internationale verhuisonderneming] heeft de resterende inboedel in opdracht van [kandidaat-deurwaarder] meegenomen en opgeslagen op dezelfde plek als waar de op 20 juni 1995 weggevoerde inboedel is opgeslagen.

6.1.8.

SNS heeft door [geintimeerde 2] op 30 juni 1995 onder het ABP derdenbeslag laten leggen ten laste van [appellante] op haar toekomende pensioen- en/of VUT-uitkeringen.

6.1.9.

Omstreeks 3 oktober 1995 heeft SNS, naar aanleiding van een met [appellante] getroffen afbetalingsregeling ter zake van de proceskosten, het beslag op de roerende goederen gedeeltelijk opgeheven. Het daarna resterende beslag op roerende goederen is in 1998 opgeheven. Het derdenbeslag onder de ABP is op 30 augustus 2007 opgeheven.

6.2.

[appellante] heeft, bij dagvaarding d.d. 11 april 2016, [geintimeerde 2] alsmede [geintimeerde 1] en SNS in rechte betrokken. In eerste aanleg vorderde zij dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht verklaart dat [geintimeerde 2] en/of, [geintimeerde 1] en/of SNS meerdere, althans één onrechtmatige daad heeft, dan wel hebben gepleegd jegens [appellante] ;

  2. voor recht verklaart dat [geintimeerde 2] en/of, [geintimeerde 1] en/of SNS hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade ten gevolge van meerdere, althans één gepleegde onrechtmatige da(a)d(en);

  3. [geintimeerde 2] en/of, [geintimeerde 1] en/of SNS hoofdelijk, des dat één betalend, de ander zal zijn bevrijd, veroordeelt tot betaling van een voorschot op de door [appellante] geleden schade ter hoogte van € 25.000,-;

  4. [geintimeerde 2] en/of, [geintimeerde 1] en/of SNS hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van de door [appellante] als gevolg van meerdere, althans één onrechtmatige da(a)d(en) geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

6.3.

SNS is in eerste aanleg niet verschenen. De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep de beslissing op de vorderingen, voor zover gericht tegen SNS, aangehouden.

[geintimeerde 2] en [geintimeerde 1] hebben in eerste aanleg wél verweer gevoerd tegen de vorderingen van [appellante] .

De rechtbank heeft de vorderingen van [appellante] , voor zover gericht tegen [geintimeerde 1] afgewezen op grond van de overweging dat het leggen van executoriaal derdenbeslag een ambtshandeling is die de deurwaarder verricht in zijn hoedanigheid van openbaar ambtenaar en dat die handeling zodanig verbonden is aan de persoon van de deurwaarder dat de vordering moet worden gericht tot de deurwaarder en niet tot het samenwerkingsverband waarbinnen de deurwaarder werkzaam is.

Voor zover de vorderingen waren gericht tegen [geintimeerde 2] heeft de rechtbank deze afgewezen omdat de (eventuele) vorderingen zijn verjaard.

De rechtbank heeft hieraan ten overvloede toegevoegd dat de vorderingen ook op inhoudelijke gronden niet toewijsbaar zijn.

De rechtbank heeft [appellante] voorts veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [geintimeerde 2] en [geintimeerde 1]

6.4.

[appellante] kan zich niet verenigen met de afwijzing van de vorderingen jegens [geintimeerde 2] en [geintimeerde 1] Zij heeft in haar memorie van grieven tegen het vonnis van de rechtbank diverse grieven aangevoerd, die niet genummerd zijn. Het hof zal de aangevoerde grieven, voor zover van belang, hierna achtereenvolgens beoordelen.

[appellante] concludeert in haar memorie van grieven tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot het alsnog toewijzen van de vorderingen jegens [geintimeerde 2] en [geintimeerde 1] , met hun (hoofdelijke) veroordeling in de proceskosten.

6.5.

[appellante] heeft enkele grieven aangevoerd tegen de door de rechtbank vastgestelde feiten. Bij die grieven heeft zij geen belang. Het hof heeft hiervoor immers de feiten, zoals ze in hoger beroep vaststaan, vastgesteld. Voor zover sprake is van betwiste feiten die voor de beoordeling van de geschillen in hoger beroep van belang zijn, zal het hof deze hierna bespreken.

6.6.

[appellante] is het oneens met de afwijzing van de vorderingen jegens [geintimeerde 1] en met de overwegingen die de rechtbank aan die afwijzing ten grondslag heeft gelegd.

Van belang in dit verband is hetgeen het hof in een eerdere uitspraak (Hof Den Bosch 4 november 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:4587) heeft overwogen omtrent de taken en bevoegdheden van de gerechtsdeurwaarder. Het Hof overwoog in die uitspraak onder 3.5.5.:

De taken en bevoegdheden van de gerechtsdeurwaarder zijn beschreven in de Gerechtsdeurwaarderswet. Deze regelt het ambt van de gerechtsdeurwaarder.

De gerechtsdeurwaarder is als natuurlijk persoon een door de Kroon benoemde functionaris met een onafhankelijke positie. De belangrijkste van de verschillende ambtsverplichtingen van de deurwaarder is de ministerieplicht, dat wil zeggen de plicht van de gerechtsdeurwaarder om, indien daarom wordt verzocht, zijn ambtelijke diensten te verlenen, zoals het ten uitvoer leggen van executoriale titels en het in dat verband leggen van executoriale beslagen. Beslag kan in het wettelijk stelsel alleen worden gelegd door een deurwaarder, die beslag legt in zijn hoedanigheid van openbaar ambtenaar. Dit brengt mee dat de deurwaarder als onafhankelijke functionaris de enige is die verantwoordelijk is voor zijn handelen bij de beslaglegging en ook de enige die behoort te worden aangesproken op een onjuiste taakvervulling en (beweerdelijk) onrechtmatig handelen. Mede om die reden dienen de beslagexploten duidelijk te vermelden welke deurwaarder beslag heeft gelegd, hetgeen in deze zaak ook is geschied.

Weliswaar had de voormelde zaak betrekking op een gerechtsdeurwaarder die zich (met andere gerechtsdeurwaarders) had georganiseerd in de vennootschap GGN Zuid-Nederland B.V., maar naar het oordeel van het hof gelden de voormelde overwegingen evenzeer voor een situatie als de onderhavige waarin de gerechtsdeurwaarder is verbonden aan een besloten vennootschap waarin hij de enige werkzame persoon en de enige eigenaar is. Ook voor een besloten vennootschap als [geintimeerde 1] heeft te gelden dat zij niet uit onrechtmatige daad kan worden aangesproken door degene ten laste van wie beslag is gelegd. Daarvoor is het leggen van beslag en de verdere executie daarvan te zeer verbonden aan de persoon van de deurwaarder in zijn hoedanigheid van openbaar ambtenaar. Bezien in het licht van de wettelijke taak van de deurwaarder en zijn hoedanigheid van door de Kroon benoemde natuurlijk persoon met een onafhankelijke positie die beslag legt in zijn hoedanigheid van openbaar ambtenaar, heeft de beslaglegging ook niet in het maatschappelijk verkeer te gelden als een gedraging van [geintimeerde 1] waarvoor [geintimeerde 1] uit onrechtmatige daad kan worden aangesproken.

Dat de beslissing van de rechtbank in strijd zou zijn met de aard en de strekking van de aansprakelijkheidsprocedure, zoals [appellante] stelt, is naar het oordeel van het hof onjuist.

Het voorgaande betekent dat het hof, net als de rechtbank, van oordeel is dat de vorderingen van [appellante] , voor zover gericht tegen [geintimeerde 1] niet toewijsbaar zijn. De grieven van [appellante] falen in zoverre.

6.7.1.

[appellante] heeft voorts grieven gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de rechtsvordering van [appellante] , voor zover gericht tegen [geintimeerde 2] , is verjaard. Omtrent die grieven overweegt het hof het volgende.

6.7.2.

De vorderingen van [appellante] strekken tot vergoeding van schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van het door haar gestelde onrechtmatige handelen dan wel nalaten van [geintimeerde 2] in de periode van 16 juni 1995 (de datum waarop beslag is gelegd op de inboedel van haar toenmalige woning) tot 30 augustus 2007 (de datum waarop het onder ABP gelegde derdenbeslag is opgeheven).

Ingevolge artikel 3:310 BW geldt voor dergelijke rechtsvorderingen een verjaringstermijn van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgend op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Naar het oordeel van het hof is door [appellante] niet, of in ieder geval onvoldoende weersproken dat zij reeds vóór de datum 30 augustus 2007 bekend was met de beweerdelijk geleden schade en met de daarvoor aansprakelijke persoon, respectievelijk personen. Het gaat immers om gestelde schade als gevolg van gelegde beslagen door gerechtsdeurwaarders van wie in de beslagexploten de namen zijn vermeld. Die exploten zijn aan [appellante] ter beschikking gesteld.

Het voorgaande betekent dat de verjaringstermijn in ieder geval eindigde op 31 augustus 2012.

6.7.3.

Dat in dit geval de verjaringstermijnen zouden gelden zoals deze waren opgenomen in het Burgerlijk Wetboek dat vóór 1 januari 1992 gold, zoals [appellante] stelt, is onjuist. Het gaat hier immers om beweerdelijk onrechtmatig handelen of nalaten ná de datum 1 januari 1992.

6.7.4.

De stelling van [appellante] dat de verjaringstermijn, vóór het verstrijken van de termijn van vijf jaren, zou zijn gestuit, kan evenmin worden aanvaard. Door [appellante] is immers niet onderbouwd dat zij voor het verstrijken van de termijn van vijf jaren aan [geintimeerde 2] een schriftelijke aanmaning heeft gezonden die binnen zes maanden is gevolgd door een schriftelijke mededeling aan [geintimeerde 2] dat zij zich ondubbelzinnig haar recht op nakoming voorbehoudt. Uit de door haar overgelegde correspondentie blijkt dat zij zich slechts schriftelijk tot [geintimeerde 2] heeft gewend met verzoeken om informatie, maar stukken die voldoen aan de vereisten die zijn vermeld in artikel 3:317 BW ontbreken. Evenmin is sprake geweest van erkenning van de vordering door [geintimeerde 2] .

6.7.5.

[appellante] heeft een beroep gedaan op de uitzonderingsbepaling in artikel 3:310 lid 4 BW, inhoudende dat, indien de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt, een strafbaar feit oplevert, de rechtsvordering tot vergoeding van schade tegen de persoon die het strafbaar feit heeft begaan, niet verjaart zolang het recht tot strafvordering niet door verjaring is vervallen.

Hieromtrent overweegt het hof dat de voormelde uitzonderingsbepaling in werking is getreden op 1 april 2013; vóór die datum gold de uitzonderingsbepaling in het vierde lid van artikel 3:310 BW slechts voor zedenmisdrijven, gepleegd jegens minderjarigen. Op het moment van inwerkingtreding van het huidige vierde lid van artikel 3:310 BW was de gestelde rechtsvordering jegens [geintimeerde 2] reeds verjaard. De nieuwe bepaling heeft het (eventuele) vorderingsrecht niet doen herleven.

Reeds om deze reden gaat het beroep van [appellante] op de uitzondering in het vierde lid van artikel 3:310 BW niet op.

6.7.6.

[appellante] heeft tenslotte ook nog een beroep gedaan op de grond voor verlenging van de verjaringstermijn die is vermeld in artikel 3:321 lid 1 sub f BW: [geintimeerde 2] zou het bestaan van de schuld aan haar of de opeisbaarheid daarvan opzettelijk verborgen hebben gehouden.

Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] deze stelling onvoldoende onderbouwd. [geintimeerde 2] heeft er terecht op gewezen dat de namen van de deurwaarders die de beslagen hebben gelegd in de beslagexploten zijn vermeld. Dat geldt ook voor de overige relevante gegevens, betrekking hebbend op de gelegde beslagen.

6.7.7.

De conclusie is dat de grieven van [appellante] voor zover gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de vorderingen jegens [geintimeerde 2] zijn verjaard, falen.

6.8.

Het voorgaande betekent dat de vorderingen van [appellante] , gericht tegen [geintimeerde 2] en [geintimeerde 1] terecht door de rechtbank zijn afgewezen. Het hof zal die afwijzende beslissing bekrachtigen.

De overige grieven van [appellante] hebben betrekking op de overwegingen van de rechtbank “ten overvloede” . Bij die grieven heeft zij geen belang, zodat het hof ze niet hoeft te beoordelen.

6.9.

[appellante] dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, voor zover daarin de vorderingen van [appellante] jegens [geintimeerde 2] en [geintimeerde 1] zijn afgewezen en [appellante] in de proceskosten is veroordeeld;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep en begroot die kosten aan de zijde van [geintimeerde 2] en [geintimeerde 1] op € 1.957,- voor griffierecht en op € 1.391,- voor salaris van de advocaat, en wat betreft de nakosten op € 157,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden en bepaalt dat het griffierecht en het salaris van de advocaat binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart de voormelde proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, L.S. Frakes en S.C.H. Molin en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 mei 2019.

griffier rolraadsheer