Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:178

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
24-01-2019
Zaaknummer
200.215.193_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:3243, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deze zaak tussen vakbonden en een werkgever gaat over een collectieve wijziging van de arbeidsvoorwaarden door werkgever (gefaseerde) afschaffing van een jubileumuitkering bij 25- en 40 jarige jubilea.

In het arrest komen de volgende vragen aan de orde:

Zijn de bonden op grond van artikel 3: 305a BW bevoegd om de onderhavige vorderingen in eigen naam in te stellen? Bevestigend beantwoord in 6.3.

Handelde [appellante] als goed werkgever bij de (gefaseerde) afschaffing van de jubileumuitkering? Ontkennend beantwoord in 6.4. Het hof past de maatstaf van Stoof/Mammoet toe op deze collectieve wijziging van de arbeidsvoorwaarden.

Kan een uitspraak worden gedaan over de lengte van een overgangstermijn, die het hof wel redelijk acht? Ontkennend beantwoord in 6.4.11.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0096
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.215.193/01

arrest van 22 januari 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[de vennootschap 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

advocaten: mr. M.B. Kerkhof te Amsterdam,

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

tegen

1. de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

[vakbond 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

advocaat: mr. R.A. Severijn te Utrecht,

2. de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

[vakbond 2] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

advocaat: mr. R.A. Uhlenbusch te Utrecht,

3. de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

[vakbond 3] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

advocaat: mr. R.A. Uhlenbusch te Utrecht,

4. de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

[vakbond 4] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

advocaat: mr. R.A. Uhlenbusch te Utrecht,

geïntimeerden in principaal appel,

appellanten in voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna aan te duiden als de bonden,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 12 juni 2018 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven , gewezen vonnis van 2 februari 2017, hierna: het vonnis.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 12 juni 2018 waarbij het hof heeft bepaald dat gelegenheid wordt geboden voor pleidooi;

- het pleidooi, waarbij partijen ieder een pleitnota van hun advocaten hebben overgelegd en [HR directeur] , HR directeur en [legal council] , legal council namens [appellante] , [bestuurder van vakbond 1] , bestuurder van [vakbond 1] en [bestuurder van vakbond 2] , bestuurder van [vakbond 2] op vragen van het hof inlichtingen hebben verstrekt.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De beoordeling

in principaal en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep

6.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

6.1.1.

[appellante] , een voormalig onderdeel van [onderneming] , is in 2006 verzelfstandigd en afgesplitst van [onderneming] . In het kader van de verzelfstandiging en afsplitsing heeft [onderneming] / [appellante] op 28 september 2006 met de bonden afspraken gemaakt over de arbeidsvoorwaarden die bij [appellante] zouden gelden. Deze zijn vastgelegd in een document “Overgangsmaatregelen m.b.t. de verzelfstandiging van [de vennootschap 2] naar [appellante] en [de vennootschap 3] te [plaats] , hierna te noemen [naam] , zoals met partijen afgesproken op 28 september 2006”. Het hof zal dit hierna aanduiden als het document van 28 september 2006. Artikel 1A Algemeen van het document van 28 september 2006 bepaalt:

“Op het moment van de verzelfstandiging zullen arbeidsvoorwaarden zoals ze zijn neergelegd in de [onderneming] cao’s worden gecontinueerd (….).

Behoudens de hierna onder B (Bepalingen met beperkte werkingsfeer) genoemde elementen zullen de op 28 september 2006 bij [onderneming] gehanteerde RAV’s onverkort door [naam] worden overgenomen. (….)”

6.1.2.

Het document van 28 september 2006 is als bijlage bij de nadien tussen [appellante] en de bonden afgesloten cao’s gevoegd, met dien verstande dat, naarmate de tijd voortschreed, in de als bijlage bij de cao gevoegde versie van het document van 28 september 2006 ten aanzien van een toenemend aantal bepalingen is vermeld “vervallen”.

6.1.3.

Op 10 maart 2014 is door [appellante] en de bonden een cao afgesloten met een looptijd van 1 april 2012 tot 30 juni 2015, hierna: de cao 2012. Aan de cao 2012 is een versie van het document van 28 september 2006 als bijlage H gevoegd. Deze versie zal verder als bijlage H worden aangeduid. In bijlage H is Artikel 1A Algemeen opgenomen.

6.1.4.

RAV is een afkorting van Regeling Arbeids Voorwaarden. RAV 450 is RAV met betrekking tot dienstjubilea. Op grond van RAV 450 krijgt de werknemer

bij een 25-jarig dienstverband een huldiging, een draagspeld in zilver, een horloge, sieraad of pennenset, een glasobject van [merk] , een belastingvrije jubileumuitkering van één maandsalaris vermeerderd met toeslagen en een werkweek betaald verzuim. Bij een 40-jarig dienstverband krijgt de werknemer een draagspeld in goud en een jubileumuitkering van twee maandsalarissen, en voor het overige hetzelfde als bij het 25-jarig dienstverband.

6.1.5.

Op verzoek van de bonden heeft [appellante] voor het eerst in de cao 2012 een eenmalig employability budget van € 600.000,00 beschikbaar gesteld, waaromtrent in de cao’s 2012 en 2015 (zie bij 6.1.9.) een regeling is opgenomen van de voorwaarden waaronder medewerkers een beroep kunnen doen op dit budget. Het employability budget is, kort gezegd, een extra ontwikkelingsbudget, naast het reguliere opleidingsbudget, dat erop gericht is om de arbeidsmarktpositie van medewerkers van [appellante] te versterken. Van het eenmalig door [appellante] ter beschikking gestelde budget van € 600.000,00 was door [appellante] ten tijde van het pleidooi in hoger beroep in totaal ongeveer € 150.000,00 uitgegeven.

6.1.6.

[appellante] heeft in de onderhandelingen over de cao 2012 aangegeven een koppeling te willen maken tussen het instellen van het employability budget en het schrappen van het recht op de jubileumuitkeringen in RAV 450. De bonden hebben zulks niet aanvaard.

6.1.7.

[appellante] heeft eenzijdig RAV 450 met ingang van 1 januari 2014 gewijzigd en het recht op jubileumuitkeringen daaruit geschrapt. Voor het overige heeft [appellante] RAV 450 ongewijzigd in stand gelaten. [appellante] heeft, ook eenzijdig, een overgangsregeling vastgesteld die inhield dat werknemers die in 2014 en 2015 hun 25-jarig of 40-jarig jubileum zouden vieren het recht op een jubileumuitkering behielden.

6.1.8.

[appellante] heeft de wijziging van RAV 450 onder haar werknemers bekend gemaakt door publicaties in het personeelsbulletin [personeelsbulletin] . De [personeelsbulletin] van 18 december 2013, die onder meer gewijd was aan de toen lopende cao-onderhandelingen, vermeldt in dat verband onder het kopje Employability, na een uiteenzetting over het employability fonds, onder meer:

“(….)

Om dit fonds mogelijk te maken zal de huidige jubileumregeling per 1 januari 2014 als volgt worden aangepast:

  • -

    Voor de jaren 2014 en 2015 geldt een overgangsregeling inhoudende dat de medewerkers die in deze jaren hun jubileum vieren alsnog aanspraak kunnen maken op de huidige regeling.

  • -

    Vanaf 2016 geldt er een nieuwe jubileumregeling waarbij medewerkers bij het bereiken van een jubileum alleen aanspraak hebben op een geschenk (horloge, glasobject etc.) en een viering (borrel etc.).”

De [personeelsbulletin] van 13 maart 2014 is onder meer gewijd aan het op 10 maart 2014 bereikte onderhandelingsresultaat over de cao 2012. Wederom onder het kopje Employability bericht [appellante] , na een uiteenzetting van het employability budget:

“(….)

Zoals reeds herhaaldelijk is gecommuniceerd wordt dit budget mogelijk gemaakt doordat [appellante] heeft besloten de huidige jubileumregeling af te schaffen met ingang van 1 januari 2014 en te vervangen door een nieuwe regeling. Deze nieuwe regeling houdt het volgende in:

- Bij het bereiken van een jubileum krijgt een medewerker een viering en een geschenk aangeboden;

- de nieuwe jubileumregeling bevat een overgangsregeling voor de jaren 2014 en 2015 inhoudende dat de medewerkers die in deze jaren hun jubileum vieren alsnog aanspraak kunnen maken op dezelfde voorwaarden als van de oude regeling.

Daarnaast heeft de medewerker bij het bereiken van een jubileum aanspraak op de vrije dagen zoals opgenomen in de cao.”

6.1.9.

Op 19 februari 2016 hebben [appellante] en de bonden een cao afgesloten met een looptijd van 1 juli 2015 tot en met 30 september 2018, hierna: de cao 2015. Bij de cao 2015 is geen versie van het document van 28 september 2006 meer als bijlage gevoegd.

6.1.10.

Gedurende de jaren 2014 en 2015 heeft [appellante] , overeenkomstig de overgangsregeling, aan haar werknemers jubileumuitkeringen gedaan bij het bereiken van een jubileum. Ter voldoening aan het vonnis, dat hierna aan de orde komt, heeft [appellante] na 2 februari 2017 ook voor de in 2016, 2017 en 2018 bereikte jubilea aan haar werknemers jubileumuitkeringen betaald. In totaal hebben in de periode vanaf 2014 tot aan de dag van het pleidooi in hoger beroep 231 medewerkers een jubileumuitkering ontvangen. Het totaal daarmee gemoeide bedrag beloopt ongeveer € 1.386.000,00. Daarvan heeft ongeveer een kwart betrekking op de wettelijke verhoging van te laat betaalde jubileumuitkeringen. [appellante] heeft aan de medewerkers toegezegd dat de jubileumuitkeringen, die zij ter voldoening aan het vonnis heeft gedaan, niet worden teruggevorderd in geval van vernietiging van het vonnis. Die toezegging is niet gedaan ten aanzien van de volgens het vonnis verschuldigde wettelijke verhoging.

6.1.11.

[appellante] heeft ongeveer 2300 werknemers.

De standpunten van partijen en het oordeel van de kantonrechter

6.2.1.

In de onderhavige procedure vorderden de bonden:

- een verklaring voor recht dat de door [appellante] per 1 januari 2014 eenzijdig ingevoerde wijziging van de RAV 450 niet rechtmatig is;

- een veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, tot naleving van Bijlage H van de cao 2012 en toepassing van de oude RAV 450 met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2014 en betaling van de jubileumuitkeringen die vanaf 1 januari 2016 verschuldigd zijn, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex BW 7:625 van 50% en met de wettelijke rente vanaf de vervaldata, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,= per dag; en

- veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

6.2.2.

De bonden hebben hun bevoegdheid om in eigen naam deze vorderingen tegen [appellante] in te stellen op twee gronden gebaseerd. Ten eerste stelden zij dat zij, als partij bij de cao 2012, nakoming kunnen vorderen van de in bijlage H opgenomen verplichting van [appellante] jegens de bonden om RAV 450 onverkort toe te passen. Daarnaast baseerden de bonden zich op art. 3:305a BW, en zij stelden daartoe dat zij zich ieder krachtens hun statuten ten doel stellen de individuele en collectieve belangen van haar leden en andere werknemers te behartigen en dat de vorderingen strekken tot bescherming van gelijksoortige belangen van de werknemers van [appellante] . [appellante] heeft beide gronden bestreden en betoogd dat de bonden niet-ontvankelijk moesten worden verklaard in hun vorderingen.

6.2.3.

Daarnaast heeft [appellante] gemotiveerd inhoudelijk verweer gevoerd. Dit verweer zal, voor zover in hoger beroep relevant, in het navolgende aan de orde komen. [appellante] vorderde veroordeling van de bonden, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.

6.2.4.

In een tussenvonnis van 4 augustus 2016 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast.

6.2.5.

In het eindvonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter ten aanzien van de ontvankelijkheid van de bonden overwogen dat de bevoegdheid van de bonden om de vorderingen in eigen naam in te stellen niet kan worden gebaseerd op de cao 2012 omdat, kort gezegd, de RAV 450 niet behoort tot de cao 2012 (rov. 3.1 t/m 3.3), maar dat de bonden wel kunnen optreden op grond van art. 3:305a BW (rov. 3.4.). De kantonrechter heeft het niet-ontvankelijkheidsverweer en ook het inhoudelijke verweer van [appellante] verworpen.

6.2.6.

In het vonnis heeft de kantonrechter voorts:

- verklaard voor recht dat de door [appellante] per 1 januari 2015 eenzijdig ingevoerde wijziging van de RAV 450 niet rechtmatig is;

- [appellante] veroordeeld tot naleving van de RAV 450 in de versie vóór 1 januari 2014 met dien verstande dat zij binnen een maand de vanaf 1 januari 2016 volgens die regeling verschuldigd geworden jubileumuitkeringen alsnog diende te betalen met vermeerdering van elke uitkering met 50%, de netto uitkomst vermeerderd met de wettelijke rente erover voor zolang en voor zover die vanaf een maand onbetaald zou blijven op straffe van een dwangsom van € 1.000,= per dag voor alle overtredingen samen;

- [appellante] veroordeeld in de proceskosten;

- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

6.2.7.

[appellante] heeft in hoger beroep 7 grieven, genummerd met Romeinse cijfers, aangevoerd. [appellante] heeft geconcludeerd tot:

- vernietiging van het vonnis en tot het alsnog niet-ontvankelijk verklaren van de bonden in hun vorderingen, althans die vorderingen af te wijzen;

- hoofdelijke veroordeling van de bonden in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

6.2.8.

De bonden hebben de grieven van [appellante] bestreden. Voorwaardelijk, voor het geval dat het hof op grond van één of meer grieven van [appellante] tot het oordeel komt dat het vonnis van de kantonrechter moet worden vernietigd, hebben de bonden 2 grieven tegen het vonnis gericht. De bonden hebben geconcludeerd tot:

- bekrachtiging van het vonnis;

- veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellante] in de proceskosten van het principaal hoger beroep en het incidenteel hoger beroep.

6.2.9.

[appellante] heeft de grieven van de bonden bestreden.

De bespreking van de grieven van [appellante]

6.3.

Grief 1 van [appellante] richt zich tegen de overweging van de kantonrechter dat de bonden op grond van artikel 3: 305a BW bevoegd zijn om de onderhavige vorderingen in eigen naam in te stellen. Het hof overweegt over deze grief als volgt.

6.3.1.

Artikel 3:305a BW bepaalt:

“Een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid kan een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voorzover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt.”

De grief van [appellante] stelt aan de orde of het bij de belangen van de werknemers van [appellante] bij ongewijzigde instandhouding van RAV 450 gaat om gelijksoortige belangen van de werknemers van [appellante] . [appellante] betoogt, samengevat, dat de belangen van de werknemers niet gelijksoortig zijn, omdat bij de beoordeling daarvan niet kan worden geabstraheerd van de bijzonderheden van individuele gevallen, zoals de duur van het dienstverband en de daarmee samenhangende nabijheid van de jubileumuitkering en de persoonlijke omstandigheden van de werknemers. Ook heeft [appellante] betoogd dat haar werknemers niet allemaal (in gelijke mate) hechten aan het behoud van de jubileumuitkering.

6.3.2.

De inzet in dit geding is de vraag of de jubileumuitkering gehandhaafd blijft. Niet aan de orde is de vraag of deze uitgeruild moet worden tegen het employability budget. Dit laatste budget is immers in de cao 2012 en de cao 2015 tussen [appellante] en de bonden overeengekomen, ongeacht het voortbestaan van de jubileumuitkering. Door [appellante] is niet gesteld, en ook anderszins is dat niet gebleken en het ligt evenmin voor de hand, dat er (groepen) werknemers van [appellante] zijn die hun aanspraak op een jubileum uitkering wens(t)en prijs te geven. [appellante] heeft wel gesteld dat er sprake is van individuele verschillen tussen werknemers ten aanzien van de aanspraak op een jubileumuitkering, maar de verschillen die [appellante] naar voren heeft gebracht zijn geen verschillen die samenhangen met de individuele prestaties van werknemers of hun individuele appreciatie van de jubileumuitkering, maar generieke verschillen, die, beoordeeld naar objectieve maatstaven, bepalen of en wanneer een werknemer aanspraak kan maken op een jubileumuitkering, zoals (met name) de duur van het dienstverband bij [appellante] . Verder heeft [appellante] tijdens de pleitzitting desgevraagd bevestigd dat zij niet op individuele basis met één of meer werknemers afspraken heeft gemaakt over de aanspraak op een jubileumuitkering, die afwijken van de in de RAV opgenomen aanspraken.

6.3.3.

Gezien het voorgaande lenen de belangen van de werknemers van [appellante] bij behoud van de jubileumuitkering zich voor bundeling. Het is wenselijk dat over het geschil daarover, dat de inzet van dit geding is, in één geding moet kunnen worden beslist zodat daarover niet vele zaken tussen individuele werknemers en [appellante] nodig zijn. Net als de kantonrechter komt het hof daarom tot het oordeel dat de belangen van de werknemers van [appellante] bij ongewijzigde instandhouding van RAV 450 gelijksoortig zijn en dat de bonden de vorderingen dus op grond van art. 3:305a BW kunnen instellen.

Grief 1 van [appellante] faalt.

6.4.

De grieven 2 tot en met 4 richten zich tegen de overwegingen van de kantonrechter dat [appellante] niet als goed werkgever handelde door de jubileumregeling af te schaffen op de wijze waarop zij dat heeft gedaan. Ze lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Het hof overweegt het volgende over deze grieven.

6.4.1.

Bij de beoordeling van deze grieven is uitgangspunt dat in de bij [appellante] geldende arbeidsvoorwaarden geen eenzijdig wijzigingsbeding is opgenomen, zodat de toepassing van art. 7:613 BW niet aan de orde is.

6.4.2.

Partijen verschillen van mening over de beoordelingsmaatstaf voor de rechtmatigheid van de door [appellante] gewenste en doorgevoerde (gefaseerde) afschaffing van de jubileumuitkering. [appellante] betoogt dat deze moet worden beoordeeld met de dubbele redelijkheidstoets die de Hoge Raad heeft geformuleerd in het arrest Stoof/Mammoet (HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1847, NJ 2011/185). De bonden betogen dat de beoordeling dient te geschieden volgens de, in hun ogen voor de werkgever strengere, maatstaf van art. 6:248, tweede lid, BW. Het hof is met [appellante] van oordeel dat haar handelwijze naar de maatstaf van het arrest Stoof Mammoet beoordeeld moet worden, ondanks het feit dat het om een collectieve wijziging van de arbeidsvoorwaarden gaat.

6.4.3.

De te hanteren maatstaf is door de Hoge Raad in het arrest Stoof/Mammoet

als volgt toegelicht:

“Bij de beantwoording van de vraag tot welke gevolgen een wijziging van de omstandigheden voor een individuele arbeidsrelatie kan leiden, dient immers in de eerste plaats te worden onderzocht of de werkgever daarin als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden, en of het door hem gedane voorstel redelijk is. In dat kader moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen, waaronder de aard van de gewijzigde omstandigheden die tot het voorstel aanleiding hebben gegeven en de aard en ingrijpendheid van het gedane voorstel, alsmede – naast het belang van de werkgever en de door hem gedreven onderneming – de positie van de betrokken werknemer aan wie het voorstel wordt gedaan en diens belang bij het ongewijzigd blijven van de arbeidsvoorwaarden. Nu de werknemer op deze wijze beschermd wordt tegen onredelijke voorstellen van de werkgever, en nu vervolgens nog dient te worden onderzocht of aanvaarding van het door de werkgever gedane redelijke voorstel in het licht van de omstandigheden van het geval in redelijkheid van de werknemer gevergd kan worden, is het belang van de werknemer bij een ondanks de veranderde omstandigheden ongewijzigd voortduren van de arbeidsvoorwaarden voldoende gewaarborgd.”

6.4.4.

[appellante] heeft de door haar beoogde afschaffing van de jubileumuitkering geplaatst in de sleutel van de door [appellante] en de bonden beoogde modernisering van de bij [appellante] geldende arbeidsvoorwaarden. [appellante] betoogt dat de bonden haar hebben gevraagd om meer te investeren in de interne en externe arbeidsmarktpositie van de medewerkers, dat [appellante] heeft aangegeven dat het employability budget, dat daartoe dient, alleen beschikbaar kon worden gesteld als de jubileumuitkering zou vervallen, dat er een ruime overgangstermijn heeft gegolden, dat het zonde was om geld te reserveren voor een uitkering waarop de aanspraak voor werknemers geheel niet zeker is althans dat het belang van de aanspraak per werknemer verschilt, dat de jubileumuitkering voor werknemers een arbeidsvoorwaarde van relatief onderschikt belang is en dat [appellante] de aanspraken van de werknemers in geval van een jubileum niet geheel heeft afgeschaft.

6.4.5.

Naar het oordeel van het hof is er geen logisch, inhoudelijk, verband gebleken tussen het instellen van het employability budget en het afschaffen van de jubileumuitkering. De achterliggende gedachte van [appellante] lijkt te zijn dat het employability budget werknemers in staat stelt zich een betere positie op de arbeidsmarkt te verwerven en dat de instelling ervan daarom tot minder lange dienstverbanden bij [appellante] zal leiden, maar dat strookt niet met de ook door [appellante] verdedigde stelling dat de, veelal oudere, werknemers die meer belang hechten aan de jubileumuitkering niet dezelfde zijn als de, veelal jongere, werknemers die meer belang toekennen aan de voorzieningen die gefinancierd worden met het employability budget.

6.4.6.

Voorts heeft [appellante] naar het oordeel van het hof niet aannemelijk gemaakt dat het afschaffen van de jubileumuitkering nodig is met het oog op de door haar en de bonden, mede door het instellen van het employability budget, beoogde modernisering van haar personeelsbeleid.

6.4.7.

Ten derde acht het hof van belang dat, zoals hierboven in 6.1.5. en 6.1.10. bleek, met de afschaffing van de jubileumuitkering voor [appellante] een besparing is gemoeid die (tot nu toe) een veelvoud beloopt van de uitgaven, gemoeid met het instellen van het employability budget. De door [appellante] gelegde relatie overtuigt reeds daarom ook in financiële zin niet.

Dat de instelling van het employability budget [appellante] financieel zou nopen tot de afschaffing van de jubileumuitkering is niet (gemotiveerd) gesteld of gebleken en ligt ook in het geheel niet voor de hand omdat de met de jubileumuitkering voor [appellante] gemoeide jaarlijkse uitgaven in het niet moeten vallen bij de totale loonsom van de werknemers van [appellante] .

6.4.8.

Tenslotte slaat het hof acht op de langjarig gewekte verwachtingen die bij, met name oudere, werknemers met een lang dienstverband bij [appellante] zijn gewekt dat zij na 25 en 40 jaar dienstverband in aanmerking zouden komen voor een jubileumuitkering, en op de omstandigheid dat de jubileumuitkering het totaal van de aanspraken van werknemers op grond van RAV 450 in financiële zin domineert.

6.4.9.

Gelet op deze omstandigheden is het voorstel van [appellante] tot afschaffen van de jubileumuitkering niet redelijk. De door [appellante] getroffen overgangsregeling doet daaraan, gezien die omstandigheden, naar het oordeel van het hof niet af. Aanvaarding van dit voorstel kon in redelijkheid niet van de bonden of van individuele werknemers worden gevergd.

6.4.10.

[appellante] heeft in hoger beroep, bij wege van subsidiair standpunt, gesteld dat zij niet gehouden is om voor onbepaalde tijd de jubileumuitkering te blijven betalen en heeft in dit verband aan het hof de vraag voorgelegd om te bepalen wat dan wél een redelijk voorstel zou zijn, waarbij [appellante] tot uitgangspunt neemt dat zij inmiddels, aanvankelijk op eigen initiatief en ingevolge het vonnis, een overgangstermijn van bijna 5 jaar in acht heeft genomen. Het hof is, verwijzend naar bovenstaande motivering, van oordeel dat op dit moment en op basis van de in dit geding gewisselde argumenten, geen grond bestaat om, uitgaande van het destijds door [appellante] gedane voorstel, een tijdstip vast te stellen waarop de verplichting van [appellante] om de jubileumuitkering te betalen eindigt. Dat laat uiteraard onverlet dat het partijen vrijstaat om hierover, al dan niet in het verband van toekomstige cao-onderhandelingen, hierover voorstellen te doen.

6.4.11.

De conclusie van het bovenstaande is dat de grieven 2, 3 en 4 falen.

6.5.

Bij pleidooi heeft [appellante] het hof verzocht om de wettelijke verhoging alsnog te matigen. Het hof overweegt op dit punt het volgende.

6.5.1.

De kantonrechter heeft [appellante] in het vonnis veroordeeld tot betaling van een wettelijke verhoging van 50%. De bonden hebben betoogd dat in de memorie van grieven geen grief is gericht tegen dit oordeel van de kantonrechter en dat het verzoek van [appellante] dus tardief is. Dit betoog slaagt. In de memorie van grieven komt niet, ook niet in de toelichtende teksten op de geformuleerde grieven, op enige wijze tot uiting dat [appellante] bezwaar had tegen de toegewezen wettelijke verhoging. De in de toelichting op de grieven 5 en 7 vervatte, niet toegelichte, zinsnede dat [appellante] het geschil in eerste instantie in volle omvang aan het of wilde voorleggen is daarvoor onvoldoende.

Het voor het eerst bij pleidooi gedane verzoek van [appellante] is daarom aan te merken als een nieuwe grief. De in artikel 347 lid 1 Rv besloten liggende twee-conclusie-regel brengt mee dat de rechter in beginsel niet behoort te letten op grieven die in een later stadium dan in de memorie van grieven, dan wel (in geval van incidenteel appel) in de memorie van antwoord worden aangevoerd. Er is geen aanleiding om hier een uitzondering op deze regel aan te nemen. Dit betekent dat de beslissing van de kantonrechter over de wettelijke verhoging in hoger beroep niet ter beoordeling voorligt.

6.5.2.

Ten overvloede voegt het hof hier aan toe dat het betoog van [appellante] , dat er bij de te late betalingen van jubileumuitkeringen van verwijtbaar handelen van haar geen sprake is, miskent dat [appellante] , door eenzijdig de jubileumuitkering af te schaffen en die afschaffing te handhaven, ook toen bleek dat werknemers deze afschaffing niet accepteerden en de bonden dit geding startten, welbewust het risico heeft genomen dat achteraf zou worden vastgesteld dat [appellante] niet aan haar verplichtingen jegens haar medewerkers heeft voldaan.

6.6.

De grieven 5, die zich richt tegen de slotsom in het vonnis dat de vordering kan worden toegewezen, 6, gericht tegen de overweging over de proceskosten, en 7, tegen de beslissing, verwijzen naar (de toelichting op) de overige grieven en hebben geen zelfstandige betekenis.

6.7.

De conclusie van het bovenstaande is dat alle grieven van [appellante] falen.

De voorwaardelijk voorgestelde grieven van de bonden

6.8.

De grieven van de bonden zijn voorwaardelijk aangevoerd, namelijk voor het geval dat het hof op grond van één of meer grieven van [appellante] tot het oordeel komt dat het vonnis van de kantonrechter moet worden vernietigd. Dit doet zich, gezien het bovenstaande, niet voor. De grieven van de bonden zullen reeds daarom niet worden behandeld. Er is geen belang bij om de in eerste instantie door de kantonrechter verworpen stellingen van de bonden nogmaals te beoordelen. In dit hoger beroep komt dus niet aan de orde of de bonden hun vordering (ook) kunnen baseren op de verplichting van [appellante] tot nakoming van de met de bonden gesloten overeenkomsten, of dit ook mogelijk is voor de gehele, in dit geding relevante periode of alleen voor de looptijd van de cao 2012, en wat daarbij als beoordelingsmaatstaf geldt.

De slotsom

6.9.

Het vonnis zal worden bekrachtigd. [appellante] zal worden veroordeeld in de kosten van het principaal hoger beroep. Nu de bonden gezamenlijke processtukken hebben ingediend, zal het hof de kosten begroten op éénmaal het volgens het liquidatietarief berekende bedrag voor alle bonden gezamenlijk. Het hof ziet geen aanleiding voor een kostenveroordeling in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep.

7 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en voorwaardelijk incidenteel appel:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] , uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten van het principaal hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van de bonden op € 716,00 aan griffierecht en op € 3.222,00 aan salaris advocaat en compenseert de proceskosten in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.AE. Uniken Venema, C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden en R.J. Voorink en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 januari 2019.

griffier rolraadsheer