Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:175

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
23-01-2019
Zaaknummer
200.243.837_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding, rechtspersonenrecht, ex-echtgenoten zijn certificaathouders/bestuurders STAK/bestuurders Holding, recht op administratie, voorschot op dividend

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2019/137
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.243.837/01

arrest van 22 januari 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. J.H.M. Daniëls te Sittard,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. E.Ph. Roelofs te Heerlen,

op het bij exploot van dagvaarding van 14 augustus 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 11 juli 2018, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/246201/KG ZA 18-68)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met productie.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. Partijen zijn op 12 mei 1989 te [plaats 1] onder huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd.

  2. Partijen zijn (alleen gezamenlijk vertegenwoordigingsbevoegd) bestuurders van [holding] Holding B.V. (hierna: de Holding). Partijen zijn ook werknemers van de Holding en ontvangen als zodanig maandelijks loon uit de Holding.

  3. Alle geplaatste aandelen in de Holding worden gehouden door de Stichting Administratiekantoor [holding] Holding, statutair gevestigd te [plaats 2] (hierna: de STAK). Gezamenlijk bestuurders van de STAK zijn partijen. Door de STAK zijn certificaten van de aandelen in de Holding uitgegeven. [appellant] heeft 60,11% van de certificaten, [geïntimeerde] heeft 39,88% van de certificaten.

In het bestuur van de STAK en in de vergadering van certificaathouders wordt de stemverhouding bepaald door het aantal certificaten dat ieder van partijen bezit.

In 2014 is de werkmaatschappij waarvan de Holding alle aandelen hield, verkocht aan [de vennootschap] (hierna: [de vennootschap] ). Onderdeel van de koop is een huurovereenkomst, op grond waarvan [de vennootschap] van de Holding het bedrijfspand huurt tegen een huurprijs van € 48.000,= per jaar. Onderdeel van de koop is ook een managementovereenkomst op grond waarvan [appellant] door de Holding ter beschikking wordt gesteld aan [de vennootschap] voor advies en managementdiensten tegen een management fee van € 90.000,= (bij een vierdaagse werkweek), althans € 45.000,= (bij een twee daagse werkweek). Een laatste deel van de koopsom (€ 100.000,=) moest door [de vennootschap] uiterlijk op 31 december 2016 aan de Holding worden betaald.

Per 31 december 2015 had de Holding een eigen vermogen van ruim € 2.500.000,= en € 2.198.440,= aan liquide middelen.

Bij beschikking van 21 september 2016 van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 20 januari 2017. Bij genoemde beschikking is de alimentatie die [appellant] aan [geïntimeerde] moet betalen bepaald op € 2.535,= bruto per maand vanaf datum inschrijving.

Bij beschikking van dit hof van 5 oktober 2017 is voornoemde alimentatiebeslissing vernietigd en is de alimentatie bepaald op € 672,= per maand vanaf datum inschrijving echtscheidingsbeschikking.

Bij arrest van 2 november 2018 heeft de Hoge Raad de sub g) genoemde beschikking van dit hof vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof Arnhem ter verdere behandeling en beslissing.

Een door partijen, samen handelend als bestuurders van de Holding, ondertekende “Volmacht en opdracht” gedateerd 24 februari 2017 aan de Rabobank (prod. 19 bij CvA eerste aanleg, hierna: de Betalingsopdracht) luidt onder meer:

“(…)

Overwegende:

- (…)

- Partijen hebben Rabobank laten weten, dat zij als bestuurders nog slechts opdracht kunnen geven om betalingen ten laste van deze rekeningen te verrichten indien zij daarvoor beide opdracht geven (en/en). Dit wensen zij ook niet te wijzigen.

- Partijen geven hierbij aan Rabobank een onherroepelijke opdracht tot het verrichten van een aantal (deels periodieke) betalingen waarmee zij beiden instemmen;

Opdracht en volmacht:

1. Bestuurders geven hierbij aan Rabobank opdracht om

Op rekeningnummer (….) [appellant] over te maken:

- Per omgaande eenmalig: (…)

- Maandelijks (…)

Op rekeningnummer (…) [geïntimeerde] over te maken:

- Per omgaande eenmalig: (…)

- Maandelijks voor het eerst per 1 maart 2017 € 2.801 (zijnde € 1.955 (maandelijkse alimentatie ad € 2.535 minus € 422 minus € 138) plus maandelijks loon vanaf maart 2017 ad € 846.)

2. (…)

3. Deze opdrachten en volmacht worden onvoorwaardelijk en onherroepelijk verstrekt. Hetgeen aldus inhoudt dat zij alleen kan worden ingetrokken met toestemming van beide bestuurders.

(…)”

[appellant] heeft als bestuurder van de STAK begin januari 2018 een vergadering van de STAK bijeengeroepen ter bespreking en besluitvorming over twee onderwerpen te weten het intrekken van de Betalingsopdracht en het verstrekken van een nieuwe opdracht aan de Rabobank waarbij:

a. de maandelijkse betaling aan [geïntimeerde] wordt teruggebracht tot € 92,= per maand. In de uitnodigingsbrief staat als reden vermeld dat door het hof op 5 oktober 2017 (zie hiervoor sub g)) de alimentatie voor [geïntimeerde] nader is vastgesteld op € 672,= per maand. Daarop strekken, aldus de brief, in mindering de hypotheeklasten van € 442,= en de verzekeringskosten groot € 138,00 zodat resteert € 92,00 per maand;

b. de maandelijkse betaling aan [geïntimeerde] van haar salaris van € 846,00 tot 1 maart 2018 doorloopt met als reden dat die betalingsplicht van de Holding na twee jaar ziekte eindigt;

c. de maandelijkse betaling aan [appellant] van zijn salaris groot € 2.017,08 wordt gecontinueerd.

Tijdens de vergadering van de STAK van 17 januari 2018 zijn beide voorgestelde besluiten met meerderheid van stemmen aangenomen.

Vervolgens heeft [appellant] , zonder toestemming van [geïntimeerde] , bewerkstelligd dat de Rabobank per februari 2018 niet langer uitvoering geeft aan de Betalingsopdracht voor zover die betreft de maandelijkse betalingen aan [geïntimeerde] . Ondanks sommatie weigert [appellant] de Rabobank mee te delen dat de betalingen aan [geïntimeerde] conform de Betalingsopdracht dienen te worden hervat.

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 11 juli 2018 (zaaknummer C03/236515/HA ZA 17-309) is de verkoop van de echtelijke woning gelast onder de in dat vonnis genoemde voorwaarden. Bij kortgeding vonnis van 11 oktober 2018 (zaaknummer C/03/254808/KG ZA 18-500) van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht is [geïntimeerde] veroordeeld genoemd bodemvonnis na te leven.

Partijen hebben bij de Rechtbank Limburg (zaaknr C/03/236515 / HA ZA 17-309) geprocedeerd over o.a. een vordering van [geïntimeerde] tot verrekening van een beweerd recht van [geïntimeerde] op 10,12% van de aandelen in de Holding, welke vordering is afgewezen bij vonnis d.d. 11 juli 2018. Tegen dit vonnis heeft [geïntimeerde] hoger beroep ingesteld.

3.2.

In dit kort geding heeft [geïntimeerde] gevorderd (voor zover nog aan de orde, vordering c. is ingetrokken) dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. [appellant] veroordeelt om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis aan de Coöperatieve Rabobank U.A. mee te delen dat met terugwerkende kracht vanaf 1 februari 2018 de betalingen op grond van de betalingsopdracht van 24 februari 2017 (gehecht aan de inleidende dagvaarding als productie 19) te herstellen en zich te onthouden van alle acties welke tot gevolg zouden hebben dat deze opnieuw worden gestaakt tenzij hierover partijen andere afspraken maken, of in rechte wordt vastgesteld dat deze opdracht dient te worden ingetrokken, onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,= voor elke dag dat [appellant] dit nalaat, met een maximum van € 200.000,=;

  2. [appellant] te veroordelen om binnen drie dagen na dit vonnis zorg te dragen voor:

- terug- of doorbetaling aan de Holding (…) van een bedrag van € 246.082,12 dan wel een bedrag door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen;

- het verstrekken van de bankafschriften ten aanzien van de bankrekening of bankrekeningen waarop [appellant] sinds maart 2016 betalingen verschuldigd door [de vennootschap] heeft laten binnenkomen, dan wel een andersluidende opdracht door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen op grond waarvan [geïntimeerde] afdoende inzicht krijgt in de daadwerkelijke geldstromen van [de vennootschap] sinds maart 2016 tot op heden;

- [de vennootschap] namens de Holding mede te delen, dat zij haar verplichtingen aan de Holding alleen bevrijdend kan betalen op de bankrekening van de Holding met rekeningnummer [rekeningnummer 1] .

Zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 5000,= voor elke dag dat [appellant] dit nalaat, met een maximum van € 200.000,=.

[appellant] te veroordelen om mee te werken aan het nemen en uitvoeren van een dividendbesluit tot uitkering aan de certificaathouder van een dividend van totaal € 1.000.000,= (dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag), welke medewerking in ieder geval zal omvatten:

- op eerste verzoek van [geïntimeerde] mee te werken aan het plannen van de AVA van de Holding;

- het verzenden van een oproeping aan de AVA, met inachtneming van de termijn die daarvoor geldt op grond van de statuten doch niet langer dan 14 dagen, waarbij het enige agendapunt zal zijn het behandelen van een voorstel tot dividenduitkering aan de certificaathouders van totaal € 1.000.000,= (dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag);

- als bestuurder van de STAK instemmen met het voorstel tot dividenduitkering aan de certificaathouders van totaal € 1.000.000,= (dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag);

- direct nadat de AVA dit besluit heeft genomen, op eerste verzoek van [geïntimeerde] als bestuurder, goedkeuring verlenen aan een dergelijk besluit;

- het daadwerkelijk uitbetalen van de op grond van het dividendbesluit aan de certificaathouders verschuldigde uitkering – na inhouding van de daarover in te houden belasting – door het verstrekken van een opdracht tot betaling van deze bedragen aan de Rabobank ten laste van de bankrekeningen van de Holding. Welke opdracht mede dient te omvatten de opdracht om de benodigde gelden over te boeken van de rekening [rekeningnummer 2] (Rabo Doel Reserveren) naar rekening [rekeningnummer 3] (Rekening-courant) van de Holding bij de Rabobank, teneinde deze betalingen mogelijk te maken.

Zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,= per dag tot een maximum van € 500.000,= voor elke dag dat [appellant] niet, nadat dit vonnis bij hem is betekend, telkens binnen drie dagen nadat daartoe een verzoek als hiervoor is omschreven door [geïntimeerde] is gedaan, gevolg heeft gegeven aan de hiervoor beschreven medewerking.

[appellant] heeft verweer gevoerd.

3.3.

Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter vordering a. toegewezen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter - kort gezegd - overwogen dat [appellant] in strijd heeft gehandeld met wat partijen hebben afgesproken en, als gezamenlijk bevoegd bestuurders van de Holding, hebben neergelegd in de Betalingsopdracht.
Vordering b. is afgewezen omdat naar het oordeel van de voorzieningenrechter de beweerde verduistering door [appellant] over de jaren 2016 en/of 2017 niet aannemelijk is geworden.
Vordering d. is bij gebreke van spoedeisend financieel belang afgewezen nu [geïntimeerde] door de toewijzing van vordering a. weer kan beschikken over een maandinkomen waarvan zij kan leven en waarbij de lopende procedures kunnen worden voortgezet om duidelijkheid te krijgen over haar alimentatie- en verrekeningaanspraken.
De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd.

3.3.

[appellant] heeft in principaal hoger beroep acht grieven aangevoerd, geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis voor zover daarin vordering a. is toegewezen en tot het alsnog ook afwijzen van vordering a.

[geïntimeerde] heeft in incidenteel hoger beroep geen expliciete grieven geformuleerd, maar gemotiveerd bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van haar vorderingen b. en d. Als grieven worden aangemerkt alle gronden die de appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd, waarbij vereist is dat die gronden voldoende kenbaar zijn. Naar het oordeel van het hof moeten de bezwaren van [geïntimeerde] als grieven worden aangemerkt. Het hof constateert dat [appellant] deze bezwaren ook aldus heeft opgevat, zo blijkt uit zijn memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep. [geïntimeerde] concludeert in incidenteel hoger beroep tot vernietiging van het bestreden vonnis voor zover daarin haar vorderingen b. en d. zijn afgewezen en tot het alsnog ook toewijzen van die vorderingen.

3.4.

Met de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep wordt het geschil in volle omvang aan het hof voorgelegd. Het hof zal hierna dan ook opnieuw beoordelen of de vorderingen a. b. en/of d. van [geïntimeerde] moeten worden toegewezen.

Vordering a.

3.5.

Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] - kort samengevat - ten grondslag gelegd dat partijen, in het kader van de discussies tussen hen over de alimentatie, de verdeling van het vermogen en de verrekening, begin 2017 afspraken hebben gemaakt om rust te creëren, welke afspraken zijn neergelegd in de Betalingsopdracht. Die Betalingsopdracht is door de uitsluitend gezamenlijk bevoegd bestuurders van de Holding onvoorwaardelijk en onherroepelijk verstrekt en kan alleen worden ingetrokken met toestemming van beide gezamenlijk bevoegd bestuurders. Een beslissing van de STAK en/of van de vergadering van certificaathouders kan daaraan niet afdoen. Ook de beschikking van dit hof waarbij de alimentatie op een lager bedrag is bepaald, kan daaraan niet afdoen.

3.6.

[appellant] verweert zich - kort samengevat (grieven I, II, III, IV, V en VII) - met de stelling dat (de voorzieningenrechter heeft miskend dat) de Holding en haar bestuurders gehouden zijn gehoor te geven aan het besluit van de STAK van 24 januari 2018 tot het intrekken van de Betalingsopdracht en het verstrekken van de nieuwe opdracht (zie onder 3.1.j) en k) hiervoor). Verder voert [appellant] (grieven VI en VIII) aan dat rechterlijke uitspraken, in dit geval dus de beschikking van dit hof inzake de hoogte van de alimentatie, afdoen aan de onherroepelijkheid van de Betalingsopdracht.

3.7.

Het hof deelt het oordeel van de voorzieningenrechter met betrekking tot vordering a. en de uitgebreide motivering van dat oordeel als neergelegd in de rechtsoverwegingen 4.1 tot en met 4.12 van het bestreden vonnis. Het hof voegt daaraan toe dat partijen slechts in hun hoedanigheid van bestuurders van de Holding kunnen beslissen en beschikken over gelden van de Holding en dan uitsluitend gezamenlijk bevoegd zijn, zoals overigens ook namens [appellant] (terecht) is aangevoerd in de procedure bij de Hoge Raad (zie prod. 4 bij MvG, borgersbrief van mr. [mr.] in die procedure, pag. 4). Van enige bepaling in statuten van de STAK of de Holding en/of in de administratievoorwaarden of van een aandeelhoudersbesluit op grond waarvan de een individueel handelend bestuurder van de Holding bevoegd zou zijn te beschikken over de gelden van de Holding of de STAK, is het hof niet gebleken. Ook is niet gebleken van enige bepaling op grond waarvan het bestuur van de Holding gehouden zou kunnen zijn besluiten van de STAK uit te voeren, noch van enige statutaire bepaling op grond waarvan het bestuur van de Holding gehouden zou zijn om een aandeelhoudersbesluit waarmee beschikt wordt over gelden van de Holding, uit te voeren zonder dat daarover binnen de Holding nog een bestuursbesluit zou mogen/moeten worden genomen. Dat een rechtsgeldig tot stand gekomen bestuursbesluit van de Holding tot het intrekken/herroepen van de Betalingsopdracht ontbreekt, staat als onbestreden vast.

De (op 2 november 2018 door de Hoge Raad vernietigde) alimentatiebeschikking van dit hof kan evenmin afdoen aan de wijze waarop rechtsgeldig bestuursbesluiten moeten worden genomen binnen de Holding, noch aan de inhoud van de Betalingsopdracht, al was het alleen al omdat die alimentatiebeschikking de Holding niet aangaat. De Holding is niet de alimentatieplichtige. Voorts staat als (ook in hoger beroep) niet bestreden vast dat partijen niet hebben afgesproken dat de Betalingsopdracht eenzijdig door [appellant] zou kunnen worden gewijzigd bij een andersluidende alimentatie-uitspraak van een rechter, laat staan dat dit hem als bestuurder van de Holding het recht zou geven die opdracht zonder toestemming van zijn mede-bestuurder [geïntimeerde] in te trekken of te wijzigen.

3.8.

De slotsom van het voorgaande is dat alle grieven in principaal appel falen. Naar het oordeel van het hof is vordering a. terecht toegewezen.

Vordering b.

3.9.

In hoger beroep klaagt [geïntimeerde] dat de voorzieningenrechter bij de beoordeling (en afwijzing) van haar vordering b. niet de juiste maatstaf heeft gehanteerd. Het gaat, zo voert zij aan, niet om verduistering van de door [appellant] omgeleide betalingen van [de vennootschap] naar niet aan de Holding toebehorende rekeningen. Het gaat om onrechtmatig handelen van [appellant] als bestuurder jegens [geïntimeerde] als medebestuurder en certificaathouder, nu hij zonder dat daaraan een rechtsgeldig bestuursbesluit ten grondslag ligt, betalingen van debiteuren heeft omgeleid en zich de aldus ontvangen gelden heeft toegeëigend, terwijl die tot het vermogen van de Holding behoren, waarin [geïntimeerde] certificaten van 40% van de aandelen bezit. Voor zover [appellant] heeft aangevoerd de aldus omgeleide bedragen te hebben besteed ten behoeve van de Holding en overigens te hebben geboekt in zijn rekening-courant verhouding met de Holding, is dat eveneens onrechtmatig omdat ook daar geen bestuursbesluit aan ten grondslag ligt. Daarnaast klaagt [geïntimeerde] dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellant] de aldus omgeleide betalingen over 2016 cijfermatig heeft onderbouwd en voorzien van de nodige bewijsstukken heeft toegelicht en aangenomen dat [appellant] dat over 2017 ook wel zo spoedig en compleet mogelijk zal doen. [geïntimeerde] voert aan dat haar integendeel over 2016 nog geen door een accountant gecontroleerde cijfers zijn verstrekt en dat er over 2017 en 2018 nog in het geheel geen informatie is verschaft, terwijl zij als certificaathouder en medebestuurder en alimentatiegerechtigde wel recht heeft op die informatie.

3.10.

[appellant] maakt bezwaar tegen de gevorderde terugstorting. Hij betwist dat hij onrechtmatig heeft gehandeld door betalingen om te leiden nu hij die betalingen correct in de administratie van de Holding (o.m. in rekening courant) heeft geboekt en niet aan de Holding heeft onttrokken dan wel heeft verduisterd. Hij biedt aan de gevraagde gegevens aan het hof te verstrekken mocht daar behoefte aan bestaan.

3.11.

Het hof stelt vast dat door [appellant] niet is weersproken dat hij zonder instemming van [geïntimeerde] als medebestuurder, heeft bewerkstelligd dat bedragen die aan de Holding moesten worden betaald, aan hem zijn betaald c.q. toegekomen. Dat [appellant] jegens de Holding aanspraak kon maken op het aan hem doen toekomen van die bedragen, is gesteld noch gebleken. Als zodanig heeft [appellant] deze bedragen dan ook onrechtmatig aan de Holding onttrokken. Dat [appellant] de bedragen in rekening courant heeft geboekt als een schuld aan de Holding (wat door [geïntimeerde] wordt betwist) maakt het voorgaande niet anders.

In feite erkent [appellant] echter met die boekingen dat hij de bedragen aan de Holding verschuldigd is. De Holding kan dus op (terug- of door)betaling aanspraak maken, maar is evenwel geen partij in dit kort geding. [geïntimeerde] vordert - kennelijk ten behoeve van de Holding – thans de terug- of doorbetaling aan de Holding. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ziet het hof niet welk (spoedeisend) belang [geïntimeerde] heeft bij die vordering. Daargelaten de vraag welk bedrag concreet is onttrokken (partijen twisten daarover en dit kort geding leent zich niet voor nader onderzoek op dat punt) en daargelaten de vraag of het onttrekken ook als onrechtmatig jegens [geïntimeerde] in privé moet worden beschouwd, is gesteld noch gebleken dat [geïntimeerde] als gevolg van de onttrekkingen schade dreigt te lijden ter voorkoming waarvan zij voldoende (spoedeisend) belang heeft bij het gevorderde. Vordering b. eerste aandachtstreepje is dan ook terecht afgewezen.

3.12.

Ten aanzien van vordering b. tweede aandachtstreepje constateert het hof dat [appellant] tegen die vordering geen bezwaar heeft gemaakt en niet heeft weersproken dat [geïntimeerde] recht heeft op rekening en verantwoording ten aanzien van genoemde onttrekkingen. [appellant] heeft (slechts) in zijn algemeenheid aangevoerd dat hij op verzoek van [geïntimeerde] al gegevens heeft verstrekt aan [derde 1] en nog zal verstrekken aan dhr. [derde 2] . Wat daar ook van zij, nu deze enkele mededeling niet de conclusie rechtvaardigt dat [geïntimeerde] die rekening en verantwoording van [appellant] al heeft ontvangen, waar zij aanspraak op maakt en naar het oordeel van het hof als certificaathoudster en medebestuurder ook recht op heeft, zal het hof dit deel van vordering b. toewijzen als hierna in goede justitie bepaald en in het dictum opgenomen.

Op verzoek van [geïntimeerde] en bij gebrek aan voldoende betwisting dat daar aanleiding toe bestaat, zal het hof daaraan bij wijze van prikkel tot naleving van deze veroordeling een dwangsom verbinden, gematigd en gemaximeerd als hierna in het dictum is bepaald.

3.13.

Bij toewijzing van vordering b. derde aandachtstreepje ontbreekt naar het oordeel van het hof (spoedeisend) belang, nu [geïntimeerde] het gevorderde als medebestuurder van de Holding zelf kan bewerkstelligen en gesteld noch gebleken is dat een dergelijke mededeling van haar niet het gewenste effect zal sorteren.

Vordering d.

3.14.

In hoger beroep klaagt [geïntimeerde] dat de voorzieningenrechter bij de beoordeling van het spoedeisend belang bij vordering d. ten onrechte slechts het oog heeft gehad op de inkomenssituatie van [geïntimeerde] die door toewijzing van vordering a. minder problematisch zou worden. [geïntimeerde] voert aan dat zij er spoedeisend belang bij heeft om vooruitlopend op de boedelscheiding, die partijen gevangen houdt omdat het belangrijkste deel van het te verdelen vermogen in de Holding zit, door middel van een dividenduitkering in de gelegenheid te komen een eigen bestaan op te bouwen. Dat geldt temeer nu de echtelijke woning als gevolg van de uitspraak van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 11 juli 2018 moet worden verkocht nog voordat het vermogen is verdeeld. [geïntimeerde] zal dan haar woning kwijt zijn en niet in de gelegenheid zijn zich een andere woning te verschaffen omdat haar vermogen in de Holding vast zit. Om die noodsituatie te voorkomen heeft zij aan [appellant] voorgesteld de woning toch maar zelf te kopen tegen betaling van de uitkoopsom door latere verrekening met haar aanspraken als certificaathouder. [appellant] heeft geweigerd daaraan mee te werken. [geïntimeerde] voert verder aan dat de gevorderde dividenduitkering mogelijk is omdat aan de voorwaarden waaronder dividend kan worden uitgekeerd als opgenomen in de administratievoorwaarden van de STAK is voldaan.

3.15.

[appellant] betwist dat [geïntimeerde] spoedeisend belang heeft bij deze vordering, in de kern genomen met de enkele stelling dat [geïntimeerde] al vermogen heeft, te weten ca. 40% van de certificaten van aandelen in het geplaatste kapitaal van de Holding. [appellant] weerspreekt niet dat dit vermogen - zolang er geen dividenduitkering wordt gedaan en [appellant] niet gedwongen kan worden de certificaten van [geïntimeerde] over te nemen - vast zit in de Holding en dat [geïntimeerde] daardoor met dat vermogen geen huis kan kopen. Ook weerspreekt [appellant] niet dat hij heeft geweigerd mee te werken aan een regeling met een uitgestelde betalingsplicht, die het mogelijk maakte dat [geïntimeerde] het huis zelf zou kopen.

3.16.

Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] met voorgaande - grotendeels door [appellant] niet, althans onvoldoende, weersproken stellingen - haar spoedeisend belang bij onderhavige vordering voldoende aannemelijk gemaakt. Het verweer dat [geïntimeerde] geen belang heeft omdat zij al vermogen heeft in de vorm van 40% van de certificaten, verwerpt het hof, nu vast staat dat dit vermogen niet liquide te maken is zolang [appellant] niet meewerkt aan een dividenduitkering, het overnemen van de certificaten, of een uitkering aan [geïntimeerde] in rekening-courant die haar in staat stelt zich alternatieve woonruimte te verschaffen.

3.17

Door [appellant] is niet bestreden de stelling van [geïntimeerde] dat de gevorderde dividenduitkering mogelijk is omdat de Holding ook na de door [geïntimeerde] gewenste dividenduitkering haar opeisbare schulden zal kunnen blijven betalen. Ook tegen de hoogte heeft [appellant] geen bezwaar gemaakt.

Wel heeft [appellant] aangevoerd dat [geïntimeerde] met haar vordering niet bij hem, maar bij de STAK moet zijn omdat de STAK als aandeelhouder beslist over dividenduitkeringen, en heeft hij gesteld dat de Holding geen partij in deze procedure is, terwijl de Holding de dividenduitkering moet verrichten. [geïntimeerde] heeft echter terecht aangevoerd dat de besluitvorming in de (vergadering van certificaathouders en de) STAK feitelijk plaatsvindt door alleen [appellant] nu hij de meerderheid van de certificaten bezit en daarmee de doorslaggevende stem heeft. [geïntimeerde] vordert ook niet dat de STAK het besluit neemt en dat de Holding betaalt. [geïntimeerde] vordert de medewerking van [appellant] aan het nemen en uitvoeren van een dividendbesluit door de STAK en door de Holding. Omdat [geïntimeerde] en [appellant] tezamen zowel de enige bestuurders van de Holding en de STAK als de enige houders van (certificaten van) aandelen in de Holding zijn, zou de Holding, ware zij partij bij deze procedure geweest, geen standpunt onafhankelijk van partijen hebben kunnen innemen. Gesteld noch gebleken is dat het vennootschappelijk belang van de Holding zich tegen de dividenduitkering verzet. Nu bovendien (voldoende onderbouwd) gesteld noch gebleken is dat er sprake is van een reëel restitutierisico, kan naar het oordeel van het hof de vordering tot het verlenen van medewerking (als onvoldoende gemotiveerd weersproken) worden toegewezen. Terecht heeft [appellant] aangevoerd dat een dergelijke dividenduitkering een voorwaardelijk karakter heeft, net als de Betalingsopdracht. Indien uit de vermogensverdeling volgt dat enige partij aanspraak kan maken op een andere verdeling van certificaten, dient ook de dividenduitkering daarvoor gecorrigeerd te worden.
Op verzoek van [geïntimeerde] en bij gebrek aan voldoende betwisting dat daar aanleiding toe bestaat, zal het hof aan deze veroordeling bij wijze van prikkel tot naleving een dwangsom verbinden, gematigd en gemaximeerd als hierna in het dictum is bepaald.

3.18.

De slotsom van het voorgaande is dat het principaal appel faalt en het incidenteel appel slaagt. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd voor zover daarin de vorderingen b. en d. van [geïntimeerde] zijn afgewezen. Opnieuw rechtdoende zullen die alsnog worden toegewezen als hierna in het dictum verwoord. De kosten van het hoger beroep zullen, nu partijen ex-echtelieden zijn, worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen. Op verzoek van [geïntimeerde] zal dit arrest uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het bestreden vonnis voor zover daarin vorderingen b. en d. van [geïntimeerde] zijn afgewezen, en opnieuw rechtdoende veroordeelt [appellant] :

A. tot het binnen vier weken nadat dit arrest aan hem is betekend:

  • -

    verstrekken van een overzicht van alle omgeleide betalingen en onttrokken gelden met bijbehorende facturen en bankafschriften, althans voor zover [appellant] tot die afschriften geen toegang heeft, bankrekeningnummers en tenaamstelling van de bankrekeningen, waarop sinds maart 2016 betalingen verschuldigd door debiteuren van de Holding (waaronder [de vennootschap] ) zijn verricht, en,

  • -

    verstrekken van een overzicht van alle rekening courant verhoudingen die de Holding met anderen (waaronder [appellant] ), met uitzondering van banken, sinds maart 2016 onderhoudt of heeft onderhouden en van alle boekingen die op die rekening courant verhoudingen zijn of worden verricht;

dit alles op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,= per dag dat [appellant] , nadat dit arrest aan hem is betekend, nalaat aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 100.000,=;

om mee te werken aan het nemen en uitvoeren van een dividendbesluit tot uitkering aan de certificaathouders van een dividend van totaal € 1.000.000,= voor door de Holding daarop in te houden belastingen, welke medewerking in ieder geval zal omvatten:

  • -

    het binnen drie werkdagen na een verzoek daartoe van [geïntimeerde] instemmen als certificaathouder en als bestuurder van de Stichting Aandeelhouders Kantoor [holding] Holding B.V. met een aandeelhoudersbesluit buiten vergadering van [holding] Holding B.V. tot het doen van een dividenduitkering aan de certificaathouders overeenkomstig de door hen gehouden percentuele belangen van in totaal € 1.000.000;

  • -

    het binnen drie werkdagen nadat het voormelde aandeelhoudersbesluit tot dividenduitkering is genomen en na een verzoek daartoe van [geïntimeerde] , als bestuurder van [holding] Holding B.V. instemmen met een besluit tot goedkeuring van het voormelde aandeelhoudersbesluit;

  • -

    het binnen zeven werkdagen nadat het hiervoor genoemde bestuursbesluit door beide bestuurders van [holding] Holding B.V. is genomen, verlenen van medewerking aan het verrichten van de betalingen aan de certificaathouders ter uitvoering van het genomen aandeelhoudersbesluit na inhouding van de daarover in te houden belasting;

dit alles op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,= per dag tot een maximum van € 100.000,= voor elke dag dat [appellant] , nadat dit arrest aan hem is betekend, geen gevolg heeft gegeven aan de hiervoor beschreven medewerking;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, aldus dat elke partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, J.C.J. van Craaikamp en J.G.A. Struycken en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 januari 2019.

griffier rolraadsheer