Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:172

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
23-01-2019
Zaaknummer
200.211.916_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:9592, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

erfdienstbaarheid van weg, artikel 5:79 BW, HR 21 december 2018 (ECLI:Nl:HR:2018:2373), artikel 5:78 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 5 79
Burgerlijk Wetboek Boek 5 78
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/157
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.211.916/01

arrest van 22 januari 2019

in de zaak van

1 [appellant] ,

2. [appellante],

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna ook aan te duiden als: [appellant] c.s.,

advocaat: mr. A.F.Th.M. Heutink te Gennep ,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,

2. [geïntimeerde 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

hierna ook aan te duiden als: [geïntimeerde 1] c.s.,

advocaat: mr. P.R.W. Richter te Utrecht,

op het bij exploot van dagvaarding van 7 februari 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 9 november 2016, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellant] c.s. als eisers in conventie, verweerders in reconventie en [geïntimeerde 1] c.s. als gedaagden in conventie, eisers in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/215504/HA ZA 16-12)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis en het daaraan voorafgegane tussenvonnis van 29 juni 2016, waarbij een descente en comparitie van partijen is bevolen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de akten uitlaten omtrent comparitie na aanbrengen van 25 april 2017, waarbij partijen te kennen hebben gegeven geen prijs te stellen op een comparitie na aanbrengen;

  • -

    de memorie van grieven (met eiswijziging);

  • -

    de memorie van antwoord, met producties;

  • -

    de akte verzoek descente van de zijde van [appellant] c.s. van 24 oktober 2017;

  • -

    de antwoordakte van de zijde van [geïntimeerde 1] c.s. van 21 november 2017, strekkende tot afwijzing van het verzoek tot descente zijdens [appellant] c.s.

2.2.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

De vaststaande feiten

3.1.

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 en 2.2 van het bestreden vonnis. Aangevuld met hetgeen in dit hoger beroep verder nog als onweersproken vaststaat, gaat het, samengevat, om het volgende.

3.2.

[geïntimeerde 1] c.s. zijn sinds 2005 eigenaar van het perceel grond met woning en verdere aanhorigheden, gelegen aan de [weg] [adres 1] te [plaats] , (thans) kadastraal bekend gemeente [plaats] , sectie [sectie] , nummer [nummer 1] .

3.3.

Bij notariële akte van 7 november 2014 (productie 6 bij inleidende dagvaarding) hebben [appellant] c.s. de eigendom geleverd gekregen van het perceel grond met woning en verdere aanhorigheden, gelegen aan de [straat] [adres 2] te [plaats] , (thans) kadastraal bekend gemeente [plaats] , sectie [sectie] , nummer [nummer 2] .

3.4.

In de leveringsakte wordt verwezen naar een notariële akte van 3 februari 1970 (productie 1 bij inleidende dagvaarding), waarbij ten laste van het perceel van [appellant] c.s. en ten behoeve van het perceel van [geïntimeerde 1] c.s. een erfdienstbaarheid van weg is gevestigd. Deze erfdienstbaarheid, die woordelijk is opgenomen in de leveringsakte, luidt als volgt:

“Comparant sub III [een rechtsvoorganger van [appellant] c.s.; toevoeging hof] verleent hier tegenover ten laste van het hierboven omschreven perceelsgedeelte als lijdend erf en ten behoeve van het resterende aan volmachtgever [naam] [een rechtsvoorganger van [geïntimeerde 1] c.s.; toevoeging hof] in eigendom verblijvende gedeelte van het perceel (…) als heersend erf, een erfdienstbaarheid van weg, ten einde van de [straat] over het lijdend erf te voet, met rijwiel, motor, paard, wagen, scooter en auto of ander voertuig te gaan naar het heersend erf en omgekeerd; van deze weg mag ook gebruik gemaakt worden door de eigenaar van het lijdend erf; stationeren op de weg is verboden; de eigenaar van het lijdend erf is verplicht deze weg op zijn kosten in voor normaal gebruik goed bruikbare staat te brengen en te houden; extra kosten van onderhoud van deze weg, veroorzaakt door zwaar vrachtvervoer over die weg, komen ten laste van degene te wiens bate dat vervoer plaats heeft; afsluiting van deze weg met een hek aan de openbare weg is toegestaan, mits de eigenaar van het heersend erf daarvan geen abnormale hinder zal ondervinden.”

3.5.

Op de door [geïntimeerde 1] c.s. overgelegde en ingekleurde kadastrale kaart (productie I bij memorie van antwoord), als hieronder afgebeeld, is het perceel van [geïntimeerde 1] c.s. omkaderd met een smalle rode lijn en is de erfdienstbaarheid weergegeven met een dikke rode lijn. De erfdienstbaarheid loopt over een lengte van bijna honderd meter over (de noordzijde van) het perceel van [appellant] c.s., langs de zijgevel van de woning van [appellant] c.s.

Eerste aanleg

3.6.

[appellant] c.s. hebben [geïntimeerde 1] c.s. in rechte betrokken en in conventie, samengevat, gevorderd i) te bepalen dat bedoelde erfdienstbaarheid wordt opgeheven, ii) te bepalen dat [geïntimeerde 1] c.s. de notariële akte waarin de erfdienstbaarheid is komen te vervallen ondertekenen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom, iii) met veroordeling van [geïntimeerde 1] c.s. in de proceskosten, waaronder de nakosten.

3.7.

[geïntimeerde 1] c.s. hebben verweer gevoerd en zij hebben op hun beurt reconventionele vorderingen ingesteld.

3.8.

[appellant] c.s. hebben verweer gevoerd.

3.9.

Na een descente en comparitie van partijen op 14 september 2016, heeft de rechtbank bij bestreden eindvonnis de vorderingen in conventie afgewezen. De rechtbank heeft daartoe, voor zover thans van belang, overwogen dat artikel 5:79 BW geen afweging van de belangen tussen de eigenaars van het heersend erf en van het dienend erf toelaat en zij heeft geoordeeld dat er aan de zijde van [geïntimeerde 1] c.s. nog steeds een, zij het enigszins te relativeren, redelijk belang aanwezig is bij het uitoefenen van de erfdienstbaarheid. Voorts heeft de rechtbank bij bestreden eindvonnis de vorderingen in reconventie afgewezen en heeft zij de proceskosten gecompenseerd.

Hoger beroep

3.10.

[appellant] c.s. hebben in hoger beroep gevorderd, kort gezegd, het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, primair hun vorderingen in eerste aanleg als hiervoor weergegeven onder 3.6 onder i) en ii) alsnog toe te wijzen. Daarenboven hebben zij gevorderd, kort gezegd, subsidiair i) te bepalen dat bedoelde erfdienstbaarheid wordt gewijzigd in die zin dat deze uitsluitend en alleen zal dienen ten behoeve van groot onderhoud aan de tuin van [geïntimeerde 1] c.s. twee keer per jaar dan wel dat deze zal worden gewijzigd in enige andere erfdienstbaarheid die recht doet aan de noodzaak daarvan, ii) te bepalen dat [geïntimeerde 1] c.s. de notariële akte waarin de erfdienstbaarheid is gewijzigd ondertekenen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom, een en ander met veroordeling van [geïntimeerde 1] c.s. in de kosten van dit geding, waaronder begrepen de nakosten.

3.11.

[geïntimeerde 1] c.s. hebben bij memorie van antwoord verweer gevoerd en geconcludeerd [appellant] c.s. in hun vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren althans deze vorderingen af te wijzen, met veroordeling van [appellant] c.s. in de kosten van beide instanties.

3.12.

[appellant] c.s. hebben in hoger beroep drie grieven aangevoerd, die uitsluitend betrekking hebben op de vorderingen in conventie. De vorderingen in reconventie zijn niet ter beoordeling aan het hof voorgelegd.

Met de grieven komen [appellant] c.s. op tegen de overweging van de rechtbank dat artikel 5:79 BW geen afweging van de belangen tussen eigenaars van het heersend erf en eigenaars van het dienend erf toelaat (grief I) en tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde 1] c.s. nog steeds een, zij het enigszins te relativeren, redelijk belang hebben bij uitoefening van het recht van erfdienstbaarheid (grieven II en III). Het hof zal de grieven hierna gezamenlijk bespreken.

3.13.

Ingevolge het bepaalde in artikel 5:79 BW kan de rechter op vordering van de eigenaar van het dienende erf een erfdienstbaarheid opheffen, indien de uitoefening daarvan onmogelijk is geworden of de eigenaar van het heersende erf geen redelijk belang bij de uitoefening meer heeft, en het niet aannemelijk is dat de mogelijkheid van uitoefening of het redelijk belang daarbij zal terugkeren.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 21 december 2018 (ECLI:Nl:HR:2018:2373) overwogen dat artikel 5:79 BW bepaalt dat de rechter op vordering van de eigenaar van het dienende erf een erfdienstbaarheid kan opheffen, indien de eigenaar van het heersende erf geen redelijk belang bij de uitoefening meer heeft, en het niet aannemelijk is dat het redelijk belang daarbij zal terugkeren. De Hoge Raad voegt hieraan toe dat de beoordelingsmaatstaf van deze bepaling alleen uitgaat van het belang van de gerechtigde bij de uitoefening van zijn recht, hetgeen betekent dat de belangen van de eigenaar van het dienende erf bij opheffing geen rol spelen, behoudens in het geval van misbruik van bevoegdheid.

3.14.

Gesteld noch gebleken is dat sprake is van misbruik van bevoegdheid aan de zijde van [geïntimeerde 1] c.s. Een belangenafweging als door [appellant] c.s. bepleit, is dan ook niet aan de orde.

3.15.

Vaststaat dat uitoefening van de erfdienstbaarheid niet onmogelijk is geworden.

In geschil is of [geïntimeerde 1] c.s. (nog steeds) een redelijk belang hebben bij uitoefening van de erfdienstbaarheid als hiervoor weergegeven.

3.16.

Volgens [appellant] c.s. is de erfdienstbaarheid destijds gevestigd om, bij gebreke van een andere ontsluitingsweg, het perceel van [geïntimeerde 1] c.s. te kunnen bereiken vanaf de openbare weg. Na aanleg van de weg [weg] , waaraan het perceel van [geïntimeerde 1] c.s. is gelegen, heeft de erfdienstbaarheid haar functie verloren en is deze jaren niet meer gebruikt. Eerst onlangs hebben [geïntimeerde 1] c.s. weer gebruik gemaakt van de erfdienstbaarheid. Volgens [appellant] c.s. hebben [geïntimeerde 1] c.s. geen enkel te respecteren en te rechtvaardigen belang bij instandhouding van de erfdienstbaarheid, anders dan dat het voor hen wellicht ‘een handig achterommetje is dan wel een binnendoor naar de woning’, terwijl gebruikmaking van de erfdienstbaarheid een enorme inbreuk op de privacy van [appellant] c.s. vormt.

3.17.

Het hof volgt [appellant] c.s. niet in dit betoog. Niet alleen hebben [geïntimeerde 1] c.s. gemotiveerd betwist dat de erfdienstbaarheid destijds slechts is gevestigd om hun perceel te kunnen bereiken bij gebreke van een andere ontsluitingsweg, ook de omschrijving van de erfdienstbaarheid in de notariële akte houdt geen beperking in ten aanzien van het doel en/of het gebruik van de erfdienstbaarheid. Verder hebben [geïntimeerde 1] c.s. voldoende betwist gedurende jaren geen gebruik te hebben gemaakt van de erfdienstbaarheid, zodat dit niet vast staat. In dit verband merkt het hof op dat uit de door [appellant] c.s. overgelegde verklaringen niet blijkt dat door [geïntimeerde 1] c.s. gedurende jaren geen gebruik is gemaakt van de erfdienstbaarheid van weg. Bovendien heeft te gelden dat, zelfs als het hof er veronderstellenderwijs van uit zou gaan dat [geïntimeerde 1] c.s. gedurende jaren geen gebruik hebben gemaakt van de erfdienstbaarheid, dit niet wil zeggen dat [geïntimeerde 1] nu en in de toekomst geen redelijk belang (kunnen) hebben bij het gebruik van de erfdienstbaarheid. Ook de enkele omstandigheid dat het perceel van [geïntimeerde 1] c.s. tevens via de openbare weg [weg] kan worden bereikt en - aldus [appellant] c.s. - alle functies die bij ‘het wonen’ horen vanaf en vanuit de openbare weg [weg] kunnen worden uitgeoefend, brengt niet met zich dat [geïntimeerde 1] c.s. nu en in de toekomst geen redelijk belang (kunnen) hebben bij het gebruik van de erfdienstbaarheid van weg. Aan de gestelde schending van de privacy komt alleen belang toe in het kader van een afweging van de belangen van de eigenaars van het dienende erf tegenover die van de eigenaars van het heersende erf, terwijl een dergelijke belangenafweging niet aan de orde is bij de toepassing van artikel 5:79 BW.

3.18.

Bij bestreden eindvonnis heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, overwogen:

“4.2.1. Tijdens de descente (…) is de rechter gebleken dat, zoals door [geïntimeerde 1] c.s. gesteld, inderdaad een groot deel van (de achterzijde van) het perceel van [geïntimeerde 1] c.s. beduidend lager ligt dan de voorzijde van het perceel. Daardoor is dat deel van het perceel met voertuigen vanaf de [weg] niet bereikbaar. Het belang om daar met voertuigen te kunnen komen komt naar het oordeel van de rechter wel voor enige relativering in aanmerking. Immers is ter plaatse ook gebleken dat aan de voorzijde van het perceel van [geïntimeerde 1] c.s., gelegen aan het einde van de doodlopende weg [weg] , ruimschoots parkeergelegenheid voor auto's aanwezig is, zodat de noodzaak om deze aan de achterzijde van het perceel te parkeren niet groot lijkt. Het belang om per fiets of te voet de erfdienstbaarheid te kunnen gebruiken komt zelfs sterk voor relativering in aanmerking, nu het perceel via de voorzijde zeer goed bereikbaar is. Tegelijkertijd valt wel in te zien dat het perceelsgedeelte aan de achterzijde voor voertuigen toegankelijk moet zijn, bijvoorbeeld om daar onderhoud aan de grote tuin te kunnen plegen of om daar -toch- een auto of camper te kunnen parkeren of stallen. Aldus moet geoordeeld worden dat er aan de zijde van [geïntimeerde 1] c.s. nog steeds een, zij het enigszins te relativeren, redelijk belang aanwezig is bij het uitoefenen van de erfdienstbaarheid.”

3.19.

Anders dan [appellant] c.s. lijken te veronderstellen, heeft de rechtbank hiermee geenszins geoordeeld dat van een redelijk belang bij uitoefening van de erfdienstbaarheid aan de zijde van [geïntimeerde 1] c.s. geen sprake meer is. Deze veronderstelling berust op een onjuiste lezing van het vonnis. De rechtbank heeft daarentegen geoordeeld dat [geïntimeerde 1] c.s. wel nog steeds een, zij het enigszins te relativeren, belang hebben bij uitoefening van de erfdienstbaarheid.

3.20.

Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde 1] c.s. nog steeds een belang hebben bij uitoefening van de erfdienstbaarheid. Dat belang volgt reeds uit het feit dat, zoals de rechtbank heeft vastgesteld en waartegen niet gegriefd is, een groot deel van (de achterzijde van) het perceel van [geïntimeerde 1] c.s. met voertuigen vanaf [weg] niet bereikbaar is, waar dit perceelsgedeelte via de erfdienstbaarheid van weg wel met voertuigen bereikbaar is en [geïntimeerde 1] c.s. door gebruik te maken van de erfdienstbaarheid op de door hen gewenste wijze gebruik kunnen maken van dit deel van hun perceel.

De enkele omstandigheid dat het belang om met voertuigen op bedoeld, lager gelegen, deel van het perceel van [geïntimeerde 1] c.s. te kunnen komen naar het oordeel van de rechtbank voor enige relativering in aanmerking komt, omdat de rechtbank gebleken is dat aan de voorzijde van het perceel van [geïntimeerde 1] c.s. ruimschoots parkeergelegenheid voor auto’s aanwezig is, zodat de noodzaak om deze aan de achterzijde van het perceel te parkeren niet groot lijkt, maakt niet dat de erfdienstbaarheid voor [geïntimeerde 1] c.s. niet meer van betekenis moet worden geacht. Niet alleen hebben [geïntimeerde 1] c.s. al in eerste aanleg gewezen op verkeersonveiligheid respectievelijk hinder voor overig verkeer en het risico op beschadiging en diefstal van de voertuigen ingeval deze gestald (moeten) worden aan de voorzijde van het perceel van [geïntimeerde 1] c.s., hetgeen door [appellant] c.s. niet althans onvoldoende is weersproken, ook is het belang van [geïntimeerde 1] c.s. bij gebruik van de erfdienstbaarheid naar het oordeel van het hof niet beperkt tot het parkeren van voertuigen op bedoeld perceelsgedeelte. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat het gedeelte aan de achterzijde van het perceel van [geïntimeerde 1] c.s. ook voor voertuigen toegankelijk moet zijn om bijvoorbeeld onderhoud aan de grote tuin te kunnen plegen.

3.21.

Het betoog van [appellant] c.s. dat geen van de bewoners aan [weg] de auto in de achtertuin kan zetten en dat het hebben van meerdere auto's en een camper een luxe is, doet, wat hier verder ook van zij, niet af aan het belang van [geïntimeerde 1] c.s. bij gebruikmaking van de erfdienstbaarheid. Bovendien komt aan dit betoog strikt genomen alleen belang toe in het kader van een niet aan de orde zijnde afweging van de belangen van de eigenaars van het dienende erf tegenover die van de eigenaars van het heersende erf.

3.22.

Ook het betoog van [appellant] c.s. dat onderhoud slechts sporadisch zal geschieden en onderhoud eenvoudig zonder gebruikmaking van de erfdienstbaarheid mogelijk is, leidt het hof niet tot een ander oordeel. Een mogelijk geringe onderhoudsfrequentie maakt niet dat de erfdienstbaarheid niet meer van betekenis moet worden geacht voor [geïntimeerde 1] c.s. en alleen al het feit dat een gedeelte aan de achterzijde van het perceel van [geïntimeerde 1] c.s. niet voor voertuigen toegankelijk is zonder instandhouding van de erfdienstbaarheid, maakt onderhoud van de tuin met gebruikmaking van de erfdienstbaarheid eenvoudiger dan zonder.

3.23.

In het petitum van de memorie van grieven hebben [appellant] c.s. subsidiair gevorderd te bepalen i) dat bedoelde erfdienstbaarheid wordt gewijzigd in die zin dat deze uitsluitend en alleen zal dienen ten behoeve van groot onderhoud aan de tuin van [geïntimeerde 1] c.s. twee keer per jaar dan wel dat deze zal worden gewijzigd in enige andere erfdienstbaarheid die recht doet aan de noodzaak daarvan en ii) dat [geïntimeerde 1] c.s. de notariële akte waarin de erfdienstbaarheid is gewijzigd ondertekenen, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

3.24.

[appellant] c.s. hebben nagelaten deze uitsluitend in het petitum gerformuleerde vermeerdering van (de grondslag van hun) eis op enigerlei wijze in de memorie van grieven toe te lichten of te onderbouwen.

Mogelijk bedoelen [appellant] c.s. de vermeerderde (grondslag van) eis te baseren op artikel 5:78 BW. Ingevolge het bepaalde in artikel 5:78 BW kan de rechter op vordering van de eigenaar van het dienende erf een erfdienstbaarheid wijzigen of opheffen bij onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de erfdienstbaarheid niet van de eigenaar van het dienende erf kan worden gevergd alsook indien het ongewijzigd voorbestaan van de erfdienstbaarheid in strijd is met het algemeen belang. Artikel 5:78 BW kent derhalve andere criteria voor wijziging of opheffing van een erfdienstbaarheid dan de in artikel 5:79 BW opgenomen criteria voor opheffing van een erfdienstbaarheid. Het had dan ook op de weg van [appellant] c.s. gelegen deze vermeerdering van (de grondslag van hun) eis nader toe te lichten en te onderbouwen, zodat het hof deze reeds bij gebreke hiervan verwerpt. Zo in deze vermeerdering van (de grondslag van) eis van [appellant] c.s. een grief te lezen is, heeft naar het oordeel van het hof te gelden dat aan een grief de eis gesteld mag worden dat wordt aangegeven op welke gronden en hoe gegrondverklaring van de grief tot een andere beslissing (dictum) kan leiden (HR 3 februari 2006, NJ 2006/120). [appellant] c.s. hebben dit, zoals hiervoor overwogen, nagelaten.

Bovendien ligt in ’s hofs hierboven gegeven oordeel, inhoudende dat [geïntimeerde 1] c.s. nog altijd een redelijk belang hebben bij de uitoefening van de erfdienstbaarheid zoals opgenomen in de akte van 3 februari 1970, tevens besloten dat (zonder nadere onderbouwing door [appellant] c.s., welke ontbreekt) er geen sprake is van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de erfdienstbaarheid niet kan worden gevergd.

Voor zover in voornoemd petitum een grief gelezen moet worden, faalt deze grief dan ook.

3.25.

Het hof heeft zich niet geconfronteerd gezien met onduidelijkheden ter zake het feitencomplex en acht zich door hetgeen partijen over en weer hebben gesteld, de door beide partijen in het geding gebrachte processtukken en de niet weersproken waarnemingen van de rechter tijdens de descente in eerste aanleg, zoals opgenomen in (rechtsoverweging 4.2.1. van) het bestreden vonnis voldoende voorgelicht om tot een oordeel te komen. Hierbij merkt het hof op dat [appellant] c.s. niet althans onvoldoende hebben gesteld dat de actuele situatie afwijkt van de uit de processtukken blijkende situatie. Het hof acht een descente dan ook niet noodzakelijk of wenselijk. Anders dan [appellant] c.s. verlangen, zal het hof geen plaatsopneming en bezichtiging bevelen.

3.26.

[appellant] c.s. hebben geen concrete feiten te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot andere beslissingen zouden leiden dan hiervoor genomen. Het hof ziet geen aanleiding om ambtshalve bewijs op te dragen aan [appellant] c.s.

3.27.

Slotsom is dat de grieven falen. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen voor zover dat aan het hoger beroep is onderworpen.

3.28.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal het hof [appellant] c.s. in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Deze kosten worden aan de zijde van [appellant] c.s. vastgesteld op

€ 313,00 aan griffierecht en € 1.074,00 voor salaris van de advocaat volgens het liquidatietarief (1 punt, tarief II in hoger beroep à € 1.074,00 per punt).

3.29.

De door de rechtbank bij bestreden vonnis in conventie (en in reconventie) uitgesproken compensatie van de proceskosten dient in stand te blijven aangezien partijen in eerste aanleg over en weer in het ongelijk zijn gesteld en met bekrachtiging van het vonnis voor zover dat aan het hoger beroep is onderworpen daarin geen wijziging plaatsvindt.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis op 9 november 2016 tussen partijen gewezen door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, voor zover dit aan het oordeel van het hof is

onderworpen;

veroordeelt [appellant] c.s. in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde 1] c.s. vastgesteld op € 313,00 aan griffierecht en € 1.074,00 voor salaris van de advocaat;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, O.G.H. Milar en P. Kuipers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 januari 2019.

griffier rolraadsheer