Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1717

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-05-2019
Datum publicatie
08-05-2019
Zaaknummer
20-000900-16
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:2514, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake belaging, vernieling en/of beschadiging, smaadschrift en beschadiging, meermalen gepleegd, tot een gevangenisstraf van 162 dagen, met aftrek van voorarrest. Tevens heeft het hof beslissingen genomen ter zake het beslag en de vorderingen van de benadeelde partijen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000900-16

Uitspraak : 7 mei 2019

TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van 23 maart 2016 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 03-659232-14 en 03-661291-14, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vorderingen tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde straffen, parketnummers 04-860321-11 en
20-000528-12, tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres verdachte].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep:

- Is de verdachte ter zake van - kort gezegd - belaging (feit 1), vernieling en/of beschadiging (feit 2), smaadschrift (feit 3) en beschadiging (parketnummer 03-661291-14) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 135 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

- Zijn de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven posters en de cameralens verbeurd verklaard.

- Heeft de rechtbank de tenuitvoerlegging gelast van de vorderingen tot tenuitvoerlegging onder bovengenoemde parketnummers.

- Heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] toegewezen tot een bedrag van € 1.019,85, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2014 en de door de benadeelde partij gemaakte kosten (nihil) en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] is voor het overige afgewezen.

- Is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] toegewezen tot een bedrag van
€ 500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2014 en de kosten (nihil) en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] is voor het overige afgewezen.

- Is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] toegewezen tot een bedrag van
€ 755,04, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2013 en de kosten (nihil) en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

- het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden;

- het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren ten aanzien van de vorderingen tot tenuitvoerlegging onder bovenvermelde parketnummers;

- de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] zal toewijzen tot een bedrag van
€ 2.519,85, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht;

- de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] zal toewijzen tot een bedrag van
€ 2.000,00, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht;

- de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] zal toewijzen tot een bedrag van
€ 755,04, de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht en voor het overige de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering;

- de in beslag genomen lens en posters verbeurd zal verklaren.

De verdediging heeft:

  • -

    primair bepleit dat de verdachte integraal van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken;

  • -

    subsidiair een strafmaatverweer gevoerd;

  • -

    met betrekking tot de bovenvermelde vorderingen tot tenuitvoerlegging bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard;

  • -

    primair bepleit dat de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair is bepleit dat de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering wegens het ontbreken van causaal verband;

  • -

    primair bepleit dat de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vordering in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging zich met betrekking tot voornoemde vorderingen gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de kwalificatie van het bewezenverklaarde onder parketnummer
03-661291-14, de opgelegde straf en de strafmotivering, de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen, de schadevergoedingsmaatregelen, de beslissing op de vorderingen tot tenuitvoerlegging onder bovenvermelde parketnummers en de beslissing met betrekking tot het beslag en met aanvulling van de bewijsoverwegingen.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 1

In hoger beroep is van de zijde van de verdachte nog aangevoerd dat de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu op grond van de bewijsmiddelen slechts kan worden bewezen dat verdachte kwetsende en/of beledigende woorden heeft geuit en deze gedraging niet van voldoende gewicht is om te kunnen spreken van belaging in de zin van artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht. In dat kader heeft de raadsman van de verdachte opgemerkt dat op grond van de bewijsmiddelen immers niet valt uit te sluiten dat een ander dan verdachte gebruik heeft gemaakt van de computer waarop verdachte met zijn Marktplaats account staat ingelogd.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de adverteerder van de advertenties op Marktplaats B.V. gebruik maakt van het [e-mailadres], de gebruikersnaam [achternaam verdachte] en het [telefoonnummer]. Uit het afdrukrapport van het Centraal Informatiepunt Onderzoek Telecommunicatie blijkt vervolgens dat voornoemd telefoonnummer in gebruik is bij [verdachte] en dat de aanbieder Tele2-Versatel is. Verdachte heeft noch bij de politie noch ter terechtzitting in eerste aanleg of ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat een andere persoon dan verdachte van zijn computer en/of van voormelde gebruikersgegevens gebruik heeft gemaakt of gebruik kon maken. Gelet daarop en gelet op de overige bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof niet aannemelijk geworden dat een ander dan verdachte de persoon is geweest die de advertenties op Marktplaats heeft gezet.

Voor zover de raadsman voorts heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de overige onder feit 1 ten laste gelegde gedragingen, is het hof van oordeel dat dit zijn weerlegging vindt in de inhoud van de bewijsmiddelen zoals die zijn opgenomen in de aanvulling van het verkort vonnis, waarmee het hof zich verenigt.

Ten aanzien van feit 2

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bepleit dat de verdachte van de onder 2 ten laste gelegde vernieling van dakpannen en de beschadiging van het dakraam toebehorende aan [benadeelde 2] en [benadeelde 1] zal worden vrijgesproken wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Op grond van de bewijsmiddelen kan immers niet worden vastgesteld dat verdachte de persoon is geweest die de betreffende stenen heeft gegooid.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de bewijsmiddelen volgt het navolgende.

Aangeefster [benadeelde 2] heeft verklaard dat er vanaf 20 mei 2013 regelmatig stenen over en tegen haar huis worden gegooid, hetgeen meerdere keren per week gebeurde en altijd tussen ongeveer 22.00 uur en 00.00 uur. Zij zag dat er diverse stenen op haar dak terecht waren gekomen en dat er diverse dakpannen kapot waren. Op 5 juli 2013 hoorde zij dat er een steen tegen het badkamerraam kwam, waarna zij vervolgens zag dat verdachte vanachter zijn blauwe auto naar binnen rende.

Aangever [benadeelde 1] heeft verklaard dat op 6 oktober 2013 door een zelfde soort steen of kei de ruit van het dakraam is vernield. Zijn echtgenote [benadeelde 2] heeft meteen na het horen van de slag op de beelden van de beveiligingscamera gezien dat verdachte net voor het incident was thuisgekomen en dat hij buiten bleef. Vervolgens verdween verdachte uit het zicht van de beveiligingscamera’s, waarna zij meteen hierna de slag op hun dak hoorden.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij in de zomer van 2013 in de avond wel eens buiten een sigaret rookte in de vensterbank van zijn woning aan de [adres getuige 1]. Hij hoorde regelmatig een steen op het dak van de woning van [benadeelde 1] vallen. Hij heeft voorts verklaard dat hij dan vlak voordat de steen werd gegooid schimmen op het terrein van verdachte zag en dat er verder niemand op straat was.

Getuige [benadeelde 3] heeft tot slot verklaard dat zij in augustus 2013, in de avond toen het al donker was, heeft gezien dat de deur aan de rechterzijde van de woning van de familie [achternaam verdachte] openging en dat een grootte schim uit de woning kwam gelopen, waarna zij hoorde dat er stenen op het dak vielen. Zij zag aan de grootte van de schim dat dit niet de vrouw van verdachte kon zijn.

Gelet op voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de persoon is geweest die in de ten laste gelegde periode stenen tegen de woning van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] heeft gegooid.

Ten aanzien van feit 3

De raadsman heeft zich tot slot op het standpunt gesteld dat verdachte van het onder 3 ten laste gelegde smaadschrift dient te worden vrijgesproken. Daartoe is onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad d.d. 29 september 20091 - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de in de tenlastelegging voorkomende feitelijke omschrijving van bepaalde gedragingen niet kan worden aangemerkt als ‘tenlastelegging van bepaalde feiten’ in de zin van artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte is niet de persoon geweest die de betreffende geschriften heeft opgehangen, aldus de raadsman.

Het hof overweegt dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Limburg d.d. 9 maart 2016 volgt dat, anders dan de verdediging heeft gesteld, verdachte heeft verklaard dat hij niet alle pamfletten heeft opgehangen, maar dat hij wel getuigen heeft opgeroepen om zich te melden. Gelet op de tekst die blijkens de tenlastelegging en het dossier stond weergegeven op de pamfletten, alsmede de verklaring van verdachte zelf leidt het hof af dat verdachte wel degelijk ook zelf geschriften op het raam van zijn woning heeft opgehangen.

Vervolgens rijst de vraag of de in de tenlastelegging voorkomende feitelijke omschrijving van bepaalde gedragingen kunnen worden aangemerkt als ‘tenlastelegging van bepaalde feiten’ in de zin van artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof stelt te dien aanzien voorop dat uit bestendige jurisprudentie volgt dat sprake is van tenlastelegging van een ‘bepaald feit’ als bedoeld in artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht, indien het feit op een zodanige wijze door de verdachte is ten laste gelegd dat het een duidelijk te onderkennen concrete gedraging aanwijst. Daarvan is bijvoorbeeld geen sprake indien het ‘feit’ niet het gedrag van de betrokkene betreft, maar een eigenschap die hem wordt toegedicht en evenmin, zo het wel gaat om diens gedrag indien dat gedrag slechts in algemene termen wordt geduid en derhalve niet wordt toegespitst op een voldoende concrete gedraging.

Het hof overweegt als volgt.

Verdachte heeft pamfletten op het raam van zijn woning opgehangen met daarop teksten die impliceren dat de overburen zich schuldig zouden hebben gemaakt aan brandstichting en verscheidene vernielingen en dat [benadeelde 1] zich schuldig zou hebben gemaakt aan het doen van een ongeoorloofde privé onttrekking uit [naam bedrijf] Naar het oordeel van het hof wijzen deze feiten, gelet op de aard en de omschrijving daarvan, ieder een voldoende concrete gedraging aan, welke gedragingen tevens geschikt zijn om iemands integriteit aan te tasten. Het betreffen immers ernstige feiten, namelijk misdrijven en feiten die met de positieve moraal strijden.

Het hof overweegt voorts dat de in de tenlastelegging genoemde gedragingen tevens tegen een of meer aanwijsbare personen zijn gericht, namelijk de aangevers [benadeelde 1] en [benadeelde 2]. Het hof komt tot deze conclusie op grond van het geheel aan gedragingen, alsmede de vermelding van de naam ‘[benadeelde 1]’ in combinatie met de term overburen. Anders dan de raadsman is het hof gelet op voorgaande derhalve van oordeel dat de verdachte aldus de eer en de goede naam van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] heeft aangerand door tenlastelegging van bepaalde feiten.

Gelet op voorgaande verwerpt het hof dan ook de verweren van de raadsman.

De strafbaarheid van het bewezenverklaarde onder parketnummer 03-661291-14

Het onder parketnummer 03-661291-14 bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd

Op te leggen sanctie

De raadsman heeft verzocht om aan verdachte geen straf op te leggen die tot gevolg zal hebben dat verdachte wederom gedetineerd zal geraken. In dat kader heeft de raadsman gesteld dat verdachte door oplegging van een straf als door advocaat-generaal is gevorderd als het ware met terugwerkende kracht op zijn vingers wordt getikt. Immers dateren de bewezen verklaarde feiten van 5 tot 7 jaar geleden en is in hoger beroep de redelijke termijn geschonden.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof heeft in het bijzonder acht geslagen op het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan stelselmatige en langdurige belaging van zijn overburen [benadeelde 1] en [benadeelde 2], vernieling van de dakpannen en beschadiging van het dakraam van het huis van deze overburen door stenen te gooien en heeft zich door het ophangen van geschriften met beledigende inhoud gedurende een periode van ongeveer 2 jaar schuldig gemaakt aan smaadschrift. Met dat handelen heeft verdachte een dusdanig ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde 1] en [benadeelde 2], dat zij uiteindelijk besloten hebben hun huis te verkopen en elders hun intrek te nemen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft [benadeelde 2] dit verwoord door te stellen dat ‘door het handelen van verdachte hun ooit zo idyllisch, herbergzaam veilige thuis veranderde in een beklemmende, gure en angstaanjagende omgeving, die van grote invloed was op haar sociale leven.’ Hoewel ten gevolge van de verhuizing de overlast situatie, buiten toedoen van de verdachte om, is beëindigd, ondervinden zowel [benadeelde 2] als [benadeelde 1] nog steeds de psychische gevolgen van het bewezen verklaarde.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan beschadiging van een boom en een hekwerk toebehorende aan [benadeelde 3]. Hiermee heeft hij inbreuk gemaakt op het eigendom van een ander en de benadeelde schade en overlast berokkend.

Ten nadele van verdachte heeft het hof voorts acht geslagen op het verdachte betreffende uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 februari 2019. Hieruit is gebleken dat verdachte in het verleden reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen van strafbare feiten.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf voorts in aanmerking genomen dat de onderhavige feiten blijkens de rapportages van de psychiater J.R. Nijdam van 30 januari 2015 en van de GZ-psycholoog drs. B.Y. van Toorn van 10 februari 2014 slechts in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Voorts is het hof, na onderzoek van de zaak, het volgende gebleken met betrekking tot de redelijke termijn in hoger beroep als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM:

  • -

    Op 23 maart 2016 is door de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, vonnis gewezen.

  • -

    Namens de verdachte is op 25 maart 2016 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.

  • -

    De verdediging heeft bij e-mailbericht van 29 oktober 2018 haar grieven tegen het vonnis kenbaar gemaakt en heeft verzocht om aan de reclassering de opdracht te geven tot het opstellen van een nieuw reclasseringsrapport.

  • -

    Op 23 april 2018 vond de eerste behandeling van de zaak plaats bij dit hof. Het arrest is gewezen op 7 mei 2018.

Het hof stelt vast dat tussen het instellen van het hoger beroep en het arrest van het gerechtshof een periode van ongeveer 3 jaar en 1 maand is verstreken. Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met deze termijnoverschrijding, nu deze niet aan de verdediging te wijten valt.

Alles afwegende, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Zonder schending van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, met aftrek van voorarrest, passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 162 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Beslag

Het hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, 1 stuk lens, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp met behulp waarvan het onder 1 bewezen verklaarde is begaan.

De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten 6 posters, met behulp waarvan het onder 4 ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.000,00. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2014.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van verdachtes onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof overweegt daartoe dat de benadeelde partij, zoals het hof ook is gebleken uit het door [benadeelde 2] ter terechtzitting in hoger beroep mede namens [benadeelde 1] uitgeoefende spreekrecht en haar slachtofferverklaring, door het bewezen verklaarde handelen van verdachte gedurende een zeer lange tijd dusdanig ernstig in haar persoon, alsmede in haar woongenot is aangetast dat een immateriële schadevergoeding op zijn plaats is. Het hof begroot deze schade naar billijkheid op een bedrag van € 2.000,00.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente en met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Het onder 3 bewezen verklaarde handelen van verdachte is geëindigd op 8 december 2014. De schade wordt geacht op laatstgenoemde datum te zijn ontstaan. De wettelijke rente over de schadevergoeding zal derhalve worden toegewezen vanaf 8 december 2014 tot aan de dag van de algehele betaling.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer
[benadeelde 2] is toegebracht tot een bedrag van € 2.000,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor na te melden duur zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.519,85. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.019,85, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2014.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 1] als gevolg van verdachtes onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde handelen, te weten het gooien van stenen, rechtstreeks schade heeft geleden aan dakpannen, dakraam en schade als gevolg van een verstopte afvoer van de dakgoot tot een bedrag van € 519,85. Het hof acht de materiele schade voor toewijzing vatbaar. Daarnaast overweegt het hof dat de benadeelde partij [benadeelde 1] door het bewezen verklaarde handelen van verdachte, zoals het hof ook is gebleken uit het door [benadeelde 2] ter terechtzitting in hoger beroep mede namens [benadeelde 1] uitgeoefende spreekrecht en haar slachtofferverklaring, gedurende zeer lange tijd dusdanig ernstig in zijn persoon, alsmede in zijn woongenot is aangetast dat een immateriële schadevergoeding op zijn plaats is. Het hof begroot deze schade naar billijkheid op een bedrag van € 2.000,00.

Verdachte is tot vergoeding van deze schade, in totaal een bedrag van € 2.519,85, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Het onder 3 bewezen verklaarde handelen van verdachte is geëindigd op 8 december 2014. De immateriële schade wordt geacht op laatstgenoemde datum te zijn ontstaan. De wettelijke rente over deze schadevergoeding zal derhalve worden toegewezen vanaf 8 december 2014 tot aan de dag van de algehele betaling. De materiële schade is op verschillende tijdstippen ingetreden. Het hof zal bij wijze van moderatie de ingangsdatum van de wettelijke rente vaststellen op 29 juli 2014, zijnde de dag waarop de meeste materiële schade is ontstaan.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 1] is toegebracht tot een bedrag van € 2.519,85. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor na te melden duur zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.135,29. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 755,04, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2013.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. Zij heeft middels het wensenformulier d.d. 11 september 2018 haar eis verminderd tot een bedrag van € 2.123,19, bestaande uit de volgende posten:

  • -

    opruimen afvalhout € 90,25

  • -

    reparatie hekwerk € 755,04

  • -

    aanvraag kapvergunning € 80,00

  • -

    rooien en afvoeren 2 bomen € 1.197,90

-------------

Totaal: € 2.123,19

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 03-661291-14 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

Het hof overweegt daartoe dat het algemeen bekend is dat indien een berkenboom niet op het juiste moment of op de juiste wijze gesnoeid wordt deze ten gevolge daarvan dusdanig beschadigd kan raken dat hij, al dan niet na verloop van tijd, kan dood gaan. Aldus is naar het oordeel van het hof sprake van een causaal verband tussen het bewezen verklaarde handelen van verdachte, te weten beschadiging van een boom, en de opgevoerde schade. Nu slechts de beschadiging van één boom is ten laste gelegd en is bewezen verklaard, zal het hof de post ‘opruimen afvalhout’ en de post ‘rooien en afvoeren 2 bomen’ slechts voor de helft toewijzen.

De post ‘aanvraag kapvergunning’ acht het hof daarentegen echter wel in zijn geheel toewijsbaar nu deze kosten los van het aantal bomen waarvoor men een dergelijke vergunning wil aanvragen, dienen te worden gemaakt.

Uit foto’s die zijn genomen ten tijde van het bewezenverklaarde handelen van verdachte blijkt dat een door verdachte gezaagde grote tak van de berkenboom op het hekwerk van [benadeelde 3] terecht is gekomen. Het hof acht het alleszins aannemelijk dat als gevolg daarvan het hekwerk zodanig is beschadigd dat reparatie hiervan noodzakelijk was.

[benadeelde 3] heeft de hoogte en de omvang van voormelde schadeposten genoegzaam, aan de hand van facturen, onderbouwd. Verdachte is tot vergoeding van deze schade, in totaal een bedrag van € 1.479,12, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

De materiële schade is op verschillende tijdstippen ingetreden. Het hof zal bij wijze van moderatie de ingangsdatum van de wettelijke rente vaststellen op 1 juli 2014.

Voor het overige is onvoldoende gebleken dat de gestelde schade door het bewezenverklaarde handelen van verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom voor het overige in haar vordering niet worden ontvangen.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 3] is toegebracht tot een bedrag van € 1.479,12. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor na te melden duur zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Vordering tot tenuitvoerlegging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof geconstateerd dat de vorderingen tot tenuitvoerlegging van de onder bovenvermelde parketnummers eerder opgelegde straffen in het dossier ontbreken.

Op grond daarvan is het hof van oordeel dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke niet ten uitvoer gelegde straffen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 57, 63, 261, 285b en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de kwalificatie van het bewezenverklaarde onder parketnummer 03-661291-14, de opgelegde straf, de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen, de schadevergoedingsmaatregelen, de beslissing op de vorderingen tot tenuitvoerlegging onder bovenvermelde parketnummers en de beslissing met betrekking tot het beslag en doet in zoverre opnieuw recht.

Kwalificeert het onder parketnummers 03-661291-14 bewezen verklaarde als hiervoor vermeld

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 162 (honderdtweeënzestig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- 1 stk lens (521782).

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- 6 stk Posters (457738).

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-659232-14 onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2], ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-659232-14 onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 8 december 2014.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-659232-14 onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.519,85 (tweeduizend vijfhonderdnegentien euro en vijfentachtig cent) bestaande uit € 519,85 (vijfhonderdnegentien euro en vijfentachtig cent) aan materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1], ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-659232-14 onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.519,85 (tweeduizend vijfhonderdnegentien euro en vijfentachtig cent) bestaande uit € 519,85 (vijfhonderdnegentien euro en vijfentachtig cent) aan materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 35 (vijfendertig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 29 juli 2014

en van de immateriële schade op 8 december 2014.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-661291-14 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.479,12 (duizend vierhonderdnegenenzeventig euro en twaalf cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3], ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-661291-14 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.479,12 (duizend vierhonderdnegenenzeventig euro en twaalf cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 24 (vierentwintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 1 juli 2014.

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tenuitvoerlegging, met parketnummer 04-860321-11.

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tenuitvoerlegging, met parketnummer 20-000528-12.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door:

mr. S. Riemens, voorzitter,

mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. G.J. Schiffers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. F. van Stralen, griffier,

en op 7 mei 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. G.J. Schiffers zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 ECLI:NL:HR:2009:BI1171