Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1693

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-05-2019
Datum publicatie
08-05-2019
Zaaknummer
200.180.194_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:6901
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:3604
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:3215
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

afleggen van verantwoording over beheer vermogen van een wilsonbekwame

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2020/21.13
Jurisprudentie Erfrecht 2019/144
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.180.194/01

arrest van 7 mei 2019

in de zaak van

1 [appellant 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [appellante 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna aan te duiden als [appellanten c.s.] (mv),

advocaat: mr. A.L. van den Bergh LLM. te Maastricht,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

hierna aan te duiden als [geintimeerden c.s.] (mv),

advocaat: mr. I. Wudka te Maastricht,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 17 juli 2018 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer C/03/194542/ HA ZA 14-451 gewezen vonnis van 12 augustus 2015.

8 Het verloop van de procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 17 juli 2018;

  • -

    de memorie na tussenarrest van [geintimeerden c.s.] met producties;

  • -

    de antwoordmemorie na tussenarrest van [appellant 1] met een productie.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

9 De verdere beoordeling

9.1.

Bij genoemd tussenarrest zijn [geintimeerden c.s.] , overeenkomstig hun verzoek, in de gelegenheid gesteld om rekening en verantwoording af te leggen over hun handelingen gebaseerd op de volmacht van 8 februari 2010 en verricht vanaf 5 juni 2010. Het hof heeft daaraan toegevoegd dat [geintimeerden c.s.] de verantwoording dienden te voorzien van bewijsstukken.

9.2.

Bij memorie na tussenarrest hebben [geintimeerden c.s.] aangegeven dat aan hen een zeer vergaande volmacht is verstrekt en dat zij, voor zover dat in alle redelijkheid mogelijk is, bewijsstukken van de verschillende posten in het geding zullen brengen. Vervolgens hebben zij aan de hand van de samenvatting van de vorderingen die het hof in het eerste tussenarrest onder rechtsoverweging 3.2.7. heeft weergegeven, stellingen betrokken.

9.3.

Bij antwoordmemorie na tussenarrest hebben [appellanten c.s.] voorop gesteld dat de volmacht ziet op beheren en niet op beschikken. Zij hebben gesteld dat [geintimeerden c.s.] geen enkel bewijsstuk hebben overgelegd en hebben geconcludeerd dat geen rekening en verantwoording is afgelegd. Vervolgens hebben [appellanten c.s.] per onderdeel van de vordering gereageerd op hetgeen door [geintimeerden c.s.] is gesteld.

9.4.

Het hof stelt bij de beoordeling voorop dat het hier gaat om een volmacht die [erflaatster/wilsonbekwame] op 8 februari 2010 ten overstaan van een notaris aan [geintimeerden c.s.] heeft verstrekt. Als gevolg van deze volmacht waren [geintimeerden c.s.] gemachtigd om al datgene te doen wat zij in het kader van goed beheer raadzaam achtten in het belang van de volmachtgever. Zij waren niet bevoegd om daden van beschikking te verrichten, om schenkingen aan zichzelf te doen en om rechtshandelingen met zichzelf aan te gaan.

Volgens vaste rechtspraak kan een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording worden aangenomen indien tussen partijen een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan krachtens welke de een jegens de ander (de rechthebbende) verplicht is om zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden. Een zodanige verhouding kan voortvloeien uit de wet, een rechtshandeling of ongeschreven recht (vgl. onder meer HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1561, NJ 1995/548 en HR 8 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1911, NJ 1996/274). Aan het oordeel dat op grond van ongeschreven recht een verplichting bestaat om zich te verantwoorden over de behoorlijkheid van het over het vermogen van een ander gevoerd beheer, kan bijdragen dat sprake is van een rechtsverhouding die verwantschap vertoont met een of meer in de wet geregelde gevallen waarin een dergelijke verplichting is neergelegd, zoals gemeenschap, opdracht of zaakwaarneming. Voor het overige is het antwoord op de vraag of een zodanige verantwoording geboden is, sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Omstandigheden die in dit verband een rol kunnen spelen zijn onder meer: (i) de redenen waarom het beheer is gevoerd, (ii) de verhouding die bestond tussen degene die het beheer voerde en de rechthebbende, (iii) hetgeen in de relatie tussen partijen of in soortgelijke gevallen gebruikelijk is of was, (iv) de mate waarin degene die het beheer voerde, zelfstandig kon en mocht handelen, en (v) de mate waarin de rechthebbende in staat is geweest de handelingen van degene die het beheer voerde te overzien en voor zijn belangen op te komen. (ECLI:NL:HR:2014:1089)

9.5.

Ten aanzien van de verplichting van [geintimeerden c.s.] om zich te verantwoorden over de behoorlijkheid van het over het vermogen van [erflaatster/wilsonbekwame] gevoerde beheer, zijn met name de volgende omstandigheden van doorslaggevend belang.

9.5.1.

[erflaatster/wilsonbekwame] was ten tijde van het verstrekken van de volmacht 93 jaar oud. [geintimeerden c.s.] stellen over de redenen waarom [erflaatster/wilsonbekwame] destijds aan hen heeft gevraagd om het beheer te voeren, dat het niet zo was dat [erflaatster/wilsonbekwame] niet meer in staat was haar eigen zaakjes te regelen maar uit voorzorg en vooral ook omdat zij niet tevreden was over de diensten die met name de zoon van [appellanten c.s.] verrichtte.

9.5.2.

[erflaatster/wilsonbekwame] had geen familie en geen kinderen. De heer [geïntimeerde 1] deed voor [erflaatster/wilsonbekwame] het tuinonderhoud en andere klusjes. Mevrouw [geïntimeerde 2] en mevrouw [appellante 2] verrichtten verzorgende en huishoudelijke werkzaamheden voor [erflaatster/wilsonbekwame] .

9.5.3.

[erflaatster/wilsonbekwame] beschikte over een aanzienlijk vermogen, dat na verkoop van het onroerend goed in augustus 2011, een bedrag van meer dan € 383.000,-- omvatte.

9.5.4.

Tussen partijen staat voorts vast dat [erflaatster/wilsonbekwame] vier maanden na het verstrekken van de volmacht wilsonbekwaam was. Zij heeft na haar ziekenhuisopname op 5 juni 2010 (als gevolg van een herseninfarct in de rechter hersenhelft) nog slechts even thuis gewoond waarna zij in een verpleegtehuis is opgenomen. Uit het deskundigenrapport blijkt dat [erflaatster/wilsonbekwame] voorafgaande aan de ziekenhuisopname uitgebreide thuiszorg had.

9.6.

Vast staat dat [erflaatster/wilsonbekwame] in ieder geval vanaf 5 juni 2010 niet in staat was de handelingen van degene die het beheer voerde, te overzien en voor haar belangen op te komen. Hieruit volgt dat de verantwoording die moet worden afgelegd, de periode vanaf 5 juni 2010 betreft.

9.7.

[appellanten c.s.] vorderen dat [geintimeerden c.s.] een bedrag van tenminste € 197.794,53 terugstorten op de boedelrekening, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag ziet hoofdzakelijk op contant geld dat [geintimeerden c.s.] na 5 juni 2010 van de rekeningen van [erflaatster/wilsonbekwame] hebben opgenomen en op overboekingen van bedragen naar hun eigen rekeningen. Onder de hiervoor aangegeven omstandigheden mag van [geintimeerden c.s.] worden verwacht dat zij de verantwoording voor wat betreft de behoorlijkheid van het door hun gevoerde beheer over deze gelden van voldoende bewijsmiddelen voorzien.

9.8.

De eerste vier posten van de vordering, door het hof in het eerste tussenarrest weergegeven onder rechtsoverweging 3.2.7, betreffen pin/kasopnames die zijn verricht door [geintimeerden c.s.] waardoor zij de beschikking kregen over contant geld.

Het hof zal eerst de omvang van de nog te verantwoorden bedragen vaststellen.

Onder de noemer “kluisschade 20 februari 2012” is een bedrag vermeld van € 137.500,--. Dit bedrag is onderbouwd met een overzicht dat de notaris bij brief van 18 februari 2014 aan [appellanten c.s.] heeft gezonden (zie productie 5 dagvaarding eerste aanleg). Het overzicht toont de opnames in de periode van 30 augustus 2011 tot en met 30 december 2012. Wanneer enkel de periode tot 20 februari 2012 wordt genomen, is er in totaal aan contanten opgenomen een bedrag van € 136.500,--, te vermeerderen met een bedrag van € 20.000,--. De opname van dit laatste bedrag is verantwoord in die zin dat dit bedrag aan [appellanten c.s.] geschonken is.

Vervolgens heeft het hof in het overzicht de pinopnames opgenomen over de periode 7 juni 2010 tot en met 10 november 2010 en van 3 maart 2011 tot en met 20 augustus 2011. Deze opnames zijn door [geintimeerden c.s.] betwist; zij stellen dat het hier gaat om een bedrag van, in totaal, 17.990,--. Het hof stelt aan de hand van de overgelegde producties 19 en 20, ter gelegenheid van het pleidooi door [appellanten c.s.] in het geding gebracht, vast dat het door [appellant 1] genoemde bedrag, namelijk € 20.690,--, juist is. De betwisting wordt als niet onderbouwd verworpen.

De vierde post, bestaande uit 14 pinopnames uit de periode 24 april 2012 tot en met 30 december 2012 en 22 maart 2012, voor een totaalbedrag van € 5.000,--, is in omvang niet betwist.

Het hof concludeert dat [geintimeerden c.s.] vanaf 7 juni 2010 contant geld van de rekeningen van [erflaatster/wilsonbekwame] hebben opgenomen ter hoogte van € 182.190,--, waarvan - zo staat tussen partijen vast - een bedrag van € 20.000,-- verantwoord is. Het gaat dan nog om een bedrag van € 162.190,--, contant opgenomen in een periode van anderhalf jaar, namelijk van 7 juni 2010 tot en met 30 december 2012.

9.9.

[geintimeerden c.s.] geven voor de opnames de navolgende verantwoording. Zij stellen over het voorafgaande aan 20 februari 2012 opgenomen geld dat zij met dit geld betalingen hebben gedaan waaronder de aanschaf van materialen. Zij hebben daarvan geen bonnen meer en bovendien werden substantiële bedragen contant betaald aan andere helpers van [erflaatster/wilsonbekwame] . Deze helpers verleenden lang vóór 5 juni 2010 hun diensten aan [erflaatster/wilsonbekwame] en bleven dat doen, ook nadat [erflaatster/wilsonbekwame] was opgenomen. [geintimeerden c.s.] stellen dat de tuin en de omliggende weides in opdracht van [erflaatster/wilsonbekwame] onderhouden moesten worden en dat er kosten zijn gemaakt ter verzorging van de 10 of 11 geiten van [erflaatster/wilsonbekwame] .

Daarnaast bleef mevrouw [appellante 2] gedurende 14 maanden het huis onderhouden tegen betaling van € 50,-- per week.

9.10.

[appellanten c.s.] betwistten voormelde stellingen. Mevrouw [appellante 2] heeft na de opname van [erflaatster/wilsonbekwame] nog 3 weken gewerkt; daarna hoefde zij niet meer te komen. Verdere uitgaves zijn er niet gedaan. [erflaatster/wilsonbekwame] had een kat maar geen geiten, aldus [appellanten c.s.]

stellen zich op het standpunt dat [geintimeerden c.s.] niet de vereiste rekening en verantwoording hebben afgelegd.

9.11.

Het hof oordeelt als volgt over de vier eerste posten.

Ten aanzien van een opgenomen bedrag van € 120.000,-- heeft het hof al een oordeel gegeven. Ten aanzien van de overige opgenomen contante bedragen geldt het volgende.

[geintimeerden c.s.] hebben [appellanten c.s.] laten tekenen voor de ontvangst van € 20.000,--.

Voorts hebben [geintimeerden c.s.] aangegeven dat zij, na de verkoop van de woning, van [erflaatster/wilsonbekwame] een nabetaling hebben ontvangen van € 15.000,--. Dit had te maken met het verrichten van allerlei diensten aan [erflaatster/wilsonbekwame] . Ter onderbouwing hebben [geintimeerden c.s.] een ondertekende verklaring van [erflaatster/wilsonbekwame] van 24 augustus 2011 overgelegd. Op dat moment zat [erflaatster/wilsonbekwame] al enige maanden in een gesloten afdeling van het verpleegtehuis en was zij wilsonbekwaam, reden waarom het hof deze verklaring passeert.

[appellanten c.s.] erkennen dat [geintimeerden c.s.] in het belang van [erflaatster/wilsonbekwame] tuinonderhoud heeft verricht en ervoor heeft zorggedragen dat het verkochte huis leeg en ontruimd kon worden overgedragen. [appellanten c.s.] betwisten wel de hoogte van de gevorderde bedragen en de omvang van de gestelde uren.

Vast staat dat [geintimeerden c.s.] werkzaamheden hebben verricht, zoals erkend door [appellanten c.s.] Het hof schat de gemaakte kosten, inclusief de drie maal € 50,-- die [appellanten c.s.] heeft ontvangen voor haar werk, op een bedrag van € 5.000,--.

[geintimeerden c.s.] hebben ten overstaan van de notaris op 28 april 2014 verklaard dat zij geldopnames van € 1.000,-- en minder hebben gedaan in opdracht van [erflaatster/wilsonbekwame] en dat zij deze bedragen ook aan haar hebben verstrekt ten behoeve van taxi- en andere vervoerskosten, kleding, schoeisel, boodschappen etc. [appellanten c.s.] betwisten deze lezing, aangevende dat [erflaatster/wilsonbekwame] , op een zeer korte periode na, in het ziekenhuis en vervolgens in het verpleegtehuis verbleef en daar niet in staat was uitgaves zoals aangegeven te doen.

Het hof verwerpt de verantwoording. Gegeven de situatie waarin [erflaatster/wilsonbekwame] zich bevond, is niet aannemelijk dat aan haar dergelijke grote bedragen aan contant geld ter beschikking werden gesteld die zij dan zou hebben uitgegeven. Het ter beschikking stellen van grote bedragen contant geld zonder een duidelijke bestemming voor deze gelden, zou ook in strijd zijn met het voeren van een goed beheer over het vermogen van [erflaatster/wilsonbekwame] . Het hof betrekt bij dit oordeel dat er vele pinopnames zijn geweest van enkele honderden euro’s die niet in de vordering zijn betrokken maar die evenzeer aan [erflaatster/wilsonbekwame] te goede moeten zijn gekomen.

De conclusie is dat [geintimeerden c.s.] van het contant opgenomen bedrag van € 182.190,-- slechts € 25.000,-- kan verantwoorden. [geintimeerden c.s.] dienen dan ook € 157.190,-- op de boedelrekening terug te storten.

9.12.

De volgende post betreft de overboeking aan de heer [betrokkene] van € 5.000,--. Dit bedrag is door de heer [betrokkene] teruggegeven, aldus hebben [geintimeerden c.s.] ten overstaan van de notaris verklaard. Het is vervolgens in een kluis gelegd met de bedoeling om dit later op een bankrekening van [erflaatster/wilsonbekwame] terug te storten. Dit is niet gebeurd. Het hof concludeert dat ook dit bedrag niet verantwoord is.

9.13.

De volgende post ziet op de uitvaartkosten van de heer [betrokkene] . Het bedrag ter hoogte van € 2.416,-- is op 27 december 2011 van de rekening van [erflaatster/wilsonbekwame] op de rekening van [geintimeerden c.s.] gestort. Bij de notaris hebben [geintimeerden c.s.] verklaard dat zij de kosten eerder hebben voorgeschoten. Zij hebben een offerte overgelegd van de uitvaartzorg van 26 december 2011. Bij memorie na tussenarrest van 14 augustus 2018 leggen [geintimeerden c.s.] een kopie over van de factuur van 23 januari 2012 sluitend op een bedrag van € 2.410,-- met daarop de vermelding dat de factuur per kas is betaald op 26 januari 2012.

[appellanten c.s.] hebben dit bij antwoordmemorie opgemerkt en geconcludeerd dat de verklaring van [geintimeerden c.s.] bij de notaris dus niet kan kloppen. Zij hebben de verantwoording van [geintimeerden c.s.] die erop neerkomt dat [erflaatster/wilsonbekwame] , op dat moment wilsonbekwaam, zich zou hebben gerealiseerd dat de heer [betrokkene] was overleden en zou hebben opgedragen aan [geintimeerden c.s.] om de kosten van de uitvaart te dragen, betwist.

Het hof stelt vast dat zowel de offerte als de factuur niet is gericht aan [erflaatster/wilsonbekwame] maar aan [geïntimeerde 1] . Voorts staat vast dat [erflaatster/wilsonbekwame] op dat moment reeds geruime tijd in een gesloten afdeling van het verpleeghuis verbleef. Uit het deskundigenrapport blijkt dat [erflaatster/wilsonbekwame] in oktober 2010 reeds in triplo gedesoriënteerd was met als conclusie van het toen uitgevoerde neuropsychologisch onderzoek een ernstig dementieel beeld vasculair bepaald. Onder deze omstandigheden is de enkele verantwoording inhoudende dat [erflaatster/wilsonbekwame] deze uitgave wilde doen, onvoldoende. Het verhoudt zich ook niet met de stelling van [geintimeerden c.s.] dat een eerder gedane schenking van [erflaatster/wilsonbekwame] aan de heer [betrokkene] door hem is geweigerd en terug is betaald. Het hof verwerpt de gegeven verantwoording.

9.14.

Op 28 december 2011 hebben [geintimeerden c.s.] aan hun twee kinderen ieder
€ 1.500,-- overgemaakt ten titel van “eenmalige schenking [betrokkene] ”. Zij verklaren ten overstaan van de notaris hierover dat het de heer [betrokkene] was die kort voor zijn overlijden deze bedragen aan de kinderen wilde schenken. Toen hij kort daarop overleed, heeft [erflaatster/wilsonbekwame] deze schenkingen alsnog gedaan.

[appellanten c.s.] betwisten dit relaas en de uitlatingen die de heer [betrokkene] en [erflaatster/wilsonbekwame] zouden hebben gedaan. Bovendien, zo stellen zij, was [erflaatster/wilsonbekwame] wilsonbekwaam zodat de schenkingen ook niet uit haar naam konden worden gedaan.

Het hof stelt vast dat de overboekingen naar de rekening van de beide kinderen van [geintimeerden c.s.] in dezelfde periode heeft plaatsgevonden als de betaling van de uitvaart van de heer [betrokkene] . Ook hiervoor geldt dus dat [erflaatster/wilsonbekwame] wilsonbekwaam was en al ruim anderhalf jaar op de gesloten afdeling van het verzorgingstehuis verbleef. [geintimeerden c.s.] hebben niet duidelijk gemaakt waarom [betrokkene] deze schenkingen wilde doen en waarom hij dit dan niet zelf meteen, toen hij dat voornemen zou hebben opgevat, heeft gedaan. Dat [erflaatster/wilsonbekwame] deze schenkingen zou willen overnemen, kunnen [geintimeerden c.s.] niet onderbouwen. Het hof verwerpt deze verantwoording.

9.15.

Bij de verkoop van het huis van [erflaatster/wilsonbekwame] is ook het in het huis aanwezige koper verkocht voor een bedrag van € 5.800,--. Dit koper is, voorafgaande aan de levering, uit het huis gestolen, reden waarom op de koopsom dit bedrag in mindering is gebracht. Dit blijkt uit de notariële afrekening die in het geding is gebracht. [geintimeerden c.s.] hebben de schade bij de verzekeraar gemeld waarna zij op 27 juli 2011 van de verzekeraar het bericht kregen dat er geen dekking was omdat niet tijdig is doorgegeven dat de woning leegstond.

[appellanten c.s.] verwijten [geintimeerden c.s.] dat zij de verzekeringsvoorwaarden niet tijdig hebben doorgenomen met als gevolg dat de schade niet gedekt was.

Naar het oordeel van het hof hebben [geintimeerden c.s.] wel verantwoord waarom op de koopsom een bedrag van € 5.800,-- in mindering is gebracht.

[appellanten c.s.] leggen aan dit deel van de vordering ten grondslag dat [geintimeerden c.s.] in het beheer van de woning toerekenbaar tekort geschoten. Zij hebben verzuimd de verzekeraar in te lichten over de leegstand van de woning. Dit hadden zij binnen twee maanden moeten doen, bij gebreke waarvan er geen dekking van de schade is. [geintimeerden c.s.] hebben dit betwist stellende dat de polissen niet bij hen waren maar bij [appellanten c.s.] Laatstgenoemden hebben dat bij pleidooi betwist, stellende dat [geintimeerden c.s.] gezien de geclaimde woningschade wisten wie de tussenpersoon was en aldaar de polissen hadden kunnen opvragen.

Het hof is van oordeel dat [appellanten c.s.] onvoldoende gesteld hebben om te concluderen dat [geintimeerden c.s.] jegens [erflaatster/wilsonbekwame] toerekenbaar tekort zijn geschoten in hun verplichting om de woning te beheren. Dat zij deze verplichting hadden, betwisten zij niet. Dat tot deze verplichting de taak behoorde om bij een tussenpersoon alle polissen en verzekeringsvoorwaarden op te vragen, is niet nader onderbouwd. Het hof wijst dit deel van de vordering af.

9.16.

Ten aanzien van de twee posten die zijn weergegeven onder de noemer “ivm verkoopkosten huis” met een totaalbedrag van € 15.000,--, stellen [geintimeerden c.s.] dat deze opnames kunnen worden weggestreept tegen de betalingen die aan [appellanten c.s.] zijn gedaan.

[appellanten c.s.] stellen dat dit geen rekening en verantwoording is voor de opnames en dat van wegstrepen in deze fase van de procedure niet kan worden gesproken.

Naar het oordeel van het hof is in de stellingen van [geintimeerden c.s.] geen verantwoording te lezen.

9.17.

Over de post “kosten verkoop huis” ter hoogte van € 1.388,53 stellen [geintimeerden c.s.] dat het hier ging om kosten die door [erflaatster/wilsonbekwame] zijn gemaakt en die aan hen terugbetaald moesten worden. [appellanten c.s.] verweren zich daartegen aangevende dat dit geen rekening en verantwoording behelst.

Het hof is van oordeel dat ook voor de opname van dit bedrag geen althans onvoldoende verantwoording is gegeven.

9.18.

De post “overboekingen naar kinderen” omvat een bedrag van € 2.000,-- en is opgenomen op 1 november 2011. [geintimeerden c.s.] geven aan dat het de wens van [erflaatster/wilsonbekwame] was om hun twee kinderen ieder € 1.000,-- te schenken. Dochter [de dochter van geintimeerden c.s.] had problemen en [erflaatster/wilsonbekwame] zou hebben gezegd dat [geintimeerden c.s.] ieder maar € 1.000,-- moest geven. [geintimeerden c.s.] verwijzen naar hetgeen zij de notaris hebben medegedeeld in de verklaring inzake nalatenschap mw. [erflaatster/wilsonbekwame] .

[appellanten c.s.] betwisten deze stellingen; het zijn opnames van gelden uit het vermogen van [erflaatster/wilsonbekwame] en geen schenkingen van [erflaatster/wilsonbekwame] .

Het hof stelt vast dat in de eerder opgemaakte notariële verklaring [geintimeerden c.s.] verklaren dat het hier ging om een schenking aan [de dochter van geintimeerden c.s.] van € 2.000,--. Hun laatste stellingen stroken daar niet mee en kunnen dan ook niet worden gekwalificeerd als een voldoende verantwoording voor de opname.

9.19.

Het hof concludeert dat van het opgenomen bedrag ter hoogte van, in totaal,
€ 216.794,53 (de vordering van € 197.794,53 minus € 1.000,-- (rekenfout) plus € 20.000 schenking [appellanten c.s.] ) [geintimeerden c.s.] een bedrag van € 30.800,-- (€ 20.000,-- schenking [appellanten c.s.] plus € 5.000,-- tuinonderhoud c.a. plus € 5.800,-- koperdiefstal) kunnen verantwoorden. Zij dienen dan ook een bedrag van € 185.994,53 te vermeerderen met de wettelijke rente op de boedelrekening te voldoen. Tegen de ingangsdatum van de wettelijke rente is geen gericht verweer gevoerd. De vordering onder a. kan voor voormeld deel worden toegewezen.

9.20.

[appellanten c.s.] vragen het hof wederom om terug te komen op een, in het eerste arrest gegeven bindende eindbeslissing. Onder verwijzing naar de maatstaf zoals het hof die heeft weergegeven in rechtsoverweging 6.6. van het tussenarrest van 17 juli 2018, ziet het hof daartoe geen aanleiding. De beslissing onder rechtsoverweging 3.11 van het tussenarrest van 15 augustus 2017 wordt gehandhaafd en de vordering onder b. wordt afgewezen.

9.21.

[geintimeerden c.s.] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van beide instanties, inclusief de gevorderde beslagkosten en nakosten. De beslagkosten zien op het door [appellanten c.s.] overgelegde verzoekschrift en de exploten die als productie 18 bij memorie van grieven zijn overgelegd.

De door [appellant 1] voorgeschoten deskundigenkosten komen ten laste van [geintimeerden c.s.] ; de kosten bedragen € 4.985,20 inclusief btw.

10 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende;

veroordeelt [geintimeerden c.s.] om een bedrag van € 185.994,53 te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de datum van opname van de boedelrekening tot aan de datum van terugstorting, te voldoen op de boedelrekening;

veroordeelt [geintimeerden c.s.] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellanten c.s.] op € 93,80 aan dagvaardingskosten, op € 282,00 aan griffierecht en op € 904,00 aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 97,45 aan dagvaardingskosten, op € 311,00 aan griffierecht, € 2.300,99 aan beslagkosten, € 4.985,20 aan deskundigenkosten en op € 7.836,00 aan salaris advocaat voor het hoger beroep, en voor wat betreft de nakosten op € 157,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst hetgeen meer of anders is gevorderd, af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.H. Schoenmakers, M.L.A. Filippini en A.C. Metzelaar en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 mei 2019.

griffier rolraadsheer