Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:169

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-01-2019
Datum publicatie
21-01-2019
Zaaknummer
200.249.032_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:5323
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gesloten uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 17 januari 2019

Zaaknummer : 200.249.032/01

Zaaknummers 1e aanleg: C/02/347270/JE RK 18-269 en C/02/347271 / JE RK 18-1270

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] (België),

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. I.M. van den Heuvel,

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI).

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[belanghebbende] ,

geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ,

verblijvende in de accommodatie gesloten jeugdhulp SJSJ Almata te [verblijfplaats] ,

hierna te noemen: [belanghebbende] ,

advocaat: mr. S.M.E. van Fraaijenhove van der Maas.

In deze zaak is als informant aangemerkt:

[informant] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vader.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Brabant, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de mondelinge uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 31 juli 2018, op schrift gesteld op 10 augustus 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 oktober 2018, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het verzoek van de GI tot verlening van de machtigingen uithuisplaatsing alsnog af te wijzen

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 januari 2019. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak met nummer 200.247.542/01, betreffende de hierna nader te noemen minderjarigen [de jongmeerderjarige] en [de minderjarige] , de oudere zus en het jongere broertje van [belanghebbende] .

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Van den Heuvel. Voor de moeder is mevrouw R. de Vogel (tolknummer 1200) opgetreden als tolk in de Franse taal;

- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] .

2.3.1.

De raad en de vader zijn niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de ter zitting door de advocaat van de moeder voorgedragen en overgelegde pleitnotitie.

2.5.

Na de mondelinge behandeling is voorts ingekomen, zoals besproken op de mondelinge behandeling bij het hof, de brief met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 8 januari 2019. Het betreft de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

De rechtbank heeft de Nederlandse rechter internationaal bevoegd verklaard in de onderhavige zaak. Partijen hebben zich in hoger beroep hierover niet uitgelaten. Het hof begrijpt dat zij er vanuit zijn gegaan dat met betrekking tot het onderhavige verzoek de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt, hetgeen het hof onderschrijft.

3.2.

Nu de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van het verzoek is Nederlands recht van toepassing (artikel 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996).

3.3.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader (hierna ook: de ouders) is [belanghebbende] geboren.

Uit die relatie zijn voorts geboren:
- [de jongmeerderjarige] (hierna te noemen: [de jongmeerderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] ;

- [de minderjarige] (hierna te noemen: [de minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2012, te [geboorteplaats] .

3.4.

[belanghebbende] staat sinds 15 september 2017 onder toezicht van de GI.

De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 14 juni 2019.

3.5.

Bij uitspraak van 24 mei 2018, vastgelegd bij beschikking van 7 juni 2018, is onder meer een machtiging tot uithuisplaatsing van [belanghebbende] in een WIZ-instelling, accommodatie jeugdhulpaanbieder, verleend en verlengd tot 14 december 2018.

3.6.

Bij beschikking van 18 juli 2018 is een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp verleend met ingang van 18 juli 2018 en tot 1 augustus 2018 (en iedere verdere beslissing over het resterende deel van het verzoek aangehouden), zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden.

3.7.

Bij de bestreden uitspraak van 31 juli 2018, op schrift gesteld op 10 augustus 2018, heeft de rechtbank:

- het resterende deel van de spoedmachtiging gesloten jeugdhulp afgewezen;

- een machtiging gesloten jeugdhulp verleend met ingang van 1 augustus 2018 tot 1 februari 2019 betreffende [belanghebbende] en het resterende deel van het verzoek gesloten jeugdhulp aangehouden tot de zitting van 22 januari 2019 te 12.00 uur in afwachting van het verslag van de GI zoals weergegeven in de beschikking en het standpunt van de GI over het resterend verzoek.

3.8.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.9.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting – kort samengevat – het volgende aan.

De rechtbank heeft niet inzichtelijk gemaakt op welke datum uitspraak is gedaan. Kennelijk heeft de rechtbank op 31 juli 2018 mondeling uitspraak gedaan met geen andere reden dan het redden van een termijn. De machtiging gesloten plaatsing dreigde immers te verlopen. Dat is niet de bedoeling en zeker niet wanneer de GI op het laatste nippertje een verlengingsverzoek indient, kennelijk omdat men vergeten was dit tijdig te doen. De moeder gaat ervanuit dat de mondelinge beslissing van 31 juli 2018 enkel heeft ingehouden het verlengen van de machtiging, zonder motivering. De schriftelijke bevestiging van 10 augustus 2018 heeft geen rechtsgevolg. Een rechter kan een beslissing niet op twee verschillende momenten nemen. Het recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM) vereist dat een rechtzoekende weet waar hij procesrechtelijk aan toe is.

Blijkens de bestreden beschikking is niet voldaan aan het wettelijke vereiste dat het college van burgemeester en wethouders heeft bepaald dat een uithuisplaatsing nodig is.

De rechtbank heeft de beslissing om een machtiging gesloten jeugdhulp af te geven voor [belanghebbende] ondeugdelijk gemotiveerd. Hetgeen de rechtbank overweegt over het karakter en het gedrag van [belanghebbende] is niet waar en rechtvaardigt bovendien niet een zo ingrijpende maatregel. Ook buiten een uithuisplaatsing kan passende hulpverlening worden aangeboden en onderzoek worden gedaan. De vrees dat [belanghebbende] of de moeder zich zullen onttrekken aan jeugdhulp, hetgeen niet vaststaat, is eveneens onvoldoende voor een uithuisplaatsing. Het is de vraag welke inspanningen de GI heeft geleverd in het kader van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Volgens de moeder is er helemaal niets gebeurd. [belanghebbende] is wel in positieve zin veranderd. Hij kan dan ook terug naar huis komen.

3.10.

[belanghebbende] heeft ter zitting, zelf en bij monde van zijn advocaat – kort samengevat – het volgende naar voren gebracht.

[belanghebbende] wil benadrukken dat hij geen strafblad heeft. Het gaat goed bij Almata, maar hij wil daar niet graag zijn. Hij wil terug naar zijn moeder. Hij heeft het nodige geleerd bij Almata. Hij heeft meer discipline, let beter op zichzelf en denkt nu na voor hij handelt. De gedragstherapeut die [belanghebbende] behandelt ziet geen grote problemen. De gesprekken met hem zijn eenmaal per week. De mentor van [belanghebbende] heeft ook meerdere malen aangegeven dat het goed gaat; [belanghebbende] veroorzaakt geen problemen. [belanghebbende] volgt onderwijs op het terrein en hij voetbalt drie keer in de week.

Namens [belanghebbende] wordt eveneens aangevoerd dat het procesverloop in eerste aanleg tot rechtsonzekerheid heeft geleid en dat dit een schending van artikel 6 EVRM oplevert.

Het is spijtig dat de GI geen (actuele) rapportages heeft ingebracht, terwijl deze, gelet op de naderende vervolgzitting bij de rechtbank, wel voorhanden zouden moeten zijn.

[belanghebbende] is op tweede kerstdag en op nieuwjaarsdag bij de moeder geweest. Deze bezoeken zijn goed verlopen. De moeder bezoekt [belanghebbende] verder ieder weekend. Zij mag er dan vier uur zijn.

3.10.

De GI voert ter zitting – kort samengevat – het volgende aan.

De stand van zaken bij de vader en de moeder is niet veranderd. Mevrouw [jeugdzorgwerker] is de bij [belanghebbende] en [de minderjarige] betrokken jeugdzorgwerker. Mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] is de bij [de jongmeerderjarige] betrokken jeugdzorgwerker. [belanghebbende] mag heel trots zijn op zichzelf. Hij heeft enorme sprongen gemaakt. Hij heeft meer vertrouwen en ziet nu in dat hij er mag zijn. Hij heeft openheid durven en kunnen geven.

[belanghebbende] is een half jaar uit beeld geweest toen hij in België verbleef. De periode waarin hij bij Juzt verbleef was heftig voor hem. Binnen het gesloten kader heeft hij weer een vertrouwensband met de begeleiding gekregen en is hij gekomen tot school en sport.

In het afgelopen jaar heeft [belanghebbende] laten zien dat hij erg loyaal is aan zijn ouders. [belanghebbende] wil graag thuis wonen, maar de veiligheid van [belanghebbende] moet geborgd zijn. De samenwerking met de ouders verliep moeilijk. De moeder kwam alleen op bezoek als zij niet hoefde te werken. Nu wordt gekeken naar mogelijkheden om het bezoek uit te breiden. De gedachte is dat als [belanghebbende] zijn ouders meer mag zien, hij ook meer gemotiveerd zal zijn voor het traject.

De begeleiders van Almata hebben recent een advies uitgebracht en daarin aangegeven dat zij van mening zijn dat er geen gronden meer zijn voor een gesloten plaatsing; Almata adviseert een open setting. Dit kan binnen de accommodatie waar bij thans verblijft gerealiseerd worden, om niet te hoeven opgeven waarvoor hij zo hard heeft gewerkt, zoals zijn voetbal.

3.11.

Het hof oordeelt als volgt.

Processuele aspecten

3.11.1.

Het hof beoordeelt eerst grief I van de moeder, betreffende de wijze en het moment waarop de rechtbank heeft beslist en deze beslissing heeft gemotiveerd.

3.11.2.

Op grond van artikel 30p van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de rechter, indien alle partijen op de mondelinge behandeling zijn verschenen, tijdens of na de mondelinge behandeling ter zitting mondeling uitspraak doen.

In afwijking van hetgeen verder in artikel 30p Rv is bepaald kan op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad een mondeling gedane uitspraak later (uiterlijk binnen twee weken) worden uitgewerkt in een beschikking. Dit is onder meer aangewezen wanneer, zoals in het onderhavige geval, er een zodanig spoedeisend belang is dat een volledige schriftelijke uitwerking niet kan worden afgewacht en het niet mogelijk is om alle gronden voor de beslissing aanstonds tot in detail mondeling mede te delen.

De schriftelijke uitwerking dient als uitspraakdatum de dag van de mondelinge uitspraak te vermelden, met de aantekening dat het de schriftelijke uitwerking betreft van de reeds mondeling gedane uitspraak, onder vermelding van de datum waarop de schriftelijke uitwerking is vastgesteld, opdat een en ander controleerbaar is voor partijen en de rechter in een volgende instantie (Hoge Raad 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:650).

3.11.3.

Het hof overweegt dat in de bestreden beschikking onder het kopje “De beslissing” onder de inhoudelijke beslissing staat vermeld:

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2018 door [de kinderrechter] in tegenwoordigheid van [de griffier].

(…)

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 10 augustus 2018.

Het hof is gezien hetgeen hiervoor onder 3.11.2. is overwogen van oordeel dat de wijze waarop de rechtbank mondeling uitspraak heeft gedaan en deze beslissing later op schrift heeft gesteld geoorloofd is en derhalve niet in strijd is met de beginselen van een eerlijk proces (artikel 6 EVRM).

3.11.4.

Het hof heeft overigens een andere lezing van het procesverloop in eerste aanleg dan de moeder in hoger beroep schetst.

Het inleidend verzoek van de GI dateert van 17 juli 2018. De rechtbank heeft de regie in de procedure in eerste aanleg zelf in handen gehad, door bij beschikking van 18 juli 2018 op een deel van het verzoek om de spoedmachtiging gesloten jeugdhulp te beslissen en de beslissing omtrent het resterende deel van die machtiging, alsmede omtrent de aansluitende (reguliere) machtiging gesloten jeugdhulp aan te houden tot de nadere zitting van 31 juli 2018.

Er was derhalve geen sprake van een op het laatste nippertje ingediend verlengingsverzoek van de GI, waarop de rechter niet anders dan toewijzend heeft kunnen beslissen, zoals de moeder heeft betoogd.

3.11.5.

Al het voorgaande leidt ertoe dat grief I van de moeder faalt.

Inhoudelijke beoordeling

3.11.6.

Op grond van het bepaalde in artikel 6.1.2 lid 1 Jeugdwet (Jw) kan de rechter op verzoek een machtiging verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven.

Gelet op artikel 6.1.2 lid 2 Jw staat ter beoordeling of:

er bij [belanghebbende] sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren, en;

de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [belanghebbende] zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.

3.11.7.

Een machtiging kan op grond van artikel 6.1.2 lid 3 bovendien slechts worden verleend indien (a) de jeugdige onder toezicht is gesteld, (b) de voogdij over de jeugdige bij een gecertificeerde instelling berust of (c) degene die, anders dan bedoeld onder b, de wettelijke vertegenwoordiger is, met de opneming en het verblijf instemt.

Het hof stelt vast dat aan het vereiste onder lid 3 aanhef en onder a is voldaan.

3.11.8.

Ingevolge artikel 6.1.2 lid 5 Jw kan een machtiging voorts slechts worden verleend indien het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft, of de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert of de voogdij uitoefent, heeft bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp en verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder nodig is.

In de Memorie van Toelichting wordt dit benoemd als het “adviseren over welke jeugdhulp er precies nodig is en hoelang deze hulp verplicht moet worden” (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, 3, p. 138)

Uit de bestreden beschikking maakt het hof op dat de GI (die de ondertoezichtstelling van [belanghebbende] uitvoert) in eerste aanleg een verklaring als hiervoor bedoeld heeft overgelegd. Deze verklaring bevindt zich niet onder de stukken in hoger beroep. Evenwel is het hof van oordeel dat de bepaling van de noodzakelijkheid van een voorziening als hiervoor bedoeld inherent is aan en geïmpliceerd is in het inleidende verzoek van de GI.

Mede gelet op hetgeen hieromtrent in de Memorie van Toelichting is opgenomen, is naar het oordeel van het hof aan het bepaalde in artikel 6.1.2 lid 5 Jeugdwet voldaan.

Grief II van de moeder faalt derhalve.

3.11.9.

Tot slot behoeft het verzoek op grond van artikel 6.1.2 lid 6 Jw de instemming van een gedragswetenschapper die de minderjarige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht.

Het hof verwijst naar de verklaring van de gedragswetenschapper van 25 juli 2018 en stelt vast dat ook aan het formele vereiste van lid 6 is voldaan.

3.11.10.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen afweging en waardering overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de hiervoor vermelde wettelijke vereisten van artikel 6.1.2 lid 2 Jw.

Het hof acht zich, hoewel niet het volledige procesdossier van de eerste aanleg was overgelegd en ook actuele stukken van de GI ontbreken, gelet op de inhoud van het inleidend verzoekschrift en de daarin gegeven feitelijke onderbouwing voldoende voorgelicht, temeer nu deze feitelijke onderbouwing niet of nauwelijks is betwist.

De verder niet onderbouwde stelling van de moeder dat aan de gronden voor een gesloten plaatsing niet is voldaan, maakt het oordeel van het hof niet anders.

Grief III van de moeder faalt derhalve eveneens.

3.11.11.

Ter aanvulling overweegt het hof dat ter zitting in hoger beroep is gebleken dat zowel de begeleiding van Almata als de GI van mening zijn dat op dit moment geen gronden meer aanwezig zijn voor een gesloten setting gezien de progressie die [belanghebbende] in de afgelopen maanden heeft laten zien en de manier waarop hij thans op persoonlijk vlak en binnen de groep functioneert. De GI heeft actuele verslagen en rapportages naar de rechtbank verzonden ten behoeve van de nadere zitting op 22 januari 2019, waarbij het resterende deel van de machtiging gesloten jeugdhulp zal worden behandeld.

Het hof beschikt niet over voornoemde stukken, maar afgaande op hetgeen de GI hieromtrent naar voren heeft gebracht, zou wellicht kunnen worden geconcludeerd dat aan de wettelijke vereisten van artikel 6.1.2 lid 2 Jw strikt genomen niet meer wordt voldaan.

Zoals in een situatie als de onderhavige echter gebruikelijk en naar het oordeel van het hof ook zeer wenselijk is, is een machtiging gesloten jeugdhulp in deze periode van overgang naar een open setting in ieder geval noodzakelijk als veiligheidsnet, waarin het hof een rechtvaardiging ziet om de machtiging gesloten jeugdhulp op dit moment in stand te laten. Het is voor het overige aan de rechtbank, die over de relevante stukken beschikt, om te beoordelen of en vanaf wanneer de machtiging gesloten jeugdhulp niet meer nodig is.

3.12.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, dient te worden bekrachtigd.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 31 juli 2018, op schrift gesteld op 10 augustus 2018;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, H. van Winkel en J.C.E. Ackermans-Wijn en is op 17 januari 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.