Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1653

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-05-2019
Datum publicatie
06-05-2019
Zaaknummer
200.240.010_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vader komt vastgestelde omgangsregeling niet na. Omgangsregeling op verzoek moeder gewijzigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 2 mei 2019

Zaaknummer: 200.240.010/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/292515 / FA RK 15-1998-4

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. H. Sanli,

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de vader.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 15 maart 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift van 25 mei 2018 met producties, ingekomen ter griffie op 28 mei 2018, heeft de moeder verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en te bepalen dat de man gerechtigd is tot omgang met de hierna te noemen minderjarige om de drie weken op zaterdag van 12:00 uur tot 17:00 uur, althans een zodanige omgangsregeling die in goede justitie in het belang van de minderjarige wordt geacht.

2.2.

Het hof heeft voorts kennis genomen van:

- het V6-formulier van de advocaat van de moeder van 26 juli 2018, met bijlage, ingekomen ter griffie van het hof op 27 juli 2018;

- het V2-formulier van 29 januari 2019, ingekomen ter griffie van het hof op diezelfde

datum, van mr. J.W.J. van den Broek waarin hij zich onttrekt als advocaat van de vader;

- de brief van [instelling] van 31 januari 2019, ingekomen ter griffie van het hof op 4 februari 2019 met daarin het bericht niet ter zitting te zullen verschijnen;

- het V6-formulier van de advocaat van de moeder van 21 maart 2019, met bijlagen, ingekomen ter griffie van het hof op 22 maart 2019.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 maart 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. H. Sanli;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mr. [vertegenwoordiger van de raad] .

2.3.1.

De vader heeft het hof in de ochtend voorafgaand aan de mondelinge behandeling telefonisch medegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is geboren:

- [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ), op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] .

3.2.

De vader heeft [minderjarige] erkend. De moeder heeft het ouderlijk gezag over [minderjarige] . [minderjarige] woont bij de moeder.

3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, heeft de rechtbank de navolgende omgangsregeling vastgesteld:

- [minderjarige] verblijft vanaf heden (hof: dat wil zeggen vanaf 15 maart 2018) tot juni 2018 een weekend in de twee weken van zaterdagochtend 12.00 uur tot 17.00 uur bij de vader;

- [minderjarige] verblijft vanaf juni 2018 tot september 2018 een weekend in de twee weken van zaterdagochtend 12.00 uur tot 19.00 uur bij de vader, waarbij [minderjarige] de avondmaaltijd nuttigt bij de vader;

- [minderjarige] verblijft vanaf september 2018 tot november 2018 een weekend in de twee weken van zaterdagochtend 12.00 uur tot zondagmiddag 12:00 uur bij de vader;

- vanaf november 2018 zal de reguliere regeling van start gaan, in die zin dat [minderjarige] om de week bij de vader zal verblijven van zaterdag 12.00 uur tot zondagmiddag 17.00 uur.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert het volgende aan. Gebleken is dat de vader de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling regelmatig niet nakomt. Dit leidt er toe dat [minderjarige] regelmatig teleurgesteld wordt en gefrustreerd raakt. Daarbij is het voor de moeder erg lastig dat de vader niet of moeilijk bereikbaar is voor overleg.

In de praktijk ziet [minderjarige] haar vader gemiddeld één keer in de drie weken op zaterdag van 12.00 uur tot 19.00 uur, waarbij de vader [minderjarige] haalt en brengt. De door de rechtbank vastgestelde overnachting heeft tot op heden niet plaatsgevonden. Door zijn houding gaat de vader voorbij aan de belangen van [minderjarige] die bovendien ook nog eens een

bovengemiddelde behoefte heeft aan duidelijkheid en structuur. Gelet hierop is de vastgelegde omgangsregeling niet in het belang van [minderjarige] en de moeder verzoekt deze regeling dan ook te wijzigen in die zin, dat de vader en [minderjarige] omgang hebben met elkaar om de drie weken op zaterdag van 12.00 uur tot 17.00 uur.

3.6.

De raad betreurt het dat de vader niet naar de mondelinge behandeling is gekomen om zijn standpunt toe te lichten. De raad constateert dat de moeder mee wil werken aan de omgangsregeling, maar dat de vader in dezen zijn vaderrol niet vervult. Om onnodige teleurstellingen te voorkomen en duidelijkheid te creëren voor de moeder en [minderjarige] adviseert de raad het door de moeder in hoger beroep verzochte toe te wijzen.

3.7.

Het hof overweegt als volgt.

3.7.1.

Aangezien de vader [minderjarige] heeft erkend, is hij de juridische ouder van [minderjarige] . Ingevolge artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast.

3.7.2.

De vader heeft in de procedure in hoger beroep geen verweer gevoerd en bovendien op de dag van de zitting het hof telefonisch te kennen gegeven niet ter zitting te zullen verschijnen. De standpunten van de moeder zijn hierdoor onweersproken gebleven.

De moeder heeft uitdrukkelijk aangegeven haar medewerking te (hebben) willen verlenen aan de omgangsregeling die de rechtbank heeft vastgelegd bij de bestreden beschikking, maar dat de houding van de vader ertoe heeft geleid dat zij toch in hoger beroep is gegaan tegen deze beschikking.

Wat betreft dat hoger beroep overweegt het hof dat op basis van zowel de overgelegde stukken als de toelichting bij de mondelinge behandeling voldoende aannemelijk is geworden dat de vader onbetrouwbaar is in het nakomen van de door de rechtbank bij de bestreden beschikking vastgelegde omgangsregeling. Deze (wisselende) houding van de vader zorgt bij [minderjarige] regelmatig voor teleurstellingen en frustraties, mede omdat zij door de moeder op een omgangsmoment met de vader wordt voorbereid.

Naar het oordeel van het hof sluit een omgangsregeling van één keer in de drie weken op zaterdag van 12.00 uur tot 17.00 uur – zoals door de moeder primair in hoger beroep verzocht – beter aan bij de werkelijkheid en bij het belang van met name [minderjarige] . Immers, een dusdanige regeling stemt overeen met de frequentie van de omgang zoals die, naar de moeder onbetwist heeft gesteld, sinds de beschikking waarvan beroep, in de praktijk heeft plaatsgevonden. De kans op teleurstellingen en frustraties bij [minderjarige] wordt hierdoor wel minder maar door het regelmatige contact kan de band met haar vader in stand blijven. De vader behoudt immers – maar dan op basis van een andere regeling dan in de beschikking waarvan beroep vastgelegd – (zijn recht op) omgang met [minderjarige] .

Het hof zal gelet op het voorgaande de bestreden beschikking vernietigen en het verzoek van de moeder zoals gedaan in hoger beroep toewijzen.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van

15 maart 2018 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

stelt opnieuw de omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] vast, waarbij [minderjarige] en de vader gerechtigd zijn tot het hebben van omgang met elkaar om de drie weken op zaterdag van 12:00 uur tot 17:00 uur;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. L.Th.L.G. Pellis, J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en A.E. van Solinge en is op 2 mei 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.