Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1650

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-05-2019
Datum publicatie
06-05-2019
Zaaknummer
200.241.267_01 en 200.241.274_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Grievend gedrag. Beëindiging partneralimentatie. Verdeling. Waardebepaling auto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0128
JIN 2019/103 met annotatie van Bouwmeester, A.
EB 2019/73
JPF 2019/69
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummers : 200.241.267/01 (partneralimentatie) en 200.241.274/01 (verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap)

zaaknummer rechtbank : C/01/321949 / FA RK 17-2846

beschikking van de meervoudige kamer van 2 mei 2019

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. S.M.E. van Dijsseldonk te Eindhoven,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J. el Hannouche te Utrecht.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 23 maart 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De vrouw is op 21 juni 2018 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 23 maart 2018.

2.2.

De man heeft op 9 augustus 2018 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- het procesdossier van de eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 27 juni 2018;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 19 februari 2018, ingekomen ter griffie op 8 augustus 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 11 september 2018 met bijlagen, ingekomen ter griffie op 12 september 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 7 maart 2019 met bijlagen, ingekomen ter griffie op 7 maart 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 9 maart 2019 met bijlagen, ingekomen ter griffie op 12 maart 2019.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft op 19 maart 2019 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.5.

Na de mondelinge behandeling in hoger beroep is op verzoek van het hof ingekomen per faxbericht d.d. 19 maart 2019 met bijlage, de jaaropgave 2018 van de man.

2.6.

Het hof heeft partijen na afloop van de mondelinge behandeling in hoger beroep in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken, derhalve uiterlijk 2 april 2019, het hof te berichten of zij alsnog overeenstemming hebben bereikt over hetgeen hen in hoger beroep verdeeld houdt.

2.7.

Bij journaalbericht van de zijde van de man van 1 april 2019 met bijlage, ingekomen ter griffie op 1 april 2019, heeft de man het hof bericht dat het partijen niet is gelukt om een regeling te treffen.

De man heeft als bijlage bij voornoemd journaalbericht een brief van het Openbaar Ministerie overgelegd.

De vrouw heeft met de overlegging van deze brief ingestemd.

In voornoemde brief van het Openbaar Ministerie wordt aan de man medegedeeld dat hij niet (verder) wordt vervolgd omdat er onvoldoende bewijs is.

De man ziet vanwege deze sepotbrief geen reden meer om met de vrouw te onderhandelen.

2.8.

Bij journaalbericht van de zijde van de vrouw van 1 april 2019, ingekomen ter griffie op 1 april 2019, heeft de vrouw het hof medegedeeld dat het partijen niet gelukt is om een regeling te treffen.

2.9.

Bij journaalbericht van de zijde van de vrouw van 3 april 2019 met bijlage, ingekomen ter griffie op 3 april 2019, heeft de vrouw gereageerd op de door de man overgelegde sepotbrief. Deze brief toont volgens de vrouw enkel aan dat er blijkbaar geen bewijs is gevonden om tot vervolging van de man over te kunnen gaan. De brief toont niet aan dat de vrouw zich jegens de man grievend heeft gedragen.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Partijen zijn de ouders van:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 1] );

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 2] ), (hierna ook: de kinderen).

3.3.

Bij beschikking van 15 mei 2017 betreffende de vaststelling van voorlopige voorzieningen heeft de rechtbank met ingang van die datum de door de man voorlopig te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderalimentatie) bepaald op een bedrag van € 331,50 per kind per maand en de door de man te betalen partneralimentatie bepaald op een bedrag van € 244,- bruto per maand.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank Oost-Brabant tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 25 juli 2018 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4.1.1.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang:

  • -

    de door de man te betalen kinderalimentatie bepaald op een bedrag van € 342,- per kind per maand met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;

  • -

    het verzoek van de vrouw om partneralimentatie afgewezen;

  • -

    de wijze van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap gelast als overwogen onder de kop “Verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap”.

4.2.

De vrouw kan zich niet verenigen met de afwijzing van haar verzoek om partner-alimentatie (grief 1) en de door de rechtbank vastgestelde waarde van de aan haar toegedeelde auto van het merk Citroën (grief 2).

4.2.1.

De vrouw verzoekt in hoger beroep, verkort weergegeven, de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen c.q. aan te vullen en, opnieuw rechtdoende:

1. ten aanzien van de partneralimentatie (zaaknummer 200.241.267/01):

te bepalen dat de man, telkens bij vooruitbetaling, een bedrag van € 1.121,- bruto per maand aan partneralimentatie verschuldigd is, welke jaarlijks verhoogd dient te worden met de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW);

2. ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap (zaaknummer 200.241.274):

de boedelverdeling vast te stellen zoals uiteengezet in de bestreden beschikking onder rechtsoverweging 2.8.9., met dien verstande dat de waarde van de Citroën C1 zal worden vastgesteld op € 2.799,- en de vrouw derhalve een bedrag van € 1.399,50 dient te verrekenen met de man;

in beide zaken:

3. voor het overige de bestreden beschikking in stand te houden;

4. kosten rechtens.

4.3.

De man verzoekt (in beide zaken) in hoger beroep, verkort weergegeven:

  1. het hoger beroep van de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren dan wel haar verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen;

  2. kosten rechtens;

ten aanzien van de partneralimentatie (zaaknummer 200.241.267/01):

3. indien en voor zover de vrouw ontvankelijk wordt verklaard, de partneralimentatie vast te stellen op het bedrag dat de man maximaal aan draagkracht heeft en primair vast te stellen dat dit bedrag lineair wordt afgebouwd in vijf jaar tot nihil, dan wel subsidiair te limiteren tot vijf jaar, zulks met ingang van de datum van de beschikking van het hof, althans de datum van de indiening van het beroepschrift van de vrouw, althans de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking;

ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap (zaaknummer 200.241.274):

4. de waarde van de Citroën C1 vast te stellen op € 5.000,-.

5 De motivering van de beslissing

Ten aanzien van de partneralimentatie (zaaknummer 200.241.267/01):

Grievend gedrag

5.1.

In het meest verstrekkende verweer voert de man zowel in eerste aanleg als in hoger beroep aan dat de vrouw zich zodanig grievend jegens hem heeft gedragen dat de lotsverbondenheid tussen partijen is verbroken en de grond voor partneralimentatie is komen te vervallen (vgl. ECLI:NL:GHAMS:2008:BD1223). Hij voert in hoofdzaak het volgende aan. Het grievend gedrag van de vrouw bestaat er uit dat zij de man vals heeft beschuldigd van huiselijk (psychisch) geweld in de vorm van bedreiging, manipulatie en kleineren, alcoholmisbruik, kindermishandeling, kinderontvoering en tot slot seksueel misbruik van de kinderen. De vrouw heeft deze valse informatie met verschillende instanties gedeeld. Gedurende de echtscheidingsprocedure werden de door de vrouw geuite beschuldigingen steeds ernstiger. De man zou volgens de vrouw ook in het bijzijn van een medewerker van [instelling] tijdens de begeleide omgangscontacten seksuele handelingen met de kinderen hebben verricht.

De man heeft volledige medewerking aan het strafrechtelijk onderzoek naar het seksueel misbruik van de kinderen verleend, waarbij het ook is gekomen tot politiecontacten met zijn werkgever. Van diverse stellingen van de vrouw staat inmiddels vast dat die onjuist zijn. Zo is er bijvoorbeeld door de politie op de computer en telefoon van de man geen kinderporno aangetroffen. Het is juist de vrouw die uiteindelijk naar aanleiding van de door haar gedane aangifte als verdachte is gehoord. Zij blijkt zelf naaktfoto’s van de kinderen te hebben gemaakt en via internet verkocht.

De man is van mening dat het naar maatschappelijke normen als zeer ingrijpend en grievend moet worden beschouwd als een vader van seksueel misbruik van zijn kinderen wordt beschuldigd, terwijl daar geen enkele basis voor aanwezig is. Van de man kan daarom in alle redelijkheid niet worden gevergd dat hij partneralimentatie betaalt.

5.2.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man geen grond heeft aangevoerd waaruit volgt dat van hem niet langer kan worden gevergd om partneralimentatie te betalen. De vrouw ontkent dat zij zich jegens de man grievend heeft gedragen. Zij praat niet negatief over de man in het bijzijn van de kinderen. De vrouw heeft enkel met bekenden over de echtscheiding gepraat om haar “verhaal kwijt te kunnen”. Voorts maakt de vrouw zich zorgen over de kinderen, welke zorgen zij met de daarvoor bestaande instanties en met de school van de kinderen heeft gedeeld. De vrouw heeft ter zitting – desgevraagd – verklaard veel waarde te hechten aan de verklaringen van de kinderen omtrent het alcoholgebruik, mishandeling en seksueel misbruik door de man. De kinderen vertellen hierover zo in detail en zij gedragen zich dermate vreemd dat zij geen reden ziet om aan die verklaringen te twijfelen. De vrouw heeft op een nadrukkelijke vraag van het hof geantwoord dat zij de man nog altijd als een “kinderverkrachter” beschouwt.

5.3.

Het hof overweegt als volgt.

5.3.1.

Het hof stelt voorop dat de rechter bij het vaststellen van de alimentatieplicht rekening kan houden met omstandigheden van niet financiële aard; in uitzonderlijke gevallen kan grievend gedrag van één der gewezen echtgenoten ten opzichte van de ander tot de conclusie leiden dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om van de gewezen echtgenoot een (volledige) bijdrage in het levensonderhoud te verlangen (vgl. HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2058 ( [link 1] ) en HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:695 ( [link 2] )).

5.3.2.

Bij de beoordeling in een concreet geval of een zodanige situatie zich voordoet, dient terughoudendheid te worden betracht. Bedacht moet worden dat het op zichzelf niet ongebruikelijk is dat een relatiebreuk dan wel echtscheiding gepaard gaat met de nodige emoties.

5.3.3.

Voor zover de man heeft aangevoerd dat het grievend gedrag van de vrouw

de lotsverbondenheid tussen partijen heeft verbroken, overweegt het hof dat het ‘afnemen’ of ‘vervallen’ van de lotsverbondenheid tussen de gewezen echtgenoten geen grond kan zijn voor beëindiging van de alimentatieverplichting, ook niet in samenhang met andere omstandigheden, aangezien de door het huwelijk in het leven geroepen lotsverbondenheid wel als een grondslag voor het ontstaan van de alimentatieverplichting kan worden beschouwd, maar het voortduren van die verplichting niet op het voortduren van de lotsverbondenheid berust (vgl. HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:695, rov. 3.3.5.).

De rechter kan, buiten het in de wet geregelde geval van artikel 1:160 BW, een lopende alimentatieverplichting slechts doen eindigen wegens andere omstandigheden dan ontbrekende draagkracht of behoefte op de grond dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om van de gewezen echtgenoot nog langer een bijdrage in het levensonderhoud te verlangen.

5.3.4.

Het hof begrijpt de stellingen van de man daarom aldus dat de vrouw zich zodanig grievend jegens hem heeft gedragen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat zij van de man een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud verlangt. Het grievend gedrag zou, samengevat, eruit bestaan dat de vrouw de man ten onrechte van alcoholmisbruik, kindermishandeling, kinderontvoering en seksueel misbruik van de kinderen heeft beschuldigd.

5.3.5.

Het hof stelt voorop dat ter zitting van het hof is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat zij tien jaar samen zijn geweest, waarvan de eerste vier jaren goed waren en dat daarna hun onderlinge relatie onder druk is komen te staan. Niet is gebleken dat de vrouw gedurende het huwelijk ook maar enig signaal heeft afgegeven dat de man zich jegens de kinderen onheus heeft gedragen. Het hof stelt derhalve vast dat de door de vrouw geuite en steeds ernstiger wordende beschuldigingen jegens de man alle in het kader van de echtscheiding zijn gedaan. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep volgt dat de vrouw de man voor het eerst kort na haar vertrek uit de echtelijke woning in februari 2017 ervan heeft beschuldigd dat hij onder invloed van alcohol de kinderen mishandelde. De vrouw heeft de kinderen toen vier maanden belet om naar de man toe te gaan. De man heeft daardoor geen enkel contact meer met de kinderen gehad tot de beschikking houdende voorlopige voorzieningen van 15 mei 2017. In die beschikking heeft de rechtbank een voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de man en de kinderen vastgesteld. De man heeft in eerste aanleg de rechtbank verzocht om aan de vrouw een dwangsom op te leggen, omdat zij de regeling niet nakwam. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de beslissing op dit punt aangehouden vanwege het door de rechtbank gelaste raadsonderzoek. Het hof stelt verder vast dat de vrouw de man vervolgens heeft beschuldigd van seksueel misbruik van [minderjarige 2] , waarvan zij op 6 februari 2018 aangifte bij de politie heeft gedaan. Deze aanklacht werd door de vrouw in korte tijd vergroot van het maken van naaktfoto’s van [minderjarige 2] tot daadwerkelijke verkrachting van [minderjarige 2] en verrichten van seksuele handelingen, nota bene tijdens de begeleide contactmomenten bij [instelling] . Vast staat dat op basis van de aangifte van de vrouw door het Openbaar Ministerie een uitgebreid strafrechtelijk onderzoek naar de man is ingesteld. De man heeft ter zitting van het hof onweersproken gesteld dat het daarbij zelfs is gekomen tot een inval in zijn woning waarbij digitale gegevensdragers en zijn notebook in beslag zijn genomen en tot politiecontacten met zijn werkgever. Uit de door de man overgelegde processen-verbaal van bevindingen van 25 oktober 2018 en 21 februari 2019 blijkt dat de in beslag genomen notebook en de digitale gegevensdragers van de man zijn onderzocht en dat de desbetreffende verbalisant hierop geen kinder-pornografische afbeeldingen heeft aangetroffen. Na de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de man – met toestemming van de vrouw – een brief van het Openbaar Ministerie van 29 maart 2019 overgelegd waarin aan de man wordt medegedeeld dat de Officier van Justitie heeft besloten om de man niet (verder) te vervolgen omdat er onvoldoende bewijs is. De man heeft ter zitting van het hof onweersproken gesteld dat het juist de vrouw is die in het kader van het strafrechtelijk onderzoek door de politie als verdachte is gehoord ter zake het vervaardigen en verkopen van naaktfoto’s van de kinderen.

5.3.6.

Het hof is van oordeel dat de door de vrouw geuite (onbewezen) beschuldigingen van onder meer seksueel misbruik van de kinderen de gebruikelijke strijd tussen partijen na een echtscheiding ver te buiten gaan. De man is hierdoor op bijzonder diffamerende wijze in zijn ouderschap aangetast, waarbij dit tevens verstrekkende gevolgen heeft gehad op andere levensgebieden van de man waaronder zijn werk, nu er politiecontacten met de werkgever van de man zijn geweest. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de door de vrouw geuite beschuldigingen op geen enkele wijze met verificatoire bescheiden zijn onderbouwd, terwijl de man het vermeende seksueel misbruik van de kinderen – met overlegging van verificatoire bescheiden – gemotiveerd heeft weersproken. Zo blijkt uit de door de man overgelegde processen-verbaal van bevindingen dat – anders dan de vrouw stelt – er geen kinder-pornografisch materiaal is aangetroffen op de digitale gegevensdragers en de computer van de man. Voorts acht het hof uitermate grievend dat de vrouw ter zitting in hoger beroep op een nadrukkelijke vraag van het hof heeft geantwoord dat zij de man nog altijd als een “kinderverkrachter” beschouwt en zij van deze stelling ook – ondanks de inhoud voornoemde stukken – geen afstand wenst te nemen. De na de mondelinge behandeling ingekomen schriftelijke reactie van de vrouw op de door de man overgelegde sepotbeslissing van de Officier van Justitie bevestigt dit nog eens, nu de vrouw daarin stelt dat deze beslissing enkel aantoont dat de man ooit verdachte is geweest in een onderzoek en er blijkbaar geen bewijs is gevonden om tot vervolging over te kunnen gaan.

5.3.7.

Alles in onderlinge samenhang bezien is het hof van oordeel dat voornoemde gedragingen van de vrouw dermate grievend voor de man zijn of zijn geweest dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de vrouw van de man een bijdrage in haar levensonderhoud verlangt. Het hof zal het daartoe strekkende verzoek van de vrouw op basis van bovenstaande overwegingen in hoger beroep afwijzen.

5.3.8.

Het voorgaande betekent dat het hof niet toekomt aan een beoordeling van de overige geschilpunten ter zake partneralimentatie in hoger beroep.

ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap (zaaknummer 200.241.274)

5.4.

De vrouw voert in grief 2 aan dat de rechtbank een te hoge waarde heeft aangenomen voor de aan haar toegedeelde Citroën C1 en stelt het volgende. De rechtbank heeft niet gemotiveerd waarom moet worden uitgegaan van de algemene ANWB Koerslijst in plaats van de door de vrouw overgelegde concrete offerte voor de specifiek te verdelen auto. De auto heeft aanzienlijke waterschade geleden waarmee in de overgelegde offerte wel rekening is gehouden en in de ANWB koerslijst niet. De vrouw heeft later nog een offerte opgevraagd bij een lokale autohandelaar; deze heeft de waarde van de auto getaxeerd op € 2.799,-. Het voorgaande brengt met zich dat de vrouw ter zake de Citroën C1 primair een bedrag van

€ 1.399,50, subsidiair een bedrag van € 1.632,- en uiterst subsidiair een bedrag van

€ 2.065,50 (de helft van het gemiddelde tussen de waarde volgens de ANWB koerslijst van € 5.000,- en de waarde volgens de offerte van € 3.262,-) met de man dient te verrekenen.

5.5.

De man heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd en stelt het volgende.

De rechtbank is terecht uitgegaan van de verkoopwaarde tussen particulieren. De verkoopwaarde van de Citroën C1 dient dan ook conform de ANWB koerslijst te worden vastgesteld op € 5.000,-. Het is gebruikelijk om uit te gaan van de waarde volgens de ANWB koerslijst omdat dit een objectieve website is voor de waardering van een auto. Indien de vrouw meent dat daarvan moet worden afgeweken, dient zij concreet bewijs over te leggen waaruit blijkt dat de Citroën C1 een lagere waarde heeft. De door de vrouw overgelegde offertes voldoen hier niet aan. De offerte van 23 november 2017 is niet gebaseerd op de concrete auto; er is geen kenteken af te lezen en er zijn geen andere kenmerken in vermeld die er op wijzen dat het hier gaat om de aan de vrouw toegedeelde Citroën C1. De door [onderneming 1] opgegeven waarde is niet gebaseerd op de verkoopprijs tussen particulieren, maar op de inkoopprijs. [onderneming 1] kopen auto’s in van particulieren die snel hun auto willen verkopen, waarmee bij de taxatie rekening wordt gehouden. De door de vrouw overgelegde offerte van 28 maart 2018 is niet ondertekend en onduidelijk is hoe de daarin genoemde waarde van de Citroën C1 tot stand is gekomen. Voorts is hier wederom sprake van een inkoopprijs. Verder volgt uit deze offerte – anders dan de vrouw stelt – dat de auto schadevrij is.

5.6.

Het hof overweegt als volgt.

5.6.1.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank bij de vaststelling van de te verrekenen waarde van de aan de vrouw toegedeelde Citroën C1 terecht is uitgegaan van de verkoopwaarde tussen particulieren. Het hof ziet in hetgeen de vrouw in hoger beroep heeft aangevoerd geen aanleiding om voor de vaststelling van de te verrekenen waarde van de aan de vrouw toebedeelde Citroen C1 van de verkoopwaarde tussen particulieren volgens de ANWB Koerslijst van € 5.000,- af te wijken. Van de vrouw had mogen worden verwacht dat zij stukken in het geding had gebracht die haar stelling staven dat ten gevolge van waterschade aan de bekleding van de achterbank de waarde van de Citröen C1 lager is dan € 5.000,- (bijvoorbeeld door een schaderapport, begroting schadeherstel (van een reparatiebedrijf) of een taxatie waarin uitdrukkelijk staat vermeld dat bij de taxatiewaarde rekening is gehouden met de waterschade aan de bekleding). De vrouw heeft weliswaar een tweetal offertes in het geding gebracht waaruit een lagere taxatiewaarde zou moeten blijken, maar de man heeft de inhoud van deze offertes en de daarin genoemde taxatiewaarden gemotiveerd weersproken. Daarbij komt dat uit de door de vrouw overgelegde taxaties niet uitdrukkelijk blijkt dat er sprake is van waterschade aan de bekleding van de auto. Integendeel, in de offerte van [onderneming 2] wordt uitdrukkelijk vermeld dat het getaxeerde voertuig schadevrij is. Voorts blijkt uit de offerte van [onderneming 1] van 23 november 2017 niet hoe de daarin genoemde waarde van € 3.262,- tot stand is gekomen en is het niet duidelijk of deze waarde daadwerkelijk is gebaseerd op de aan de vrouw toegedeelde Citroën C1 omdat alle voertuigkenmerken zoals kenteken en kilometerstand ontbreken. Het hof is daarom met de rechtbank van oordeel dat de Citroën C1 in de verrekening dient te worden betrokken voor een bedrag van € 5.000,-, zodat de vrouw ter zake van de verrekening van de waarde van de Citroën C1 aan de man dient te voldoen een bedrag van € 2.500,-. Grief 2 van de vrouw faalt derhalve.

in de zaak met zaaknummer 200.241.267/01 en in de zaak met zaaknummer 200.241.274/01

Bewijsaanbod

5.7.

Het hof passeert het bewijsaanbod van de vrouw bij gebrek aan voldoende onderbouwing van de stellingen waarop het bewijsaanbod betrekking heeft.

6 De slotsom

in de zaak met zaaknummer 200.241.267/01 en in de zaak met zaaknummer 200.241.274/01

6.1.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof beslissen als hierna onder punt 7 van deze beschikking vermeld.

6.2.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep in beide zaken – gelet op de aard van deze zaken – compenseren.

7 De beslissing

Het hof:

in de zaak met zaaknummer 200.241.267/01:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 23 maart 2018, voor zover daarbij het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie is afgewezen,

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

in de zaak met zaaknummer 200.241.274/01:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 23 maart 2018, voor wat betreft de daarin vastgestelde te verrekenen waarde van € 2.500,- van de aan de vrouw toebedeelde Citroën C1,

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, C.A.R.M. van Leuven en

E.H. Schijven-Bours en is op 2 mei 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. E. Hulzink-Mimpen, griffier.