Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:1601

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-04-2019
Datum publicatie
29-04-2019
Zaaknummer
20-001593-18
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:2668, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schietincident woonwijk Terneuzen. Veroordeling tot 18 maanden gevangenisstraf ter zake bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en het medeplegen van het voorhanden hebben van een wapen en munitie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-001593-18

Uitspraak: 29 april 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 april 2018 in de strafzaak met parketnummer 02-700217-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortedag] 1972,

wonende te [adres verdachte] .

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte vrij zal spreken van het onder 1 primair ten laste gelegde, bewezen zal verklaren hetgeen aan verdachte onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste is gelegd en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van voorarrest.

Door de raadsman van verdachte is integrale vrijspraak bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 9 september 2017 te Terneuzen tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk van het leven te beroven, opzettelijk na kalm beraad en/of rustig overleg, althans opzettelijk, meermalen, althans eenmaal met een of meer vuurwapen(s) in de richting van die [aangever] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


subsidiair:


hij op of omstreeks 9 september 2017 te Terneuzen, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, [aangever] en/of [betrokkene] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, bestaande uit het door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) dreigend met een of meer vuurwapen(s) in de richting van die [aangever] en/of in de richting van de woning van die [aangever] en [betrokkene] te schieten en/of het door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), in elk geval dreigend met een of meer vuurwapen(s) in de nabijheid/omgeving van die [aangever] en/of [betrokkene] te schieten en/of het door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) voor [aangever] zichtbaar voorhanden hebben van een of meerdere (vuur)wapen(s);

2.
hij op of omstreeks 9 september 2017 te Terneuzen, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, een of meer wapen(s) van categorie II en/of III, te weten een of meer vuurwapen(s) in de vorm van een (semi-) automatisch werkend pistool van het kaliber 9mm Parabellum en/of munitie van categorie III, te weten een aantal scherpe patronen, voorhanden heeft gehad.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

Anders dan de rechtbank, maar met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op basis van het procesdossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte op enig moment in de richting van [aangever] heeft geschoten en evenmin met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte – wat betreft het gericht schieten op [aangever] – bewust en nauw heeft samengewerkt met (een) ander(en). Bij gebrek aan wettig bewijs kan daarom geen veroordeling ter zake poging tot moord dan wel poging tot doodslag volgen. Mitsdien zal de verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 9 september 2017 te Terneuzen, tezamen en in vereniging met anderen, [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, bestaande uit het door hem, verdachte, en zijn mededaders dreigend met een vuurwapen in de nabijheid/omgeving van die [aangever] te schieten en het door hem, verdachte, en zijn mededaders voor [aangever] zichtbaar voorhanden hebben van een vuurwapen;


2.
hij op 9 september 2017 te Terneuzen, tezamen en in vereniging met anderen, een wapen van categorie II of III, te weten een vuurwapen in de vorm van een (semi-) automatisch werkend pistool van het kaliber 9mm Parabellum en munitie van categorie III, te weten een aantal scherpe patronen, voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen 1

Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep verzocht verdachte van de gehele tenlastelegging vrij te spreken, wegens gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs. Daartoe is – kort gezegd – door de verdediging aangevoerd dat op basis van de verschillende verklaringen in het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte ten tijde van het schietincident in de [straat aangever] is geweest. De belastende verklaring van [betrokkene] kan niet voor het bewijs worden gebezigd, gelet op diens latere, andersluidende verklaringen. Voorts kan op basis van het dossier niet met voldoende zekerheid worden gesteld dat verdachte op het tijdstip van de foto om 5.05 uur en op het tijdstip van de melding van het schietincident om 5.30 uur samen met de drie andere verdachten is geweest, aldus de verdediging.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Ter beoordeling van de door de zijde van de verdediging gevoerde verweren zal het hof allereerst de feiten en omstandigheden vaststellen, zoals deze naar het oordeel van het hof volgen uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verklaringen van de verdachten, alsmede de verklaringen van de partners van de verdachten, dusdanig wisselend en niet in overeenstemming met elkaar zijn, dat het hof deze verklaringen grotendeels als ongeloofwaardig ter zijde legt.

Aan het verweer van de raadsman inhoudende dat de verklaringen van vader [aangever] en zoon [betrokkene] niet kunnen dienen als ondersteunend bewijs, omdat deze verklaringen ongeloofwaardig en onbetrouwbaar moeten worden geacht, gaat het hof voorbij. Het hof ziet, gelet op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, geen reden om aan de betrouwbaarheid van die, van de lezing van de verdediging afwijkende, bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt dat deze verklaringen op essentiële onderdelen steun vinden in de andere bewijsmiddelen en - zodoende - bruikbaar zijn voor het bewijs.

Incident Hulst

In de avond van 8 september 2017 zijn [medeverdachte 3] , zijn vriendin [vriendin medeverdachte 3] , de broers [medeverdachte 1] (hierna gebruikt het hof de bijnaam van [medeverdachte 1] : [medeverdachte 1] ) en [verdachte] (hierna: [verdachte] ) met de auto van de vriendin van [medeverdachte 1] , [vriendin medeverdachte 1] , een grijze Volkswagen Golf 7 met [kenteken] , naar Hulst gereden2. Aldaar heeft op 9 september 2017 op enig moment een incident in een café plaatsgevonden, waarbij [medeverdachte 1] door [betrokkene] met een glas in het gezicht is geraakt3.

Omstreeks 4.15 uur die nacht is verbalisant F. Lockefeir op de Grote Markt te Hulst waar hij een man met een donkere huidskleur, ongeveer 25 à 30 jaar oud, lange dreads en bebloed gezicht heeft aangetroffen aan de voorzijde van [naam cafe] . Lockefeir zag dat het shirt van de man aan de voorzijde volledig doordrenkt was met bloed. Nadat Lockefeir tegen de man had gezegd dat er een ambulance onderweg was, heeft de man gezegd: “Ik heb geen ambulance nodig”. Vervolgens riep de man: “Ga maar naar de [straat aangever] !”4. Enkele minuten later liep deze man op de Grote Markt richting een grijze/zilvergrijze Volkswagen Golf en vertrok met een onbekend aantal personen in dit voertuig. Verbalisant Timmerman zag op 9 september 2017 omstreeks 4.10 uur voor [naam cafe] in Hulst ook een man met een bebloed gezicht, donkere huidskleur, ongeveer 30 jaar oud, lange dreads en een aan de voorzijde volledig met bloed doordrenkt shirt, die door een aantal personen in een op de Grote Markt geparkeerde grijs/zilverkleurige Volkswagen Golf met kenteken 91-ZNJ-1 werd gezet, welke vervolgens wegreed.5 [verdachte] heeft bij de politie verklaard6 dat zij met de auto van [medeverdachte 3] (hof: [medeverdachte 3] ) naar huis (hof: Terneuzen) zijn gegaan, dat [medeverdachte 3] reed en dat hij samen met zijn broer [medeverdachte 1] achterin de auto zat. Op camerabeelden is te zien dat voornoemde auto om 04.19 uur de Grote Markt in Hulst verlaat7. De verdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij na het incident in Hulst daar heen een weer liep en heeft gehoord dat degene die hem met het glas had geraakt een Turkse jongen, genaamd Younes of [betrokkene] was en dat hij zou wonen op de [straat aangever]8 (het hof begrijpt: in Terneuzen).

Het hof stelt aan de hand van voorgaande bewijsmiddelen vast dat de man met het bebloede gezicht, de verdachte [medeverdachte 1] betrof.

[betrokkene] heeft verklaard9 dat hij in de nacht van 8 op 9 september 2017 in Hulst is geweest, dat hij contact heeft gehad met een persoon met lange dreads die [medeverdachte 1] wordt genoemd en dat hij [medeverdachte 1] met een glas in zijn gezicht heeft geraakt. [medeverdachte 1] was daar samen met [verdachte] en [medeverdachte 3] . Van [verdachte] weet [betrokkene] te zeggen dat hij een donkergetinte wat oudere man is, niet zo lang van postuur, die met een vrouw uit Terneuzen gaat en in zijn nek wat haar heeft.

Het hof concludeert op basis van het voorgaande dat [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [verdachte] op 9 september 2017 om 04.19 uur vanaf de Grote Markt in Hulst samen in de grijze/zilvergrijze Volkswagen Golf met [kenteken] hebben gezeten en naar Terneuzen zijn gereden.

Met betrekking tot de persoonskenmerken van de verdachten ten tijde van dit incident stelt het hof vast dat [medeverdachte 3] 32 jaar was en 1,79 meter lang, dat [medeverdachte 1] 31 jaar was, ongeveer even groot als [medeverdachte 3] en met dreadlocks, dat [verdachte] 44 jaar was, 1,72 meter lang en bovenop zijn hoofd kaal was met wat langer haar in de nek10.

Traject Hulst-Terneuzen

Omstreeks 4.30 uur zegt [betrokkene] thuisgekomen te zijn aan de [adres aangever] te Terneuzen. (Het hof houdt het erop dat dit later dan 4.30 uur moet zijn geweest omdat de afstand vanaf de Grote Markt in Hulst naar de [straat aangever] in Terneuzen blijkens een openbare bron op internet 26 minuten rijden is). Op het moment dat [betrokkene] samen met zijn vriendin aan kwam rijden op het [straat W] zagen zij op de [straat L] , aan het begin van de [straat aangever] , een zilvergrijze Golf 7 stilstaan met de neus van het voertuig in de richting van de [adres aangever] en met de verlichting aan. [betrokkene] heeft verklaard dat hij hierdoor een rotgevoel kreeg, bang werd en zich door zijn vriendin op het [straat W] , ter hoogte van de brandgang, heeft laten afzetten. [betrokkene] is vervolgens door de brandgang gerend, over de schutting gesprongen en via de achtertuin de woning aan de [adres aangever] binnengegaan. Bij thuiskomst heeft [betrokkene] aan zijn ouders verteld wat er eerder die nacht was gebeurd11.

Het hof stelt vast dat bij onderzoek in de grijze Golf 7 een zwarte Alcatel mobiele telefoon is aangetroffen, toebehorende aan [verdachte]12. Uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 maart 2018, opgemaakt door verbalisant P.L.J. Kempeneers, blijkt dat de vijf foto’s die zijn aangetroffen op deze telefoon volgens de bestandsgegevens met dit toestel zijn gemaakt op 9 september 2017 tussen 4.39 uur en 5.02 uur. Uit onderzoek naar deze foto’s bleek dat het vrijwel zeker is dat deze op de datum en het tijdstip zijn genomen die bij de bestandsgegevens worden weergegeven. Dit blijkt behalve uit de datum en tijd in de bestandsgegevens ook uit de bestandsnaam van de foto’s die automatisch wordt gegenereerd. In de bestandsnaam is onder andere de datum verwerkt. Bij alle vijf de foto’s is deze datum 9 september 2017. Verder zijn de foto’s genomen met het cameramodel van deze telefoon. Ook wijst de locatie waar de foto’s zijn opgeslagen er op dat deze op de vermelde datum en tijd zijn genomen met het toestel waar de foto’s in zijn aangetroffen. De vijf foto’s zijn namelijk aangetroffen in de map waar standaard de met het toestel gemaakte foto’s worden opgeslagen.

Op de geheugenkaart in voornoemde telefoon zijn de navolgende afbeeldingen aangetroffen, gemaakt op 9 september 2017, op de genoemde tijdstippen, waarvan is vastgesteld dat deze tijdsinstelling overeenkomt met de daadwerkelijke tijd13:

04.39.44 uur14: op de afbeelding is [medeverdachte 1] te zien met bebloed gezicht, ontbloot bovenlijf, grijs t-shirt met bloedvlekken in de hand en donkerblauwe boxer met lichtblauwe band;

04.39.48 uur15: op de afbeelding is een persoon te zien met ontbloot bovenlijf en

t-shirt met bloedvlekken in de hand, vuurwapen dan wel een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de hand. Gelet op de overeenkomsten met de vorige afbeelding en de korte tijdspanne van 4 seconden oordeelt het hof dat het niet anders kan zijn dan dat dit ook [medeverdachte 1] is. Tevens is een arm in beeld van een ander persoon dan [medeverdachte 1] ;

04.43.56 uur16: op de afbeelding is een deel van een buik/t-shirt en een deel van een vuurwapen dan wel een op een vuurwapen gelijkend voorwerp (zijnde een ander vuurwapen dan hiervoor vermeld) te zien, waarvan is vastgesteld dat het t-shirt op deze afbeelding gelijk is aan het t-shirt dat door [verdachte] is gedragen, zoals te zien op de camerabeelden te Hulst, alsmede op de volgende afbeelding;

05.02.20 uur17: op de afbeelding is een persoon te zien met een vuurwapen dan wel een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de hand die herkend wordt als zijnde [verdachte] . [verdachte] heeft bekend dat hij te zien is op deze foto18;

05.05.13 uur en 05.05.50 uur19: twee afbeeldingen, waarop – zoals hiervoor is vastgesteld – [medeverdachte 1] te zien is, zijn verstuurd naar het telefoonnummer (+31638123617) van de dochter van de vriendin van [verdachte] .20

Tussenconclusie

Op basis van de hiervoor omschreven op de telefoon van [verdachte] aangetroffen afbeeldingen, alsmede de bijbehorende tijdstippen, stelt het hof vast:

- dat [medeverdachte 1] om 4.39 uur een vuurwapen, dan wel een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in zijn hand heeft, waar iemand anders dan [medeverdachte 1] een foto van heeft gemaakt;

- dat [verdachte] vier minuten later, om 4.43 uur, een ander vuurwapen, dan wel een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, vast heeft;

- dat [verdachte] om 5.02 uur nog steeds beschikt over dat vuurwapen, dan wel een op een vuurwapen gelijkend voorwerp;

- dat de twee afbeeldingen waarop [medeverdachte 1] te zien is om 5.05 uur vanaf de telefoon van [verdachte] zijn verzonden naar de dochter van de vriendin van [verdachte] ;

- dat [verdachte] ten minste tot 5.02 uur in het bezit is geweest van zijn telefoon, omdat hij op dat moment zelf te zien is op de afbeelding en naar het hof aanneemt ook nog op 5.05 uur, aangezien er geen begin van aannemelijkheid is dat iemand anders dan [verdachte] die foto’s naar zijn stiefdochter zou hebben gestuurd. [verdachte] heeft ook verklaard dat hij haar “leuke dingen, grappen” stuurt.21

De niet consistente verklaringen die [verdachte] heeft gegeven over het kwijtraken van zijn telefoon en over de gemaakte foto’s (waaronder “ik heb geen foto’s gemaakt in te café in Hulst, in de auto of daarna (dossierp. 140); “de foto (van 05.02.20 uur, hof) stond al lang op mijn telefoon en heb ik veel eerder gemaakt” (dossierp. 145)) worden weersproken door de hiervoor omschreven vaststellingen. Ook door de verdachte [medeverdachte 1] is geen (aannemelijke) verklaring gegeven voor de gemaakte foto’s.

Schietincident Terneuzen

Omstreeks 05.30 uur komt bij de politie de melding binnen dat zou zijn geschoten op de [adres aangever] te Terneuzen, waar de familie [aangever] woonachtig is. Door het Operationeel Centrum werd doorgegeven dat er vier personen bij het schietincident waren weggegaan en dat er een zilverkleurige Volkswagen Golf gezien was. Door verbalisanten ter plaatse wordt, komende vanuit de richting [straat aangever] , een zilverkleurige Volkswagen Golf gezien, naar even later bleek met [kenteken] . De bestuurder bleek [medeverdachte 3] en de bijrijder [medeverdachte 2]22. De verdachte [medeverdachte 2] wordt ook wel [bijnaam medeverdachte 2] wordt genoemd23. De aanhouding van de verdachten vond plaats om 5.39 uur24. [medeverdachte 3] heeft op dat moment verklaard dat hij enkele minuten eerder, zijn twee neven, genaamd [medeverdachte 2] en [verdachte] in de [straat V] in Terneuzen had afgezet25. In de auto wordt onder meer het rijbewijs, een bank pas en het identiteitsbewijs van [medeverdachte 1] aangetroffen, alsmede -zoals eerder al is opgemerkt- de mobiele telefoon van het merk Alcatel, toebehorende aan [verdachte]26.

Uit het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant De Ridder27, die omstreeks 5.40 uur ter plaatse was op de [adres aangever] te Terneuzen, komt naar voren dat zij [aangever] (vader van [betrokkene] en wonende op dat adres) heeft horen zeggen dat hij op enig moment geschreeuw had gehoord, naar het badkamerraam was gelopen en uit het raam had gezien dat er meerdere Antillianen in zijn voortuin stonden. Eén van deze Antillianen stond in zijn voortuin, net niet op de weg, ter hoogte van zijn voordeur. Deze Antilliaan had een vuurwapen op hem gericht. Hierop zou [aangever] hebben geroepen: “Schiet dan, schiet dan!” Door de Antilliaanse persoon met het vuurwapen is toen meerdere keren in de richting van [aangever] , die in de badkamer stond, geschoten. Voorts heeft [aangever] gezegd dat één van deze jongens lang rasta haar had en dat een andere krullend haar had, als een soort broccoli kapsel.

In het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant Q. Alma28, wordt door voornoemde verbalisant gerelateerd dat hij ter plaatse [betrokkene] heeft horen zeggen: “Het zijn die gasten uit Hulst (…) een daarvan had dreads”. Tevens heeft verbalisant Alma [betrokkene] horen zeggen dat ze in de voortuin stonden en dat ze ook voor de buren van huisnummer 8 hadden gestaan.

Omstreeks 9.45 uur die ochtend heeft verbalisant D.J. Zwartepoorte gesproken met aangever [aangever]29. Tijdens dit gesprek heeft [aangever] verklaard dat hij kort nadat zijn zoon [betrokkene] rond 5.00 uur thuis was gekomen en had verteld over het incident in Hulst, geluiden op straat hoorde aan de voorzijde van de woning. Via het raam van de badkamer zag hij dat er vier Antilliaanse gasten bij hem voor de woning stonden. Hierop heeft hij het raam geopend en gevraagd wat ze wilden. Vervolgens vertelde [aangever] dat hij meerdere vuurwapens zag en dat een van de personen een vuurwapen op hem richtte. Voorts verklaarde hij dat de persoon die een vuurwapen op hem richtte en ook in zijn richting schoot een persoon was met lange dreads waarvan hij weet dat deze persoon [medeverdachte 1] wordt genoemd. [aangever] verklaarde dat er vanaf de straat voor de woning een aantal maal in zijn richting is geschoten op het moment dat hij via het badkamerraam aan het roepen was. [aangever] vertelde dat hij vervolgens naar beneden is gelopen en via de voordeur naar buiten is gegaan. Op het moment dat hij buiten was, zag hij dat de vier mannen vanuit de richting van de [straat L] een aantal maal in zijn richting schoten en daarna snel wegrenden.

In zijn aangifte30 heeft aangever [aangever] de hiervoor opgenomen verklaringen in grote lijnen herhaald, met dien verstande dat hij heeft verklaard dat er tevens een wat oudere persoon bij was.

[betrokkene] heeft in zijn verhoor op 18 september 201831 verklaard dat hij heeft gezien dat [medeverdachte 1] in de voortuin van hun woning ter hoogte van de voordeur stond en dat hij een wapen gericht had op zijn vader, op het moment dat zijn vader in de badkamer stond. Op dat moment zag [betrokkene] vier personen, dit waren [medeverdachte 1] , [verdachte] , [bijnaam medeverdachte 2] (hof: verdachte [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 3] . [betrokkene] zag dat [medeverdachte 3] wat stilstond in de straat, ter hoogte van nummer 4 en 6. Voorts zag hij [verdachte] en [bijnaam medeverdachte 2] steeds wat heen en weer rennen op het moment dat [medeverdachte 1] bij de voordeur stond. [betrokkene] geeft een omschrijving van de persoon die hij [bijnaam medeverdachte 2] noemt (het hof begrijpt de verdachte [medeverdachte 2] ), te weten dat hij een licht getinte huidskleur heeft, lang krullend haar en dat zijn haarkleur niet blond en ook niet donker is. Met betrekking tot [medeverdachte 1] geeft [betrokkene] aan dat hij later (een paar uur na het schietincident) heeft gehoord dat deze man [medeverdachte 1] heet, en dat de persoon in Hulst, die hij met het glas in zijn gericht heeft geraakt, dezelfde persoon was die toen in hun voortuin stond. Kort na het schietincident hoorde [betrokkene] een auto rijden. Hierop is [betrokkene] naar buiten gelopen, in de richting van de Beukenstraat gerend en zag vervolgens van links dezelfde Golf 7, die hij die nacht voor zijn thuiskomst met brandende lichten in de [straat L] had zien staan, aan komen rijden. Vanaf rechts zag hij de politie komen, die de grijze Golf achterna is gegaan. [betrokkene] is vervolgens samen met zijn vader in de auto achter de politie aangereden en heeft gezien hoe de inzittenden van de Volkswagen Golf door de politie werden aangehouden.

Bij de rechter-commissaris d.d. 6 maart 2018 blijft [betrokkene] bij zijn eerder afgelegde verklaring dat hij vier personen bij het schietincident heeft gezien en noemt daarbij dezelfde vier namen. Verder verklaart hij daar dat hij weet dat [medeverdachte 1] geschoten heeft en dat hij ook [bijnaam medeverdachte 2] zeker had herkend. Met de verdediging heeft het hof vastgesteld dat [betrokkene] in zijn verklaring bij de rechter-commissaris, die een half jaar na het incident is afgelegd, niet als zeker volhardt in zijn eerder gedane herkenningen van de andere twee verdachten ( [verdachte] en [medeverdachte 3] ). Het hof merkt op dat dit te wijten kan zijn aan het tijdsverloop en oordeelt dat de inhoud van deze latere verklaring niet afdoet aan de geloofwaardigheid van de direct na het incident tegenover de politie afgelegde verklaringen, waarin hij ook [verdachte] gedetailleerd en kloppend heeft beschreven. [verdachte] had (ook) destijds immers een relatie met een vrouw in Terneuzen (dossierp. 365), is donkergetint, had wat haar in de nek en is niet zo lang van postuur.

De [getuige 1] , woonachtig aan de [straat aangever] 6, heeft verklaard32 dat zij die nacht omstreeks 5.30 uur vier mannen op straat zag staan, vermoedelijk allen van Antilliaanse afkomst. Enkele mannen stonden ter hoogte van huisnummer 10 te schreeuwen en van de vier mannen was er één duidelijk ouder was dan de anderen. De getuige schat de leeftijd van de andere drie tussen de 20 en 30 jaar oud.

Naar aanleiding van het schietincident in de [straat aangever] is door de afdeling forensische opsporing onderzoek verricht33. In de [straat aangever] werd nagenoeg in het midden voor de woning van aangever, pandnummer 10, een deel van een gedeformeerde kogelmantel aangetroffen en wel nabij de verharde voortuin tussen de straatklinkers op de rijbaan. Ter hoogte van pandnummer 6, nabij de voortuin op de rijbaan, werd een huls aangetroffen, ter hoogte van pandnummer 4, nabij de voortuin op de rijbaan, werd één patroonhuls en één volmantelpatroon aangetroffen, en tegenover en ter hoogte van pandnummer 2 werden in totaal vijf patroonhulzen aangetroffen34. Boven de voordeur van de woning aan de [adres aangever] is een vermoedelijke schotbeschadiging aangetroffen. Tevens is een schotbeschadiging aangetroffen in een geparkeerde auto aan de [straat aangever] en werd hierin een gedefragmenteerde projectiel aangetroffen.35

Onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) wijst uit dat het ten minste zeer veel waarschijnlijker is dat voornoemde zeven hulzen zijn verschoten met een en hetzelfde vuurwapen dan met twee vuurwapens van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken. De hulzen en het patroon zijn alle van het kaliber 9mm Parabellum. De zeven hulzen zijn vermoedelijk verschoten met een (semi-)automatisch werkend pistool. Ook de voor de woning [adres aangever] gevonden kogelmantel past het best bij het kaliber 9mm Parabellum en past bij (semi-)automatisch werkende pistolen, aldus nog steeds het NFI in dit rapport. Of de hulzen enerzijds en het manteldeel anderzijds afkomstig zijn uit één en hetzelfde vuurwapen kon niet worden vastgesteld. 36

Het hof stelt vast dat het beeld dat volgt uit de verklaringen van voornoemde aangever en getuige over het verloop van het schietincident bevestiging vindt in de resultaten van het forensisch sporenonderzoek.

Het hof gaat er dan ook van uit dat het schietincident heeft bestaan uit twee fasen, te weten de eerste fase waarbij in/nabij de voortuin van de [adres aangever] meermalen door [medeverdachte 1] gericht op het geopende badkamerraam - waar [aangever] stond - is geschoten en de tweede fase waarbij de vier verdachten ( [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] ) op die [straat aangever] zijn weggelopen/weggerend in de richting van de [straat L] (in de richting van de lagere even huisnummers) en waarbij nogmaals meerdere keren is geschoten in de richting van de [adres aangever] . Het is onduidelijk door wie die volgende schoten (in die tweede fase) zijn afgevuurd. Het gegeven dat [aangever] en [getuige 1] spreken van “vier Antillianen” (dossierp. 284 en 286) respectievelijk “vier mannen, vermoedelijk allen van Antilliaanse afkomst” (dossierp. 342) en dat [medeverdachte 2] als enige van de vier mannen niet van Antilliaanse afkomst is en geen donkere huidskleur heeft, doet er niet aan af dat het hof ook bewezen acht dat [medeverdachte 2] een van de vier mannen is geweest die bij het onderhavige schietincident is betrokken. Het hof leidt dat af uit het feit dat [medeverdachte 2] onmiddellijk na het schietincident is aangetroffen in de auto die kort vóór en na het schietincident in de onmiddellijke omgeving van de [adres aangever] is gesignaleerd en waarin eigendommen lagen van mededaders [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 3] , waaronder de telefoon van [verdachte] met net vóór het schietincident gemaakte opnames van [medeverdachte 1] en [verdachte] met (op) vuurwapens (gelijkende voorwerpen). Bovendien is het zeer veel waarschijnlijker dat op de bemonstering van de handen van [medeverdachte 2] na zijn aanhouding schotresten aanwezig waren, dan dat dit niet zo is,37 hetgeen duidt op betrokkenheid bij een schietincident. Ten slotte had [medeverdachte 2] destijds, zoals [betrokkene] al omschreef, inderdaad krullend halflang haar, dat noch blond noch donker was, blijkens zijn foto op de ID-staat van 10 september 201738.

Medeplegen van bedreiging

Het hof is van oordeel dat wegens het ontbreken van duidelijk technisch en/of ander betrouwbaar bewijs niet met voldoende overtuiging kan worden vastgesteld dat de verdachten [medeverdachte 2] en [verdachte] die nacht hebben geschoten. Wel acht het hof met de advocaat-generaal en anders dan de verdediging wettig en overtuigend bewezen dat deze verdachten tezamen en in vereniging met elkaar en met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] [aangever] hebben bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht.

De vraag of sprake is geweest van medeplegen van de bewezen verklaarde bedreiging laat zich niet in algemene zin beantwoorden maar vergt een beoordeling van de concrete feiten en omstandigheden van het geval.

Het hof overweegt dat de verdachte blijkens de bewijsmiddelen ten tijde van het schietincident deel heeft uitgemaakt van de groep van vier personen die voorzien van ten minste één vuurwapen omstreeks 5.00 uur in de nacht naar de woning van de familie [aangever] aan de [adres aangever] te Terneuzen zijn gegaan, vermoedelijk om wraak te nemen naar aanleiding van hetgeen zich eerder die nacht in Hulst had afgespeeld. Ten aanzien van verdachte [verdachte] kan worden vastgesteld dat hij op de hoogte was van hetgeen zich eerder die nacht in Hulst had afgespeeld en voorts dat hij kort voor de schietpartij in het bezit was van een vuurwapen, dan wel een op een vuurwapen gelijkend voorwerp.

De verdachten hebben de auto op de hoek van de [straat aangever] geparkeerd en zijn korte tijd later met zijn vieren naar de woning aan de [adres aangever] gelopen. Er is door meerdere personen op straat geschreeuwd en vervolgens heeft de eerste fase van het schietincident plaatsgevonden, waarbij in/nabij de voortuin van de [adres aangever] meermalen door [medeverdachte 1] op het geopende badkamerraam in de richting van [aangever] is geschoten. Al die tijd zijn de verdachten [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] in de buurt gebleven. Op het moment dat [aangever] via de voordeur naar buiten is gegaan, zijn de vier mannen gezamenlijk in de richting van de [straat L] (in de richting van de lagere even nummers) gevlucht en is vervolgens nog een aantal keren in de richting van [adres aangever] geschoten.

Naar het oordeel van het hof ligt in het genoemde handelen van verdachte en zijn medeverdachten besloten dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van de bewezen verklaarde bedreiging.

Ten aanzien van feit 2

Naar het oordeel van het hof kan tevens wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte zich op 9 september 2017 schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde feit, met dien verstande dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen een wapen van categorie II of III en munitie van categorie III voorhanden heeft gehad.

Na het schietincident zijn ter hoogte van de [straat aangever] 2, 4 en 6 een scherp patroon, een kogelmantel en zeven hulzen aangetroffen. Uit het munitieonderzoek van het NFI d.d. 4 januari 2018 is gebleken dat zowel de patroon als de zeven hulzen van het kaliber 9mm Parabellum zijn. Zoals eerder opgemerkt wijst hetzelfde onderzoek uit dat het ten minste zeer veel waarschijnlijker is dat voornoemde hulzen zijn verschoten met een en hetzelfde vuurwapen dan met twee vuurwapens van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken. De hulzen zijn vermoedelijk verschoten met een (semi-)automatisch werkend pistool van het kaliber 9mm. Het merk van het pistool kan niet worden vastgesteld. Het hof stelt ambtshalve vast dat munitie van het kaliber 9mm geschikt is voor wapens van zowel categorie II als categorie III en derhalve munitie is van categorie III, zodat in zoverre tot een bewezenverklaring gekomen kan worden.

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt voorts dat de verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] tezamen en in vereniging een wapen en munitie voorhanden hebben gehad. Voor een veroordeling ter zake artikel 26 Wet wapens en munitie is vereist dat er sprake is geweest van een meer of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid van dat wapen of die munitie. Hiervan is gezien de inhoud van de bewijsmiddelen ten aanzien van alle verdachten sprake geweest.

Het verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II of een vuurwapen van categorie III

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd,

- de omstandigheid dat de onder 1 bewezen verklaarde bedreiging was gericht tegen het leven van het slachtoffer door in de directe omgeving van het slachtoffer met een vuurwapen te schieten terwijl dat feit wordt gepleegd in een woonwijk;

- de omstandigheid dat de onder 1 bewezen verklaarde bedreiging was gericht tegen het leven van het slachtoffer door in de directe omgeving van het slachtoffer met een vuurwapen te schieten, terwijl dat feit wordt gepleegd in een woonwijk;

- de omstandigheid dat het onder 2 bewezen verklaarde feit ziet op overtreding van de Wet wapens en munitie.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 7 februari 2019, waaruit blijkt dat verdachte vele malen eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake strafbare feiten, onder meer ter zake bedreiging en overtredingen van artikel 27 van de Wet wapens en munitie;

- de inhoud van het de verdachte betreffend pro justitia psychologisch onderzoek, opgemaakt door N. van der Weegen, GZ-psycholoog d.d. 6 maart 2018;

- de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op het voorgaande niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 47, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. C.M. Hilverda, voorzitter,

mr. P.M. Frielink en mr. A.J.A.M. Nieuwenhuizen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.C.H. Verhoeven-van der Heijden, griffier,

en op 29 april 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. C.M. Hilverda en mr. A.J.A.M. Nieuwenhuizen zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Hierna wordt telkens – tenzij anders vermeld - verwezen naar paginanummers van het procesdossier van de politie Zeeland-West-Brabant, Districtsrecherche, Schietincident [adres aangever] Terneuzen, proces-verbaalnummer 201707121216.2825.AMB, gesloten op 8 december 2017.

2 Dossierpagina 33, 98, 104, 105 en 348.

3 Dossierpagina 355 en 356.

4 Dossierpagina 165.

5 Dossierpagina 162.

6 Dossierpagina 139.

7 Dossierpagina 202.

8 Dossierpagina 99 en 210.

9 Dossierpagina 356.

10 Dossierpagina 38, 106 en 137.

11 Dossierpagina 357.

12 Dossierpagina 143, 211-212 en 222.

13 Dossierpagina 224 en 225.

14 Dossierpagina 111, 112, 116, 233 en 242.

15 Dossierpagina 234.

16 Dossierpagina 234, 253, 25, 256.

17 Dossierpagina 238, 253, 255, 257, 258.

18 Dossierpagina 144 en 151.

19 Dossierpagina 239, 240, 242, 243, 370

20 Dossierpagina 240, 370, 371, 145.

21 Dossierpagina 145.

22 Dossierpagina 166, 167, 168.

23 Dossierpagina 36.

24 Dossierpagina 19.

25 Dossierpagina 170.

26 Dossierpagina 211.

27 Dossierpagina 259, 260.

28 Dossierpagina 261.

29 Dossierpagina 284.

30 Dossierpagina 285 ev.

31 Dossierpagina 358 ev.

32 Dossierpagina 342-343.

33 Dossierpagina 263.

34 Proces-verbaal sporenonderzoek van N.J. van der Schelde en T.A. van Trier, d.d. 23 oktober 2017.

35 Proces-verbaal sporenonderzoek van E.C. Poppe en T. Klap,, d.d. 11 september 2017.

36 Rapport van 4 januari 2018, opgemaakt door W. Kerkhoff.

37 NFI-rapport van ing. S.B.C.G. Chang d.d. 16 november 2017, dossierpagina’s 371 e.v.

38 Dossierpagina 59.